Uit het kerkelijk leven.
Het reeht der Modernen in de Herv. Kerk.
II.
„Oudtijds was de Hervormde Kerk een belijdenis-Kerk.
Nooit hebben die formulieren van eenheid zoo onbeperkt geheerscht als zij, die in onze dagen terug wenschen naar de „oude paden, " het gaarne voorstellen. .
Doch dit doet in dit verband minder ter zake.
De Hervormde Kerk was een belijdeniskerk, die van haar leden instemming verlangde met een bepaalde belijdenis en wel de formulieren van eenheid, de Nederlandsche geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Dordtsche leerregels". .
Aldus Dr. Niemeyer.
Maar zij is dat echter niet gebleven. Onze Kerk is nu van belijdenis-kerk veranderd in een kerk „die is ingericht op het samenwonen van verschillende richtingen" — zoo vervolgt Dr. N.
Hier willen we even onze aandacht aan schenken.
Want die sprong is ons nog al groot.
Misschien dat hier wel een draai genomen wordt, waarop wat is aan te merken.
We willen eens zien.
Wat is er in 1816 gebeurd?
Is toen onze Herv. Kerk van haar belijdenis beroofd? Is die belijdenis toen weggedaan? Is toen gezegd: voortaan vragen we niet meer naar iemands belijdenis en alle richtingen zijn in onze Herv. Kerk welkom; alle richtingen zal het samenwonen in onze Herv, Kerk mogelijk gemaakt worden ?
Zoó stelt Dr. Niemeyer het zoo ongeveer voor.
Want indien hij dat niet bedoelt, dan had hij natuurlijk moeten zeggen: „onze Kerk is ingericht ; op het samenwonen van verschillende richtingen, die evenwel hierin moeten samenstemmen, dat ze allen met de belydenis der Kerk in geest en hoofdzaak instemming betuigen.
Dat is logisch.
En zóo zou ook waarliijk de verandering onzer Kerk in het rechte licht zijn gesteld.
Vroeger: instemming met de drie formulieren van eenheid.
Nu: instemmen met den geest en met de hoofdaaak der belijdenis.
Maar zóo stelt Dr. Niemeyer het niet voor.
Wat we erg , dom en brutaal" vinden — om de stopwoorden van Dr. Niemeyer maar eens te gebruiken.
Dat is zooiets als de geschiedenis "vervalschen".
Wat ook een modern man niet past.
Het doel heiligt de middelen niet.
Onze Kerk is een belijdenis-kerk, met toepassing van de persoonlijke vrijheid.
Evenwel binnen dézen grens: wat men gelooft en belijdt moet in geest en hoofdzaak met de belijdenis en de leer der Kerk overeenstemmen.
Dat Dr. Niemeyer daar maar over heen springt, blijkt duidelijk in 't geen hij verder schrijft.
„Van de formulen van eenheid is in de reglementen in 't geheel geen sprake.
De formule, die aan de aanstaande predikanten bij hun proponents-examen ter onderteekening wordt aangeboden, is zeer ruiin gesteld ; geen vrijzinnig christen' kan er bezwaar tegen hebben.
De reglementen bevatten enkele vragen, die moeten worden voorgelegd aan wie aangenomen worden tot lidmaten, maar zij bepalen tevens, dat het alleen te doen is, om den geest en de hoofdzak ervan.
Hier willen we weer eens even rusten.
En dan behoeft het niet gezegd, dat wij zéer betreuren, dat we een zoo slappe proponents-formule hebben en dat in art. 39 jregl. godsd.onderwys, bij de belijdenisvragen die ellendige zinsnede „althans wat geest en : hoofdzaak betreft" voorkomt.
Men ziet nu weer eens welk gebruik er van gemaakt wordt door moderne propagandisten
Ze werpen juist die dingen aanstonds in uw gezicht, wanneer ge nog durft spreken van belijdenis en leer der Kerk.
En dus — Roomsch of niet-Roomsch, dat moet Ds. Lingbeek maar uitvechten — was het van den Geref. Bond nog zoo kwaad niet gezien, om voor te stellen daar eenige wijziging in te brengen.
Zoo zou eerlijker in de Reglementen komen staan, wat eerlijk is afgesproken van den beginne (n.l. in 1816): dat er in onze Herv-Kerk instemming betuigd moet worden met de belijdenis der Kerk, althans wat betreft geest en hoofdzaak daarvan.
Er is niet afgesproken : geest en hoofdzaak van geest en hoofdzaak.
Er is niet bedoeld: een uittreksel van een uittreksel.
Neen er is bedoeld : geest en hoofdzaak van de belijdenis der Kerk.
En dat „geest en hoofdzaak" is aangegeven in de belijdenisvragen.
