De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

En ziet, er ontstond een groote onstuimigheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd: doch Hij sliep. En zijn discipelen, bij Hem komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan! Mattheus 8 : 23—26.

De Helper in den nood.

Bij monde van den profeet Jesaja, zegt de Heere tot. zijn volk: „Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe wegen zijn niet mijne wegen. Want gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn mijne wegen hooger dan uwe wegen en mijne gedachten dan ulieder gedachten".

Daarin ligt voor 's Heeren volk een les, die in een weg van bange zelfverloochening moet worden geleerd. Hoe menigmaal gaat het in de wegen, die God met zijn kinderen houdt, anders dan zij zich hadden voorgesteld !

Ik zou daarvan vele voorbeelden kunnen opsommen, doch laat ons volstaan met dit eene: „Is het niet waar, dat Gods kinderen, wanneer ze voor het eerst tot een volkomen overgave aan hun Heiland en Zaligmaker kwamen, in de meening gingen verkeeren, voort te zullen schrijden van kracht tot kracht en van licht tot licht?

Is het niet waar, dat dan de gedachte bij hen wel eens opkomt, dat ze zich altijd zullen verheugen in een volle blijdschap des geloofs?

O gewis, daar wordt in dien eersten tijd, waarin de vlam der liefde Gods zoo hoog in hun ziele oplaait, wel eens gemeend, dat er geen wolkje meer aan de lucht zal komen — maar ach, wat wordt het bij verderen voortgang èn bij dieper inleiding anders ervaren!

De pelgrim naar de Godsstad moet door noodweer en storm, opdat hij des te meer zou leeren schuilen in Jezus Christus, die juist in den nood bevonden wordt te zijn „een verberging tegen den wind en een schuilplaats tegen den vloed".

Dat wordt ons ook zoo duidelijk in ons tekstverhaal. Jezus had een drukken dag in spannenden arbeid doorgebracht. Van alle kanten had men kranken tot Hem gebracht en Hij had ze genezen.

En nu was het avond geworden. De schare, die Hem volgde, keerde huiswaarts en Jezus ging aan boord van het scheepje om zijn afgemat lichaam door den slaap wat te verkwikken.

Hoe duidelijk komt daarin weer niet uit, dat Jezus Christus waarlijk mensch was, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Inderdaad niets menschelijks was Hem vreemd. Vermoeid door den arbeid had zijn lichaam behoefte aan slaap,

't Was een rustige avond en de zee was vlak. Maar spoedig werd dat anders. Een geweldige storm stak op, die hoog de wateren opjoeg, en het kleine scheepje maakte tot een speelbal der baren,

't Werd noodweer! En dan bij avond.Dat is altoos nog angstiger, 't Was alles donker en de storm won aan kracht. De wateren verhieven zich zóo, dat ze het schip overdekten.

Het gevaar om te vergaan, klom bij elk oogenblik.

Geen wonder dat de discipelen vreesden.

Wel spanden ze al hun kracht in, wel deden ze wanhopige pogingen om hun scheepje er door te krijgen, maar de storm is te sterk, de zee te woest. Bij die reuzenkracht der ontketende elementen, staat de mensch met al zijn kunnen en kennen, gansch machteloos.

En was Jezus dan niet aan boord? Zoo vraagt ge zeker wel — maar nu moet ge eens opmerken, wat er staat —....dochHij sliep.

Jezus had zich ter ruste gelegd, in zijn eenvoudige kajuit lag hij te slapen. Hoog was de nood geklommen — zóo hoog, dat het schip van de golven bedekt werd, maar Jezus scheen zich niet in te laten met al hun kommer en nood.

Dat is nog de bange zielservaring van Gods kind.

Nog gaat het menigwerf, zooals het hier met de discipelen ging. Na ontvangen genade, ja juist dan het allermeest, komen we in velerlei nood. Philpot, een bekende prediker, heeft het eens naar waarheid gezegd: „Wij gaan niet in een koets naar den hemel. Wij worden zoo maar niet, als in den slaap in de tegenwoordigheid Gods gedragen, zonder eenige angst of verdrukking, want voor alle heiligen Gods is een tijd van benauwdheid bestemd".

En wie van u geen vreemdeling is, aan het werk der genade, die weet het ook bij eigen ervaring, hoe bang 't ons worden kan, als het den Heere behaagt, ons in de duisternis te voeren en niet in het licht. Dat hadden we niet kunnen denken, toen we met Jezus zoo blijmoedig ons inscheepten,

O zeker, we hadden het beproefde Christenen wel eens hooren vertellen, hoe geweldig het soms kan stormen op de reis naar Kanaan — maar ach, waar de mensch zelf geen ondervinding van heeft, dat kent hij toch eigenlijk niet. Wanneer wij nog volop genieten van Gods zalige nabijheid, kunnen we 't ons moeilijk indenken, dat op tijden van blijmoedig vertrouwen, tegen tijden volgen, waarin dat blijmoedig geloof verduisterd wordt, door donkerheid en storm.

Maar straks leeren we dat verstaan, als beproevingen komen van allerlei aard, zoowel op geestelijk als op natuurlijk gebied. De wateren eens vollen bekers moeten ons maar eens worden uitgedrukt, o wat kan dezelfde ziel, die zoo even van blijdschap nog jubelde, in ons dan terneer zijn gebogen!

