4) Een Bondspraatje.
Jan, Ik ben misschien wel vervelend, Wim, maar ik zou toch nog wel eens iets van het begin der geschiedenis van den Gereformeerden Bond tot vrijmaking willen wéten. Wie zaten er toen zooal in het Hoofdbestuur en wat is er toen zooal beweerd door die heeren ?
Willem. Met genoegen wil ik je daar nog èen' en ander van vertellen; en als je nog meer wilt weten vraag je maar gerust.
10 Jan. 1906 hadden enkele heeren vergaderd in het Militair Tehuis te Utrecht en 25 Jan. was er een 2de verg. gevolgd. Als vrucht van die vergaderingen — waarin de wenschelijkheid was uitgesproken om een vereeniging van gereformeerden in de Herv. Kerk te krijgen, welke vereeniging dienen kon tot verbreiding van de Geref. beginselen in de Herv. Kerk en mede zou kunnen werken tot vrijmaking van de Kerk van de synodale organisatie — verscheen in het Geref. Weekblad van 17 Febr. 1906 de eerste publicatie.
Jan. Welke heeren waren dat, Wim, die daar te Utrecht vergaderden?
Willem. Wanneer je de oproeping tot een vergadering in het Geref. Weekblad leest, dan vind je daar deze namen: Ds. E. E. Gewin, pred. te Utrecht, voorzitter; Dr. H. Visscher, hoogleeraar te Utrecht, vice-voorzitter; L. F. Duymaer van Twist, lid der 2e Kamer der Staten-Generaal te. 's Gravenhage, secretaris; H. A. v. d. Westeringh, Burgemeester te Veenendaal, vice-secretaris; Mr. O. O. S. van Dobben de Bruyn, Burgemeester van Hazerswoude, penningmeester; Dr. J. D. de Lind van Wijngaarden, pred. te Utrecht, Ds. L. van Mastrigt, pred. te Barneveld, Ds. M. Jongebreur, pred. te Veenendaal en Ds. M. van Grieken, pred. te Ameide.
Jan. Zoo, waren dat de heeren die een oproep deden uitgaan tot een vergadering? Waren daar niet enkelen bij die nogal „doleerend" waren? B.v. Ds. Gewin en die Prof. Visscher?
Willem. Ik begrijp je, vrind. Je bent nog niet erg gerust op 't geen ik je gezegd heb en je ziet nog altijd die 2de doleantie als een spook voor je oprijzen, is 't niet?
Jan. Ja, Wim, dat moet je me niet kwalijk nemen. Ik leef in een omgeving waar ze mij dat dag aan dag voorpreeken, aan de hand van de tekst: , héel de Kerk en héél het volk", in vervolgstoffen behandeld, waarbij de toepassing altijd is: gij zult niet afscheiden!
Willem. Ja, dat weet ik. 'k Neem het je ook volstrekt niet kwalijk.
Maar laat mij je dan nog eens mogen meedeelen, dat op de 1ste vergadering in het Tehuis voor Militairen te Utrecht aanstonds duidelijk is uitgesproken, dat wij Hervormden zijn en hopen te blijven, dat de vereeniging niet wenscht te scheiden of te scheuren en men geen afstand wil doen van goederen en rechten.
Jan. Kan ik daarop aan, dat je me de waarheid vertelt?
Willem. Het is de volle waarheid.
Jan. En is er op die openbare vergadering in Utrecht toen ook door al de heeren zóo gesproken?
Willem. Ik wil je eerst dan wijzen op de oproeping zelve. Daar kan je o. a. lezen:
„De procedure Bàhler" heeft bij vernieuwing de aandacht gevestigd op den diep treurigen, maar ook, diep zondigen toestand, waarin onze Kerk verkeert. De ellende onzer Kerk brengt voortdurend een onberekenbaar groote schade toe aan de godsdienstige ontwikkeling van ons volk. Duizenden zgn door haar een prooi geworden van het ongeloof, dat onder de vigeerehde organisatie vrij spel heeft, terwijl zij, die naar Gods Woord begeeren te leven, stelselmatig in hun diepste levensovertuigingen zich gekrenkt moeten gevoelen, omdat er voor alle wind van leer plaats is, maar niet voor handhaving en toepassing van de wettige belijdenis der Kerk.
