Staat en Maatschappij.
Een initiatief-voorstel.
Op vierderlei grond heeft het nieuwe Kabinet geweigerd om tegelijkertijd met de wijziging van het Grondwetsartikel betreffende het Kiesrecht, ook dat van het Onderwijs ter hand te nemen,
1e zou een voorstel daartoe niet passen bij de beperkte taak, die der Regeering door den uitslag der verkiezingen is voorgeschreven,
2e is bij de verkiezingen niet gebleken, dat zich eene meerderheid ten gunste van de herziening van art. 192 heeft uitgesproken,
3e het aan de orde stellen van de herziening van art. 192 zoude het karakter dragen van een compromis, dat de Regeering niet zou kunnen aanvaarden.
En 4e zou de Regeering door art. 192 aan de orde te stellen gevaar loopen een fellen beginselstrijd te doen ontbranden, die haar vermogen om de electorale hervorming tot stand te brengen aanmerkelijk zou kunnen verzwakken.
Wij zullen de gronden, die de Regeering tot afwijzing van het verzoek der rechterzijde leidde, voor het oogenblik laten voor wat zij zijn. Voorshands achten wij met de vermelding der overwegingen van de Regeering te kunnen volstaan. Wanneer de Regeering zich nader omtrent hare voornemens zal verklaard hebben, komt er wellicht nog gelegenheid nader op de overwegingen terug te komen.
Op welk punt thans de aandacht behoort gevestigd te worden, is de overweging van de vraag welke richting de voorstanders van eene wijziging van art. 192 der Grondwet, nu aan hun verlangen door de Regeering niet voldaan wordt, hebben in te slaan. Welke gedragslijn op het oogenblik door hen moet gevolgd worden.
En dan lijkt ons dat er maar één weg openstaat en wel deze dat de rechterzijde het initiatief neme tot het indienen van een eigen wetsontwerp, bedoelende om tot wijziging van het Grondwetsartikel te geraken. Wellicht ware daarvoor de tekst te gebruiken van het ontwerp-artikel, gelijk dit door het Kabinet Heemskerk bij zyn Grondwetsherziening werd voorgesteld, in alle gevallen moet de redactie zoo gesteld zijn dat financieele gelijkstelling van het bijzonder onderwijs met het openbaar onderwijs in de Grondwet wordt vastgelegd.
Of deze poging bij de tegenwoordige samenstelling der Tweede Kamer kans van slagen hebben zal, zal voor een groot deel afhangen van de houding welke de Regeering tegenover zulk een initiatief-voorstel inneemt.
Daarover zal het Kabinet bij de mondelinge beraadslaging zich hebben te verklaren.
Intusschen heeft de rechterzijde, afgezien van de vraag of de Kamer zich met het voorstel zal vereenigen, haar plicht te doen.
Blijft de Regeering bij haar aanvankelijk voornemen, dan is het de taak van de rechterzijde om zich van hare roeping ten deze bewust te gevoelen.
Goederen in de doode hand.
Een der moeilijkheden, waarvoor het Kabinet-Cort v. d. Linden zich geplaatst ziet, is om de middelen te zoeken, die de inkomsten der schatkist zullen verhoogen. Allerlei belasting-objecten worden daartoe aan de hand gedaan. Een dezer is om een belasting te heffen op de goederen in handen van rechtspersonen, ook wel genoemd goederen in de doode hand.
Door de regeering wordt de billijkheid van het heffen van zulk eene belasting erkend. Zij stelt zich daarom voor een nader onderzoek omtrent de beteekenis en de toeneming van dat vermogen in te stellen.
Destijds werd de opbrengst van zulk een belasting geraamd op zoo ongeveer 6 ton gouds.
Wat onder goederen in de doode hand verstaan wordt, weet men. Daaronder vallen ook de goederen, die de Kerken en de Diaconieën bezitten.
Nu meent men vaak dat, als over eene belasting op goederen in de doode hand gesproken wordt, dat men op het oog heelt de bezittingen, die de Roomsche kerken en kloosters hebben. Nu is dit ook zoo. Maar men vergete toch niet dat ook de Hervormde Kerk vele kapitalen bezit, die ook onder die belasting zouden vallen.
Daarom is het voor onze Kerk niet onverschillig of zoodanige belasting zal ingevoerd worden.
Vele gemeenten zullen door zulk eene belasting niet weinig schade lijden.
De resultaten.
Onder het opschrift Rechts en Links schrijft de Nederlander dat niettegenstaande de tegemoetkomende houding van den Minister van Koloniën, niet alle ongerustheid over de toekomst van het Christelijk onderwijs in Indië kon worden weggenomen.
Dit onderwijs — zoo schrijft het blad — dat voor een groot deel van de Zending, uitgaat, is een harer belangrijkste en meest gezegende middelen ter Evangelisatie.
Dat deze bedreigd wordt, danken wij ook aan diegenen onder de Zendingsvrienden hier te lande, welke in dezen zomer hun vertrouwen hebben geschonken aan de mannen der Concentratie.
Dat de voorgenomen stichting eener bijzondere Hoogere Burgerschool in Bandoeng thans gaat mislukken, is mede hün schuld.
Dat onlangs ook een sociaal-demokraat werd aangewezen om toezicht te oefenen op onze eigen Christelijke gestichten voor verpleging van Voogdijkinderen e.d, — we kunnen het beschouwen als een uitvloeisel van de verkiezingsactie der Concentratie.
Velen, die haar lokstem zijn gevolgd, zullen het zich berouwen nu zij deze resultaten gaan zien.
Het is zeker heel stichtelijk te spreken voor de Zending, en te ijveren voor den arbeid der Christelijke barmhartigheid, maar wij zien liever wat minder ijver in woorden en wat meer beleid in daden, dan sommige Christelijke kiezers dezen zomer hebben aan den dag gelegd. Op de vruchten ook van hun dwaze actie valt nu reeds te wijzen.
De boom bloeide al. Maar bitter is de vrucht.
In het bovenstaande zit zeer veel waars. Maar of zij, die de lokstem der concentratie gevolgd zijn, het zich berouwen zullen, nu zij de resultaten van hunne medewerking gaan. zien, valt nog te betwijfelen.
Ons volk moet eerst door schade en schande wijs worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's