Als der Hinden.
't Hijgend hert., . En zoo beeldde natuur uit: ellende en verlossing. Maar 't Woord laat het beeld dan los, want 't wil ook dankbaarheid leeren uit 't Boek der Schepping. Wel blijft het in dichte omgeving, maar toch het hert kon hiervoor niet dienen. In zijn besten tijd vertoont ons 't hert een leven vol vleeschbegeerlijkheid, 't Leeft zich uit in passie, zijn brullen weergalmt door 't woud, en in bronstige gloed bewaakt het zijn kudde. Grootsch en fier, vol strijdlust, vol ijverzucht staat het tegenover zijn tegenstander; het zoekt den strijd tegenover elken belager, die zijn plaats begeert; door de geringste kleinigheid, het ritselen van een blad wordt het tot toorn vervoerd en 't valt dan ook zelfs menschen aan. Zoo krachtig drijft hier de levensstuw tot enkel zelfzucht. Zoo precies eender als de ongelouterde levensaandrift van den natuurlijken mensch; zelfzucht, die zich oplost en grootschheid des levens, en begeerlijkheid des vleesches.
't Woord houdt ander beeld voor om geloofsopgang tot dankbaarheid te teekenen.
Habakuk spreekt: de Heere Heere is mijne sterkte en Hij zal mijn voeten maken als der hinden en Hij zal mij doen treden op mijne hoogten. (Hab. 3 : 19).
En dat beeld : als der hinden was wel sprekend in 't Oostersche leven want in Psalm 18 : 34 zingt de Koninklijke harpenaar : Hij maakt mijne voeten als der hinden, en stelt mij op mijne hoogten. En nog eens in precies dezelfde bewoording ligt dit beeld vast in 2 Sam, 22 : 34.
Tot driemaal toe dus brengt de Schrift dit natuurbeeld in toepassing, tot driemaal toe ook spreekt het tot ons in hetzelfde verband. En in welk verband ? Habakuks geest zwijmt weg in aanbidding; ondanks alles, al hadden de velden geen spijs, jubelt hij in vervoering des geloofs : De Heere Heere is mijn sterkte. Zijn voeten zijn als der hinden om te treden op zijne hoogten. En lees slechts het begin van Ps. 18: ten dage als de Heere hem gered had uit de hand van al zijn vijanden, en gij gevoelt het: weer aanbidding, weer in dankbaar geloof neerknielen. Eerst in vers 33 : Het is God, die mij met macht omgordt, en Hij heeft mijnen weg volkomen gemaakt. Als der hinden zijn z'n voeten en hij snelt op tot zijne hoogten. En alle woordrijkdom is ook 'n Samuel weer dienstbaar om een hooglied der aanbidding te dichten. En als hemelsch refrein klinkt weer na : wie is een rotssteen behalve onze God ? Hij maakt mijn voeten als der hinden.
Waarom zoo telkens als der hinden ? Welk karakterbeeld treedt voor zoo gauw dit slanke dier voor het oog van den geloovigen Israëliet de bergen al huppelend beklimt ? Zoo schoon als de passielooze lelie in bloemengaarde, zoo aantrekkelijk is de pretentielooze hinde in levende natuur. Dat vlugge, ietwat schuwe diertje is niet loos, niet schrander, 't is zoo echt ongekunsteld, zoo zonder vertoon. 't Woord zelf wijst die zacht-teere eigenschappen aan, noemt ze, want Salomo spreekt in Spreuken van een lieflijke hinde. Daar ligt in haar verschijning zoo iets oprecht schoons. Als norm van schoonheid reeds toegepast in Genesis: Naftali is als een losgelaten hinde, hij geeft schoone woorden. Niet pronkschoon, niet wuft schoon, schoon in stille stemming door ingeboren aard, waarmee de Schepper haar wezen begiftigde, Trouwe zorg voor de jongen, zelfs wanneer ze van 't leger verjaagd wordt, verwijdert ze zich slechts zoo ver als noodig is om door voorgewende vlucht 't gevaar af te wenden. Ook zoo alleen gaand met haar smart en nood, diep weg in 't dichtste woud, zoodat Hij alleen die alle schepselen verzorgt, weet. De wetenschap over 't vérborgene, ook verborgen leed, komt daarom uit in de vraag des Alwijzen aan Job: Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden? (Job 39 : 4),
Als verlangend naar reine luchten legt het de limiet van zijn levenssfeer met het rijzen der zon al hooger en in volzomer leeft het op de toppen der bergen, waarheen het snelt met ranken, vluggen sprong.
