De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

16 minuten leestijd

Om recht en vrijheid. I)

Het jaar 1913 is bij uitnemendheid een jaar des gedenkens. De gansche Christelijke Kerk herinnert zieh met vreugde het diep ingrijpend feit, dat voor juist zestien eeuwen de eerste Christen-keizer Constantijnde Groote het dusgenaamde tolerantie-edict van Milaan afkondigde, waarbij voor het eerst in de wereldgeschiedenis het beginsel van godsdienstvrijheid werd geproclameerd. Het wilde vrijheid voor alle religie en dus ook voor Christelijke. Dat edict bracht reeds wat nu wel door bijkans allen als een der eerste menschenrechten wordt erkend, namelijk de vrijheid om God te dienen naar de inspraak des gewetens. Recht op gewetensvrijheid het wordt erkend, doch dikwijls meer in theorie dan practisch toegepast.

Nog steeds wordt er geworsteld ten onzent om volledige toepassing op het gebied van onderwijs en opvoeding.

Nog is de strijd niet volstreden met hen, die in naam van verlichting en vrijheid de verlichting en de vrijheid aan banden leggen willen. - Dat het Kruis het licht der wereld is, blijkt hieruit niet het minst, Dat het altijd aangordt tot den kamp om vrijheid en om recht, Hoe dieper het mysterie des kruises wordt doorleefd, hoe meer het in zijne volheid wordt gekend en beleden, hoe meer het ook voortwenkt het pleit te voeren om dit kostelijkst geestelijk goed. Daarom zien wij in de historie dan ook het Gereformeerd Protestantisme aan de spits in dien strijd. Het stelde zich op de bres, riep op tot spanning van kracht. En daarom stonden ook ten onzent in den schoolstrijd zij vooraan, die het fierst de banier des kruises naar de teekening der Schriftuur omklemden.

Doch dit jaar wijst ook terug op 1813, op Nederlands verlossing, op die van West-Europa. Ook dat feit heeft groote beteekenis. Immers, het toont ons allereerst wat vrucht der bitterheid voor de volken ontkiemde uit een levensbeginsel, dat niet in het kruis, maar in den natuurlijken mensch is gegeven. De natuurlijke mensch verkeert in revolutie tegenover God, tegenover Zijn Woord en wil. Daarom kan hij komen tot eene consequentie zoo ontzettend in hare openbaring, dat een dichter mocht zeggen: „Het verschrikkelijkste aller dingen is de mensch in zijnen waan." In de revolutie kwam het beest in den mensch naar buiten, zoodat stroomen bloeds vergoten werden in den naam der schoone idealen van gelijkheid, vrijheid, broederschap.

En die gelijkheid was slechts denkbeeldig, daar zij voor ongelijkheid, die er was, eene ongelijkheid bracht, die er is, omdat zij Mammon voerde tot heerschappij. En haar vrijheid was een schijn, een ijdele schim, want zij schonk slechts één recht, dat tevens plicht was. Zij liet niet anders toe dan te belijden wat de grootmeesters der revolutie beleden. En zij snoerde den mond aan wie zich tegen hen stelde. In den naam eener broederschap lieten zij dreunend den valbijl der guillotine neerploffen. De leugen der revolutie, haar satanische geestdrift, die de laagste hartstochten ontketende, wreekte zich op ontzettende wijze. Uit den bajert der revolutie werd de tiran geboren, die orde scheppend de volken deed krommen onder zijn juk. Het geheim zijner tóovermacht lag hierin, dat hij begroet werd als de held, die het monster der revolutie betoomde. Maar tevens was hij de geesel, die de natiën striemde en die den jubel om den vrijheidsboom deed omzetten in een somberen klaagzang over de zonen wier beenderen bleekten op de slagvelden van Europa.

Doch ook de tirannie heeft een einde. God heeft zich over Nederland ontfermd. En ons past thans na een eeuw van vrede en voorspoed een ootmoedig dankbaar belijden : Niet ons o Heere, maar Uwen Naam geef eer. Gods ontferming spreekt zoo klaar in de geschiedenis dezer eeuw, omdat zij getuigt van onze ontrouw, van onzen afval ondanks zijne goedertierenheid.

Immers, van ontrouw en afval in ons volksleven spreekt deze ure des gedenkens. Gij herdenkt het jaar 1863, het 50-jarig bestaan uwer christelijke school. Daarmede is gegeven de klacht over volkszonde, volksongeloof, volksrevolutie tegen Gods Woord en waarheid. Maar in de stichting uwer echool is ook gegeven de daad van Gods ontferming, die u niet losliet, maar u drong tot den strijd om dat Woord en die waarheid op velerlei gebied, op dat der opvoeding allermeest.

Om met U Gods groote daden te gedenken, sta ik stil bij 1e het verleden; 2e hij het heden ; 3e bij de toekomst, maar bij het verleden uit den aard der zaak het meest.

I. Het verleden.

Vijftig jaren geleden ontsliep Mr. J. J. V. d. Brugghen, die in den schoolstrijd zulk een eigenaardige plaats heeft ingenomen. Mr. V. d. Brugghen was een christen, geëerd in den kring der onzen. En juist hij was het, die aan de vrienden van het christelijk onderwijs de bitterste teleurstelling heeft berokkend. Immers, hij was zooal niet in strikten zin de vader, dan toch de peet der schoolwet van 1857. Hij liet haar kiemen, deed haar opleggen, hielp ons aan de gemengde school, die toegankelijk moest zijn voor alle kinderen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid. Hij was het, die de christelijke deugden bracht in de wet, die al wat waarachtig christelijk was ten strengste weerde uit de school. Protestant, Roomsche, Jood, elk moest kunnen vorderen, dat aan zijn kind niets werd medegedeeld, strydig met zijne godsdienstige overtuiging. 