Wat kan een mensch, een begenadigd mensch nog wel, dan heen en weer worden geschud — óf zijn ze er niet, die in dagen van rampen ên tegenspoed, gepijnigd werden met de vraag, of dat nu Gods Vaderhand was? En stormde het toen niet geweldig daarbinnen ?

Ik sprak van ramp en tegenspoed op natuurlijk gebied, maar is het op geestelijk terrein niet veel meer nog van kracht?

Ziet, zoodra wij door Gods genade in het scheepje van Jezus zijn gekomen, dan zal de Vorst der duisternis niets onbeproefd laten, om ons de reis zoo moeilijk mogelijk te maken. Hij heeft het op den ondergang van Gods gemeente gemunt Gods werk haat hij met een volkomen haat.

Daarom gaat hij rond als een brieschende leeuw, zoekend, wie hij zou mogen verslinden. Wie, wie zal beschrijven al de listen, waarmee hij werkt, al de kronkelpaden, die hij bewandelt om zijn helsch doel te bereiken?

Dat is eenvoudig niet te zeggen.

Maar altoos heeft hij het toegelegd op de vernietiging van Gods Kerk.

Allerlei wapen staat hem ten dienste. Zelfs Gods Woord hanteert hij. Wilt gij voorbeelden? Denk dan, aan hetgeen hij sprak tot den Heiland, bij de verzoeking in de woestijn. Welnu, als hij het Hoofd niet gespaard heeft, zou hij het dan de leden doen? Immers neen. Ook tot Gods kind, in donkerheid en nood, komt hij soms met het Woord en als het duister is daarbinnen, vraagt hij: „Staat er niet geschreven, het licht is voor den rechtvaardige gezaaid en vroolijkheid voor den oprechte van hart? — maar, hoe zoudt gij dan Gods kind zijn, waar het alles zoo donker is?

„Gij bidt wel, maar God hoort u niet, met zulk een goddelooze als gij zijt, wil de Heilige niet te doen hebben".

O als Satan zoo tot ons komt — zeg mij, kan er dan geen storm opsteken, die de golven hoog over ons levensscheepje jaagt?

Wie had dat nu gedacht, toen we met Jezus ons inscheepten en de reis zoo heerlijk begon?

Wie had het kunnen denken, dat de strijd tusschen vleesch en Geest zoo tot een storm zou groeien, dat het nog uitgeroepen moest worden: „Wee mij, ik verga, dewijl ik een man ben van onreine lippen? "

Zoo ver komt het menigmaal. Zie het maar uit ons tekstwoord. Onder lieflijke stilte was de reis begonnen, maar 't duurde niet lang of 't werd noodweer. Het ranke scheepje werd door de golven gebeukt. En nu staat er zoo kenmerkend bij — doch Jezus sliep.

Zij hadden Hem dus nog niet gewekt. Ze schenen het buiten Hem te willen klaren. Ja, zoo is het met een mensch. Als de nood niet heel hoog gaat, dan laat hij Jezus ongemoeid, 't Ligt zoo in onzen aard, als wij in beproevingen komen, eerst vleesch tot onzen arm te stellen. Vleesch verwacht het altijd van het vleesch.

Een spreekwoord zegt zelfs: „Help uzelf, zoo helpt u God." Ja zeker - — maar in die weg van zelfhulp en eigen kracht, ligt slechts beschaming. Met al ons loopen, kunnen en willen, komen we steeds bedrogen uit.

Eerst zal ons eigen werk door ons moeten worden opgegeven. Dan pas nemen we in waarheid de toevlucht tot Hem, die alleen helpen kan.

Zoo ging het ook met de discipelen. Ze hadden al wat gezwoegd om hun scheepje door den storm te krijgen. Maar ... het hielp niet. Tegen die als van woede kokende zee, baatte geen menschelijke wijsheid en geen menschelijke kracht. De storm huilde voort met ongetemde vaart, Groote golven overdekten het schip, zinken zou het zeker en de dood was gewis.

En ziet, eerst in dien doodsnood kwamen ze tot Jezus, Ze wekten Hem met hun:

„Heere behoed ons, wij vergaan. Meester, Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan? "

Echte doodkreten, nietwaar? Ja, dat zijn het. Maar waarom, zoo vraagt ge liet de Heere den nood zoo hoog klimmen ? Dat doet God, opdat zij, opdat wij zouden leeren af zien van eigen kracht en eigen wijsheid, en op zouden zien tot Hem, die alleen redden kan uit allen nood en dood.

Zoo laat God zijn kinderen zien, dat zij niets vermogen, als Hij geen kracht geeft. En in dien weg wordt arme afhankelijkheid geleerd.

De Heere — en dat is de les die er in ligt — houdt zijn kinderen arm en hulpbehoevend, opdat Hij hen make tot bedelaars, die dan het woord zien vervuld:

't Behoeftig volk in hunne nooden In hun ellend' en pijn Gansch hulpeloos tot Hem gevloden Zal Hij ten Redder zijn.

Eerst moet het ook bij ons recht hopeloos en reddeloos worden, dan zal ook het gebed opwaken met kracht en aanhouden zuilen we, met bidden ên smeeken bij God, totdat Hij ook ons genadig zij.

God make het voor ons allen (in geestelijke zin) maar waarlijk nood, en leere ons dan de waarheid te verstaan van het: Op uw noodgeschrei Doe Ik groote wond'ren,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 januari 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's