Staat en Maatschappij.
De barrière weggenomen.
De Regeering heeft heel wat toegegeven met betrekking tot het verlangen der rechterzijde om tegelijkertijd met de revisie van art. 80 der Grondwet ook de herziening van art. 192 aan de orde te stellen.
Toen het Kabinet bij brief van 21 November 1913 zgn antwoord aan de Tweede Kamer op het 1ste Hoofdstuk der Staatsbegrooting inzond, heette het in dit staatsstuk:
Een voorstel tot herziening van art. 192 der Grondwet is van het Kabinet niet te verwachten. Zoodanig voorstel «oude niet passen bij de beperkte taak, die der Regeering door den uitslag der verkiezingen is voorgeschreven. Er is geenszins gebleken, dat zich een meerderheid ten gunste van de herziening van art. 192 heeft uitgesproken. Het aan de orde stellen van deze herziening zou het karakter dragen van een compromis, dat de Regeering niet zou kunnen aanvaarden.
En iets verder:
Een compromis ter zake van zoo heterogene onderwerpen van constitutioneel recht als onderwijs en kiesrecht uit den aard der zaak zijn, mag door de Regeering (let wel) niet worden bevorderd. In beide gevallen behoort zelfstandig te worden beslist wat 's Lands belang eischt.
Bovendien echter zou de Regeering door art. 192 aan de orde te stellen gevaar loopen een feilen beginselstrijd te doen ontbranden, die haar vermogen om de electorale hervorming tot stand te brengen aanmerkelijk zou kunnen verzwakken.
Uit dit hooghartige Regeeringsantwoord bleek, dat van de zijde van het Kabinet er een sprake van was, dat het de rechterzijde in haar wensch om naast het kiesrechtvraagtuk ook de onderwijsregeling ter hand te emen, zou ter wille zijn. De Regeering wees de toegestoken hand terug, met het gevolg dat de fracties der rechterzijde thans harerijds weigerden, gezien het standpunt der Regeering, in de bekende Staatscommissie voor het onderwijs zitting te nemen. Het Kabinet, dat zich zoo had uitgelaten, moest nu maar met zijne politieke vrienden do zaak in orde brengen.
Intusschen heeft de Regeering, door de besliste houding, welke de rechterzijde eenstemmig aannam, eieren voor haar geld gekozen. De Regeering kwam in de zitting der Tweede Kamer de groepen der rechterzijde tegemoet. De strekking van de Staatscommissie, van de vredesboodschap, zooals de Minister van Binnenlandsche Zak«n haar noemde, was niet begrepen. De formule dat het de taak der Commissie zou zijn om „tot regeling van de subsidieering van het bijzonder onderwijs op algemeen bevredigende wijze" te komen, werd in dien zin gewijzigd, dat de deur zou geopend worden voor de beide wenschen der reehterzijde, dat ook de gelijkstelling kan woïden besproken, dat men ook tot gelijkstelling kan komen, en dat men ook kan komen tot een grondwettelijke regeling,
Aan deze uiteenzetting voegde de Minister voorts deze verklaring toe:
Indien in de Staatscommissie een compromis kon gesloten worden tusschen rechts en links inzake het onderwijs, indien er een grondslag kon gevonden worden voor eene bevredigende oplossing van den schoolstrijd en indien op grond daarvan een initiatiefvoorstel werd gedaan, dan zou de Regeering daartegenover uiterst welwillend gestemd zijn. Dan zou de rechterzijde kunnen rekenen op volkomen loyale medewerking der Regeering.
En indien op grond van een dergelijk gesloten compromis een initiatief-voorstel door de beide Kamers der Staten-Generaal werd aangenomen, dan kan men er op rekenen dat er bij de Regeering geen principieele bezwaren zouden bestaan omdat voorstel in de revisie te betrekken en tegelijk met de revisie van art. 80 door te zetten.
Verder betoogde de Minister:
Het is mogelijk dat men binnen een betrekkelijk korten tijd (in de Staatscommissie) tot een overeenstemming komt, dan is er niet de minste reden, waarom de commissie niet een voorloopig rapport zou indienen en dan kon die zaak vóór de herziening van art. 80 haar beslag krijgen.
Om het belang der zaak die het hier geldt, laten wij de woorden van den Minister in extenso afdrukken. Op twee eischen der rechterzijde kwam de Regeering thans tegemoet: mogelijke financieele gelijkstelling tusschen openbaar en bijzonder onderwijs en mogelijke gelijktijdige behandeling van art. 192 met art. 80.
Toch bleef op nog twee punten twijfel bestaan zoowel ten aanzien van de vraag of bij de financieele gelijkstelling ook op de gemeente-kas kon gerekend worden als van die of de paedagogische onafhankelijkheid van het bijzonder onderwijs zou vaststaan.
Het was de wakkere voorzitter van de anti-rovolutionaire Kamerclub, die in de zitting van 13 December een bevestigend antwoord op deze vragen aan de Regeering wist te ontlokken.
Nu aan den minimum-eisch der rechterzijde voldaan werd, bestond er voor de groepen der rechterzijde geen bezwaar meer om aan het verzoek van de Regeering gevolg te geven en in de Staatscommissie zitting te nemen. Daartoe werd dan ook besloten.
Toch zij men voorzichtig met het te doen voorkomen alsof wij er nu al zijn.
Zeker de Regeering heeft toegegeven, maar daarmede is het niet beslist dat ook de linkerzijde tot een compromis, zooals dit door de voorstanders van de bijzondere school begeerd wordt, zal bereid zijn.
Wij vreezen zelfs daarvoor. En mocht onze vrees bevestigd worden, dat de linkerzijde bezwaar maakt om recht te doen, dan blijft er maar één weg over, dat men van rechts dan onmiddellijk uit de Commissie uittreedt.
Zoo zal de houding moeten zijn van mannen, die voor het goed recht van ons volk op de bres staan.
* Sprekende cijfers.
Bij de algemeene beschouwingen van de Staatsbegrooting heeft de heer van der Molen er nog eens duidelijk op gewezen, welk groot onrecht het bijzonder onderwijs aangedaan wordt, door het bij het openbaar onderwijs ten achter te stellen. Met cijfers werd dit nader aangetoond:
Klom het percent van leerlingen die de bijzondere school bezoeken van 24, 2 in 1875 tot 39, 2 in 1912 en daalde dat cijfer voor de openbare school van 75, 8 in eerstgenoemd jaar op 60, 8 in laatstgenoemd jaar, in de groote steden was dit anders. In Amsterdam daalde zelfs het percent van leerlingen bij het bijzonder onderwijs iu de jaren van 52, 6 op 29, 3, in Rotterdam van 58, 5 op 31, 5 en in Den Haag van 52, 9 op 40. Alles tengevolge van het feit, dat door den duurderen schoolbouw in de groote steden de concurrentie ten eenenmale onmogelijk is.
Na aftrek van de schoolgelden en van de rijksbijdrage werd in Amsterdam uit de gemeentekas per leerling voor de openbare school uitgegeven f42.76, in Rotterdam f36.43 en in Den Haag f 48.12, terwijl het bijzonder onderwijs niets ontving.
Op deze wijze wist het openbaar onderwijs in die steden zijne bevoorrechte plaats te behouden.
Inderdaad deze cijfers spreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's