En in dat: „steeds hooger", blijkt eerst de innerlijke kracht, die de onschijnbare gestalte niet vermoeden deed.
Gij maakt mijne voeten als der hinden, om te treden op mijne hoogten. Ja de Heere maakt die efien baan en geeft dien ranken voet tot opgang naar de hoogten. Want eerst dan kan' 't gezongen: „'k Hef mijn ziel, o God der Goden tot U op", als die koorden van goedertierenheid trekken en de opwiekende vlucht naar omhoog een vanzelfheid wordt door 't werk des Geestes in ons. De uitingen van het leven der dankbaarheid naar boven, naar binnen en naar buiten zijn daarom een natuurlijke eigenheid van het geloof omdat onwederstandelijke kracht des Geestes ze wrocht. Daarom alleen ook kan onze catechismus spreken, dat het onmogelijk is, dat, wie ingeplant is in Christus, geen vruchten der dankbaarheid zou toonen. Slechts als de vlietende stroom tegen het waterrad stuwt, dan komt er beweging in het raderwerk en levert de molen zijn maaksel. Uwe vrucht wordt uit Mij gevonden, spreekt de Heere. En waar treedt dat duidelijker in 't licht, dan juist in 't voornaamste stuk der dankbaarheid, 't welk is het gebed? De Geest is 't die 't gebed van den biddenden Hoogepriester op 't altaar der harten legt en 't ontsteekt als reukwerk voor zijn aangezicht. Heerlijke opgang tot de hoogte des waren gebeds, waarop gezien wordt het licht waarheen als met voeten der hinden de ziel vluchtte. Dan zijn de wolken onder. En weer hooger gaat het tot de hoogte der aanbidding en als ziende den Onzienlijke worden de deugden in de taal des gebeds verkondigd, die deugden Desgenen, die uit het duistere beneden getrokken heeft tot het schoöne wonderbare licht daarboven.
En de gestalte des harten blijft dan: „als der hinden", ongekunstelde eenvoud naar haar vorm, teederheid naar haar gesteldheid, kleinheid, ootmoed naar beide zijn de kenmerken van het , Zie, hij bidt." Die gestalte is schuw „als der hinden", 't Gebed is Zijn eer, en van deze geldt boven alle, „eer is teer". Wonderspreukig kan 't Woord vertellen van een berg, die vallei en de vallei die tot berg wordt. En ook die hoogte des gebeds ls met voeten der hinden beklommen, leek erst het indalen in de vallei al dieper en dieper met hartelijke zuchten.
Die hoogten gaan zoo boven den weg van het aardsche leven uit, maar ook zoo aanbiddelijk rijk is het hart, dat zich al biddend mag verliezen in God. Daar toch op die hoogte lost alle ellende en zielsverdriet zich op in hooger visioen. Op die bergen is men zijn God zoo meer nabij.
Dat is de wellust der gebeds: Nabij God te zijn I
Met het meerdere gestalte krijgen van Christus in het hart wordt in gelijke mate ook het gebedsleven rijker van inhoud, voller en „als der hinden" is het verlangen door die genade gewerkt om met het rijzen van de zonne der Gerechtigheid ook de limiet van de geestelijke levenssfeer hooger te leggen. Naar dien weg op de toppen der bergen, waarvan de apostel zeide: onze wandel is in de hemelen. „Als der hinden", zoo is, door 't Goddelijk oog belonkt de schoonheid der Kerk, lieflijk, omdat zij uitspreidt in haar gebedsleven de schatten, verworven voor haar door den Schoonste der menschenkinderen.
Het leven der dankbaarheid openbaart zich even zoo naar binnen, immers handelt ook onze cathechismus onder het stuk de dankbaarheid over de bekeering, die omvat afsterven van den ouden mensch en opstanding van den nieuwen.