Het is daarom, dat ondergeteekenden door den nood der tijden saamgebracht, zich hebben aaneengesloten om eene Vereeniging te constitueeren, die onder opzien tot den Koning der Kerk den strijd zal aanbinden voor de vrijmaking der Hervormde Gemeenten van de zoogenaamde Synodale organisatie, zonder een nieuwe scheiding of doleantie in het leven te roepen."
Jan. Het was een verblijdend teeken, dat de gereformeerden in de Herv. Kerk zich iets van de dingen begonnen aan te trekken. Want dat is langen tijd treurig geweest. Men liet „Gods water maar over Gods akker" loopen.
Willem. Ja, er was onder de gereformeerden veelszins een praten als volgt: er is toch geen volmaakte Kerk hier op aarde te krijgen; er zal altijd wel veel te wenschen overblijven; de Heere moet het doen en wij menschen kunnen toch niets ten goede vérrichten enz.
En o! dat is toch zoo vreeselijk, wanneer er zoo geredeneerd wordt.
Jan. Maar vrind, jij verwacht toch niet, dat wij hier een volmaakte Kerk zullen krügen ?
Willem. Neen, Jan — dat weet ik Wél beter, 't Zal altijd vol gebrek, vol zonde, vol vlekken en vol rimpels zijn in deze bédeeling. Geveinsden, leugensprekers, onrechtvaardigen en gruwelbedrijvers zullen nooit ontbreken. Denk maar aan Ananias en Saffira; denk maar aan de gemeente te Corinthe,
Jan. Zoo — dat dacht ik toch ook. En daarom denk ik ook wel eens, waar zullen we ons toch mee bemoeien ! Zullen we maar niet eenvoudig stil onzen weg gaan en de uitkomst aan den Heere overlaten ?
Willem. Zeker, vriend; laten we niet denken, dat wij de menschen kunnen bekeeren en ware leden van Christus' kerk kunnen maken. Maar daarom moet toch het Woord gepredikt worden, is 't niet ? En neen, een kind van God zal hier op aarde nooit „zonder zonde" worden, want de wet des vleesches en der zonde zal over hem zijn tot het einde toe. Maar daarom moet toch tegen de zonde gestreden worden, is 't niet?
Jan. O, ja — dat ben ik volkomen met je eens. Ik geloof ook, dat het met de kerk hier op aarde altijd zóo zal zijn, dat er veel te wenschen over blijft. Maar wanneer de zonde en de ongerechtigheid zich openbaart in haar midden zooals in onze dagen in onze Ned. Herv. Kerk, dan geloof ik ook, dat de Heere. een jaloersch God is en dat Hij op Zijn volk acht geeft en vraagt: wat doet gij nu bij dit gruwel bedrijf, waar blijft gij nu bij deze ongerechtigheden ? En o, als er dan maar verootmoediging des harten mocht gevonden worden voor God vanwege de zonden der Vaderen en van ons; en o, als er dan maar eene begeerte is om die zonde te bestrijden en naar Gods gebod te leven.
Want als dat gemist wordt bij Gods volk, dan is het treurig gesteld!
Willem. Juist. En laten we het van dien kant blijven beschouwen. Jan. Wat verborgen is, is voor den Heere. Hij zal wel staan voor Zijn eigen eer en voor Zijn eigen zaak. Maar het gaat er maar om wat de Heere van Zijn volk eischt in het midden van Zijn Kerke hier op aarde, en dan is het zeker en vast, dat de Heere wil dat Zijn volk zal treuren over de zonde en zal strijden tegen de leugen én de ongerechtigheid.
Jan. En wat zijn de uitbrekende zonden van onze Ned. Herv. Kerk vélen.
Willem. Ja, dat kwam in 1905 weer uit in de procedure „Bahler" en daarom acht ik het een gelukkig teeken, dat er toen mannen zijn opgestaan, die de gebeurtenissen in de kerk onder de oogen hebben gezien en die toen een oproep deden uitgaan tot alle gereformeerden in den lande die tot onze Vaderlandsche kerk behooren, om hen de vraag voor te leggen: wat moeten we doen ?
Jan. En welken weg werd nu door het Bestuur aangewezen ?
Willem. Zooals ik reeds zei, er was besloten een organisatie te beproeven van leden der Ned. Herv. Kerk, die de Gereformeerde beginselen beleden ; daardoor den ouderlingen band tusschen de broederen te versterken; en dan verder te ijveren voor de vrijmaking der kerk, opdat zij verlost mocht worden van de Synodale organisatie en weer als de gereformeerde kerk van weleer onder een presbyteriale kerkvorm mocht komen leven.
