FEUILLETON.
1) In 't licht der historie.
Ruim een eeuw geleden, onder den fonkelenden starrenhemel van den 18den der maand December 1812, gleed een slede met bliksemsnelheid over een besneeuwden weg in de richting der Fransche hoofdstad.
In die slede zat een man — het hoofd diep neerge doken in de hooge kraag van een groene militaire overjas — somber voor zich heen starend.
Met teugellooze vaart snelde het armelijk voertuig de stadspoort binnen, nog eer de sluimerige poortwacht, opgeschrikt, naar voren stoof om te onderzoeken, wie zoo onstuimig de hoofdstad van meer dan half Europa injoeg. En eer het piket op den alarmkreet van den schildwacht het geweer had gegrepen, stond de slede met een schok, die de brieschende paarden haast deed storten, stil voor den hoofdingang van het paleis der Tuillerieën.
De ineengedoken gestalte in de slede hief zich op.
De keizer ! klonk het verrast, verbaasd, ontzet uit den mond der wachten; en zonder commando presenteerden zich de geweren.
Inderdaad, het was Napoleon, die, het rampzalig overschot van de groote armee op den terugtocht uit de doodenvelden der onmetelijke Russische steppen aan den Rijn achtergelaten, naar zijn hoofdstad was gesneld, om daar bezinning te zoeken — en een antwoord op de vraag: Wat nu?
Wat nu, nu zijn reusachtige krijgsmacht vernietigd was door vijanden, tegen wie zelfs de wereldveroveraar onmachtig was, den honger, den Russischen winter en de ijskoude van de woeste golven der Berezina ?
De keizer inspecteerde de wacht voor 't paleis... kalm, zooals zijn veteranen hem altijd gezien hadden, ook in 't heetst van de gevaren der slagvelden, als hun hart zenuwschokkend beefde van verlangen naar het bevel, dat hun den laatsten, beslissenden stormloop gebood.
Maar 's keizers oog schitterde thans niet, als voorheen bij Marengo en Austerlitz.
En die doffe blik deed nu het hart der mannen beven, bij de vraag, die oprees:
Wat daar toch in het Czarenrijk mocht zijn geschied, dat hun vorst, zoo onverwacht en gansch onverzeld, of 't een droomgestalte ware, vóór hen stond?
Zwijgend salueerde de keizer en steeg de marmeren trappen der vestibule op. Was het verbeelding — of wankelde zijn stap even?
Neen, met vasten tred schreed hij de lange gang in. Ter helfte stond hij één oogenblik stil. Als peinzend, of hij zich wenden zou naar de slaapkamer van zijn verafgoden zoon, den „koning van Rome", dan wel naar de particuliere vertrekken zijner gemalin, de Oostenrijksche keizersdochter Maria Louise om wier bezit de „man uit het volk" zijn, ééns vurig beminde, Josephine had verstooten; de vorstentelg, die aan den democratischen troon van den volkskeizer nieuwen luister moest verleenen.
Dan neen — geen dier beide kón hij op dit oogenblik ontmoeten. Napoleon richtte zijn schreden naar den vleugel zijner eigene vertrekken. En door geen kamerdienaar zelfs opgemerkt, trad hij zijn geheim kabinet binnen.
Daar — geheel alléén — richtte zich de breede gestalte op en de armen over de borst gekruist in de houding, waarin hem het penseel heeft afgemaaid op de kale rots van St. Helena, het oog vol doffen weemoed starend over de onmetelijke vlakte van den Oceaan naar het Frankrijk, dat hij zoozeer had liefgehad, zóó stond hij ook nu, geleund tegen den haardstijl.
Maar nü kwam er leven in die grijze oogen, of ze vonken schoten, of de vlammen van Moskou erin brandden.
Daar trok hij langs hem henen, die ontzettende doodenmarsch zijner armee. Hij zag ze vallen, zijn duizenden en tienduizenden, neerzijgend van ellende en honger en kou, of neergeveld door de ontrefbare lansen der achtervolgende kozakken.
Hij zag ze weer, worstelend tegen de ijsschollen der Berezina in de woelende golven.
Hij hoorde zijn bruggen, door Hollandsche pontonniers ten koste van hun jonge leven geslagen, krakend ineenstorten, bezweken onder den verpletterenden last der in wilde wanorde vluchtende legioenen.
En hij hoorde andermaal het bulderend kanon der Russen, te laat thans om het met vreugd te begroeten, den uitvaart vieren van zijn honderdduizenden.
Ja, hij had tweemaal een lichte duizeling gevoeld, midden in zijn roes van zegepraal op zegepraal.
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's