En ook tot deze hoogten maakt Gij mijne voeten „als der hinden". Hij is geworden tot heiligmaking en volkomen verlossing. En 't gaat weer delvende opwaarts om te komen tot: niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij. Zal dat geen wankele gang zijn, en och hoe vaak is dat wel, dan mag toch zeker Habakuks woord als troost ons op den weg der gansche bekeering wel meegegeven worden : De Heere Heere - is mijne sterkte; immers maakt Hij mijn voeten als der hinden. Zonder het delven en dieper graven in eigen zondigheid geen opgang tot de hoogte. Met het afsterven van het oude kan slechts het nieuwe uitkiemen en opgroeien. Genade geeft zelfkennis, die het gruwzaam ik leert verfoeien en in hartelijk leedwezen bidt om vernieuwing en opstanding van een gelouterd „zijn". En in dien weg der bekeering maakt Gij mijn voeten als der hinden. Van rots, tot rots, ', van kracht tot kracht. Hoe groot is toch de kracht Zijner opstanding, waaruit het volk zijn sterkte heeft. Die innerlijke kracht, waardoor gevestigd wordt het Koninkrijk binnen in u, dat gebiedt over verstand en wil en hart, Zooals de Niagara in haar neervallenden waterstroom licht en beweegkracht schenkt voor een geheele landstreek, voor Canada, zoo ontsteekt Zijne opstanding dagelijks weer licht in de harten der Zijnen en geeft beweging en kracht aan de genegenheden des harten. Ook kracht tot ootmoediglijk wandelen, ook kracht tot zelfverloochenend handelen en geduldig stil dragen.
De dankbaarheid die naar buiten treedt en zich betoont aan den naaste, vindt niet minder in de hinde haar beeld, 't Is u immers bekend, dat zij, die vol was van goede werken, die zij deed, dat die vrouw in Joppe, op 't gebed van een Petrus weer teruggeroepen ten leven, met dubbelen naam staat vermeld in Handelingen. En wat beteekent dan „Dorcas". Is dat niet hinde? Trouwe zorg voor de hulpeloozen. Maar zeg mij, was dan het doen dezer discipelen des Heeren niet in treffende aansluiting met haar schoenen naam ? Was haar liefde uiting voor het zwakke en hulpbehoevende niet „als der hinden ? "
Schoon is wat de jager ons verhaalt over de vlucht eener hinde met haar jongen. Is de kloof te wijd dan dat het jong den sprong zou wagen, dan maakt ze met haar lijf een brug over den afgrond en over de moeder heen vindt het hindekalf ontkoming. O, er zijn zooveel donkere schachten van ellende, van menschelijk lijden, van nood, want de armen hebt ge altijd met U.
Deze aarde, om der zonde wil vervloekt, is zoo doorribd van donkere kloven der smart, zoo gegroefd en oneffen is 't land waar wij wonen. Lichamelijk lijden en zielenood, van Lazarus vlak bij uw deur en van daar ver waar men de wildste volken vindt, 't wacht alles op leniging en 't vraagt alles om uitredding. En immers de wet en profeten zijn samengevat in: God lief te hebben boven alles en den naaste als onszelven. En wederom is 't geen vrucht van eigen liefde en gevoel, 't werk dat Gods gemeente verricht op het terrein van hulpbetoonenden arbeid. Want: Christus is de vervulling der wet, ook van het tweede stuk en daarom maakt Gij alleen mijn voeten als der hinden.
Ook hier heeft het menschelijk willen de heerschappij verloren, want 't is de liefde van Christus, die ons dringt. Er is geen terrein, waar zooveel achterdochtige kommiezen gluren, dan juist op dit, waar practisch Christendom de practijk der godzaligheid behoort te bewijzen. Er zijn hier zooveel waarschuwers voor eigengerechtigheid. Zending? Denk aan de Pharizeërs, die deden ook aan zending. Bestrijding van maatschappelijke zonden ? , , . De zonde der eigengerechtigheid ligt voor de deur! Enz, Alleszins passen hier voeten als der hinden, om ze allen voorbij te snellen, die met netten den opgang tot de hoogten der dankbaarheid belemmeren.
Neen, laten ook hier op het terrein der dankbaarheid allen, die Zijne verschijning hebben liefgehad, de deugden roemen van dien grooten Christus, die alles verworven heeft en Zijn gaven uitdeelt aan een verloren wereld. En welk een genade voor dat volk, om uitdeelers te mogen zijn van 's Konings schatten, welk een vrije gunst dat Hij voeten maakt als der hinden, om te treden op de hoogten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's