Jan. Dus evenals de leuze: „vrijmaking der school" — waarbij het de wensch was, de school te brengen in haar eigen sfeer én Gods Woord weer te stellen tot richtsnoer bij de opvoeding en bij het onderwijs, werd nu ook aangeheven de leuze „vrijmaking der kerk, " om die kerk los te krijgen van de onwettige synodale organisatie en haar weer bezitster en beheerster te doen worden van eigen geld en goed, zonder ongeoorloofde en ongewenschte Overheidsbemoeiing; levend naar haar eigen belijdenis.
Willem. Ja, dat was de leuze: de Gereformeerde Kerk openbare zich weer naar haar eigen beginsel en leve weer onder eene eigen, gereformeerde kerk-ordening, waarbij Christus als Koning heersche en Gods Woord de regel van leer en leven zij.
Jan. En dan niet door scheuring o{ doleantie ?
Willem. Neen, niet in een weg van scheuring of doleantie. Dat was op de Bestuurs vergaderingen besproken; dat stond in den oproep voor de Algemeene Vergadering; en dat is door al de sprekers Woensdag den 18 April in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen uitgesproken en duidelijk gemaakt.
Jan. Heeft Ds. Gewin daar óok gesproken ?
Willem. Zeker. Hij was Voorzitter. En wanneer je het Geref. Weekblad van 21 April 1906 No. 16 opslaat kunt ge daar lezen wat hij gezegd heeft.
Want daar staat: ds. Gewin opende de vergadering, las Jes. 62 („om Sions wil zal ik niet zwijgen en om Jeruzalems wil zal ik niet stil zijn, ") liet zingen Ps. 72:1 „geef Heer den Koning Uwe rechten, " ging voor in gebed en sprak toen o. a. „Geachte broede^rs en zusters, gij zy t hier te saam vergaderd op uitnoodiging van den Geref. Bond tot vrijmaking der Kerken.
Gij gaat dus met ons van de verooderstelling uit dat onze Ned. Herv. Kerk niet vrij is.
Dit nu is reeds het geval vanaf het begin van de vorige eeuw.
De synodale organisatie moet noodlottig voor de kerk genoemd worden, omdat er gezondigd wordt tegen het gebod, dat Jezus Christus moet zijn de Koning der Kerk.
Voortgekomen uit het liberalisme is de Synode een werktuig om de Kerk te spelen in handen van het liberalisme. Daarom heeft Chantepie de la Saussaye Sr. eens zeer juist gezegd, dat de kerkelijke toestand onder de Synode een georganiseerde ontbinding is.
Dat is weer gebleken nu het hoogste Kerkbestuur der Ned. Herv. Kerk Ds. L. Bahler vrij heeft gesproken, een predikant die Buddha, durfde te stellen boven Jezus Christus en genoemden predikant vergunning heeft gegeven in de Kerk te blijven prediken.
Wij hebben, ons nu dienaangaande de vraag gedaan: staat het ons vrij om bij zulke schreeuwende feiten stil te blijven zitten ? Gedoogt dat onze verantwoordelijkheid voor de bedreigde kinderen van ons volk, waar het ongeloof en het socialisme zijn strijd heeft aangebonden en de Kerk hare kinderen voor het ongeloof en het socialisme te vondeling legt?
En wij hebben gezegd: neen! er moet gezocht worden naar een weg die ons bevrijding geeft van dat juk; naar een middel, dat een betere toekomst mogelijk maakt, een toekomst van weder herleven van de Gereformeerde Kerk.
Laat ik u echter — zoo vervolgde Ds. Gewin — uitdrukkelijk mededeelen, dat wij niet willen herhalen den weg van separatie of doleantie, en wij willen óok geen slippendragers zijn van het confessionalisme. Wij wenschen iets anders ; en in het zoeken daarvan willen wij den weg bewandelen die aangewezen is door een man, wiens naam zeker bij u alleri bekend is. Ik bedoel Groen van Prinsterer.
Groen heeft gespot met de schijnbare vrijmaking der Kerk in 1843 en 1852.
Deze vrijmaking was niets anders dan een overlevering aan de Synode, creatuur van gouvernement, een voortzetting der slavernij, in gewijzigden vorm.
Jan. Dus geen doleantie. En heeft Dr. de Lind van Wijngaarden óok gesproken dien dag?
Willem. Ja — maar dat zullen we bewaren voor een volgende keer.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1913
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's