Dat is een kort uittreksel uit de geloofsbelijdenis der Gemeente.
Daar moet men mee instemmen, wanneer men toetreedt tot de kerk.
Dat is eerlijk afgesproken.
Al blijft de leeraar vrij (wat de dwaasheid gekroond is en wat er in gebracht is met oneerlijke bedoelingen) al blijft de leeraar vrij om dezelfde belijdenis, in de vragen voorkomend, wat anders te stellen.
Mits geest en hoofdzaak van de belijdenis niet verloren gaat.
Zóo is de eerlijke uitlegging van art. 39 Regl. Godsd, onderwijs.
Wat pas nog weer officieel door de Synode van 1912 in circulaire aan alle Kerkeraden en alle predikanten is aangekondigd.
Men is niet vrij om geest en hoofdzaak van het Evangelie van Jezus Christus, om geest en hoofdzaak van de belijdenis onzer Herv. Kerk, om geest en hoofdzaak van de leer der Kerk los te laten en te loochenen.
Want wie dat doet mist wettelijk en zedelijk alle recht om in de Herv. Kerk te zijn en te blijven.
Dr. Niemeyer gaat verder in zijn beweringen met aldus te schrijven:
„Uitdrukkelijk wordt verklaard, dat de predikanten ten aanzien van het gebruik der oude formulieren voor doop, avondmaal enz. vrij zijn".
Ook dat is waar.
Maar niet zooals Dr. Niemeyer het bedoelt.
En dat is weer het veroordeelenswaardige in z'n redeneering.
Hij wil het toch immers doen voorkomen alsof ieder predikant doopen mag zooals hij wil en avondmaal mag houden naar eigen believen. En dat is gedeeltelyk waar.
Helaas! zeggen we.
Maar iedere predikant en iedere kerkeraad is bij de sacramentibediening wel degelijk gebonden aan den geest en de hoofdzaak van onze kerkelijke belijdenis.
Zeker, aan de persoonlijke vrijheid wil men liefst zoo weinig mogelijk in den weg leggen.
Wat nog een vrucht is uit de dagen van die lieve verdraagzaamheid, toen een danshuis vrij open mocht zijn en aan een bordeel niets in den weg gesteld werd, maar 20 menschen niet mochten saam komen om Gods Woord te lezen en een geref. preek aan te hooren; toen een School met den Bijbel verboden was ; toen....
OI heerlijke tijd van lieve verdraagzaamheid.
Toen alle wind van leer welkom was.
Maar toen men — o valschheid! — toch niet heeft durven vastleggen in de kerkelijke reglementen, dat alle leer geoorloofd was.
Dat durfde men niet.
Ook niet alle doopsbediening goedkeuren.
Neen — en de hand Gods is er in geweest, ook bij al het knoeien van de vijanden der waarheid — er is officieel toch altijd vastgehouden aan de leer en aan de belijdenis der Kerk; en ook bij de sacramentabediening werd officieel geëischt instemming met geest en hoofdzaak van de belijdenis der Kerk, die ook over de sacramenten handelt.
Zeker, aan de persoonlijke vrijheid wilde men niets in den weg leggen, (alleen bij de gereformeerden wel, die werden met hun klacht over de onteering van het Goddelijk Wezen uitgelachen en hun inboedel werd ten slotte op Zondag verkocht).
Maar wilde men de persoonlijke vrijheid zooveel mogelijk — véél te veel — eeren, officieel, reglementair bleef vast staan om b.v. te doopen met de doopsformule „ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes" wat nooit is veranderd. En geest en hoofdzaak bii den Doop alsook bij het Avondmaal bleef de beteekenis van Christus' zoendood en de reiniging met Zijn bloed. Wie er zoo iets van „geloof, hoop en liefde" of God, deugd en onsterfelijkheid" van maken wilde was buiten de orde en miste alle wettelijk en zedelijk recht daartoe. Bewijze het veroordeelen van elke endere formule bij den Doop dan de bekende trinitarische formule, ontleend aan Matth. 28:19.
Dr. Niemeyer springt met een polsstok over deze kwestie heen.
Wat dom is — daar hij in 't water moet vallen, als hij zoo springt.
Wat brutaal is — daar hij een air aanneemt van het grootste gelijk te hebben en natuurlijk vast moet loopen tegen wat officieel beschreven staat.
Maar wat nood!
Men moet voor geen klein geruchtje vervaard zijn. Wanneer men niet een weinig brutaal is en zich er niet weet door te slaan, dan komt men er niet.
En daarom gaat Dr. Niemeyer heel blijmoedig voort door te zeggen:
„Het is duidelijk, (o, zoo duidelijk!) dat door al die bepalingen het karakter der Kerk is gewijzigd en zij geworden is tot een, die is ingericht op het samenwonen van verschillende richtingen.
Reeds daarom bevinden zij, die in de Kerk slechts plaats wenschen te geven aan éen bepaalde leer, zich in een scheeve positie, "
Zoo staan dus de Modernen in hun recht.
En zoo mooten dus de orthodoxe leerdrijvers er uit.
Dat is duidelijk.
De zaak is volstrekt niet ingewikkeld. |
En Dr. N. staat verbaasd over de domheid en de brutaliteit van hen, die dit nog willen betwijfelen.
Nu — we hebben onze koffers nog niet gepakt, om te gaan verhuizen.
En we blijven het recht om in de Herv. Kerk te blijven aan de Modernen betwisten.
Noch reglementair, noch zedelijk hebben zij recht om zich in het midden van onze Herv. Kerk te nestelen en den rechtzinnigen de deur te wijzen.
't Omgekeerde is waar.
Natuurlijk ontkent Dr. N, dit pertinent,
't Blijkt wel uit hetgeen hij verder schrijft:
„Het staat natuurlijk ieder vrij, de aangebrachte wijzigingen te betreuren. Maar het is onredelijk en ongepast, zich te gedragen, alsof er in 't geheel geen wijziging had plaats gehad, "
Dat kunnen we verstaan, dat Dr. N. dat : zoo zegt.
Maar... wij vinden het onredelijk en ongepast dat de Modernen de wijzigingen, die sedert 1816 zijn aangebracht, altijd verkeerd voorstellen.
Zijn die wijzigingen bedoeld geweest om de belijdenis der Kerk omver te werpen? Om de belijdenis-kerk van vroeger zonder belijdenis te maken? Om alle spoor en alle schaduw van de kerkelijke belijdenis, zijnde de 3 formulieren van eenheid, uit te wisschen ?
Ja — misschien, of wel zéker, is dat de toeleg van de Modernen geweest,
Maar de Kerk als zoodanig heeft het niet gezegd en niet gewild en niet geduld, dat zulks geschieden zou. En God, de Heere, heeft het er niet toe laten komen.
Dat is te bewijzen.
En dan mag Dr. Niemeyer de historie niet verkrachten en de werkelijkheid niet loochenen, om zoo eigen idee en eigen opvatting op te dringen als de idee en de opvatting van de Kerk.
Dat is niet eerlijk.
Dat is niet royaal.
Dat is sterk af te keuren.
Zoó schrijft men geen geschiedenis.
Zoó betaamt het niet om de menschen in te lichten.
Want waar het omgaat en blijft gaan is: wat de Kerk officieel heeft gezegd, verklaard en beschreven.
En dat is: bij alle wijzigingen, waarbij de persoonlijke vrijheid zooveel mogelijk (véél te véél zouden wij zeggen) tegemoet gekomen werd, bleef wettelijk en zedelijk de verplichting voor ieder Hervormde, om in te stemmen met geest en hoofdzaak van de belijdenis der kerk en niet tegen het karakter der kerk in te gaan.
Dat staat onbetwistbaar vast.
En we willen het nog eens bewijzen met officieel materiaal: dat in de Herv. Kerk niet aan elke opvatting en voorstelling van hetgeen men christelijke leer gelieft te noemen, het burgerrecht kan worden toegekend.
Want wij meenen nog vastelijk, dat Prof. Dr. J. J. v. Toorenenbergen gelijk had, toen hij in 1883 .schreef: „dat de symbolische schriften nog steeds behooren te worden erkend als bevattende het criterium, waaraan de kinderen des huizes zijn te onderkennen".
Of, zooals hij in 1895 in de Inleiding van zijn „Symbolische Schriften der Ned. Herv. Kerk" (2de druk blz. IX) schreef: „de kunst waarmede men menigmaal óf den zin der Symbolische schriften of Formulieren van Eenigheid heeft getracht te verwringen, of zich tegen haar wettig gebruik te verbergen of te verweren, is wel het klaarste bewijs, dat zij op dit punt eene stem hebben, die niet te smoren is".
Wat overeenstemt met wat de. Hooggel. schrijver weinige regels te voren zegt:
„Die Symbolische Sehriften of Formulieren. van Eenigheid, gelijk men ze later naar het voorbeeld van de Luthersche zusterkerk noemde, moeten nog altijd uitwijzen of wij kinderen van het Kerkelijk huisgezin zijn".
Of Dr. Niemeyer hier ook z'n stopwoorden „dom" en „brutaal" gebruiken zal, weten we niet.
Maar wij vinden die woorden van den professor nog al merkwaardig en onderschrijven ze gaarne.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's