Die wet was een grievend leed voor ons christenvolk, niet het minst omdat van der Brugghen een man was, die erkende dat hij zulk een school voor zijn eigen kinderen niet begeerde. Zijne schoolwet ging uit van de dwaling, dat de kerk maar aan de opvoeding moest toevoegen wat er op de school aan ontbrak. Zijne wet maakte de school tot de redeschool der modernen, leidde tot een vijandschap tegen het positieve christendom, die de machthebbers op schoolgebied tot een klopjacht aanzette op al hetgeen zelfs in het kinderlijkste schoolboek herinnerde aan den eenigen Naam onder den hemel gegeven, door welken wij moeten zalig worden. Het moest alles ontzield, verwaterd en verslapt. Niemand mocht gekwetst en wat van zelf spreekt, die verdoezeling van het heiligste kwetste het meest. Die wet wa» een donkere schaduw, maar zij bood een lichtpunt. Zij liet vrijheid tot het oprichten van bijzondere scholen. Ook vroeger was dit in theorie wel mogelijk, doch altijd zóó, dat de willekeur der plaatselqke en provinciale autoriteiten maar altezeer die vrgheid knotten. De wet van V. d. Brugghen brak in beginsel de tirannie der kleine potentaten, die dikwijls zwaar kan drukken. In beginsel, want natuurlijk zij doet zich nog op meer dan ééne plaats gevoelen. Maar dit was dan toch iets, men mocht een vrije school stichten, men mocht haar zelf betalen, en natuurlijk voor de openbare bovendien. 

De vijandschap bleef echter groot. Groen verwijt het aan zrjn tegenstanders, dat zij een triumfkeet aanhieven als er eene bqzondere school te niet ging, dat zij onze scholen „goddelooze broeinesten" noemden, schadelijk gedierte, dat moest worden uitgeroeid, waarop jacht werd gemaakt. Gewetensdwang was niet zeldzaam. Onder een schijn van vrijheid werd een christelijke schatplichtige met zijn eigen geld vervolgd en vernield. Een prachtige, maar leege openbare school maakte een belachelijk figuur en daarom moest de bijzondere leeggepompt. Plichtsverzaking bracht den christen winst. Ten laatste was de tegenstand zoo groot, dat Groen kon profeteeren, hoe in Nederland men niet slechts vrij zou zijn van schoolgeld, maar ook van overheidswege nog betaald zou worden voor de leverantie van ieder kind.

Waarom die vijandschap ? Omdat het liberalisme van 1863 was als het liberalisme van 1913. Het verstaat, hoe er voor zijn bestand niets gevaarlijker is dan ware godsdienstvrijheid, dan echte liberaliteit. Met staatsgeld moest opgedrongen een christendom boven geloofsverdeeldheid, het extract, dat overblijft, als van het Protestantsche christendom het Protestantsche, van het Roomsche het Roomsche, van den Joodschen godsdienst het Joodsche afgetrokken werd. En dit religieus extract, waarmede het liberalisme de gansche natie gelukkig wilde maken, was inderdaad niets meer en niets minder dan de moderne theologie. Tegenover dat tirannieke liberalisme stond in de Staten Generaal Groen van Prinsterer als de kampvechter voor ons christenvolk met den dringenden eisch: „Ik wensch, dat eindelijk haar votum ten behoeve van godsdienstvrijheid worde gehoord".

In 1868 was het dus geen rooskleurige tijd voor wie wilde, dat zijn kroost werd opgevoed naar de belofte bij den Doop gegeven.

Groen, die de Kamer had verlaten, uit protest tegen de wet van v. d. Brugghen, had in 1862 het lidmaatschap opnieuw aanvaard met het vooropgezette doel, aan te dringen op strikte toepassing der wet. Indien de openbare school maar neutraal was in der waarheid en het christelijk onderwijs werkelijk vrij, dan zou hij zich verblijden. De wet moest eerlijk gehandhaafd.

Groen was een groot, geniaal staatsman, maar was ook een man vol vreeze Gods. Hij kende de diepe levensbeginselen niet slechts van hooren zeggen, maar bij ervaring. Hij had een wijageerigen blik, die hem profetisch de toekomst deed doorschouwen. De neutraliteit kende hij als een engel des lichts, waarin zich de macht der duisternis hulde, die de ontkerstening der natie bedoelde. „ Houdt op te spreken van neutraliteit, waar het doel is bezieling van staat en kerk en school met de religie van het ongeloof. In het schoolvraagstuk zag hij op het spel staan het christelijk beginsel in de toekomst van kerk en vaderland. En om dat beginsel tot overwinning te brengen aanvaardde hij den godsdienstloozen staat, maar dan zóo, dat den Christen de vrijheid bleef tot christelijke plichtsbetrachting. Hij wilde geen overheid die haar finantieele overmacht keerde tegen het christelijk nationaal onderwijs; geen vrijheid in schijn, waarbij op kleingeestige, weerrechtelijke wijze het christelijk onderwijs werd geplaagd en bemoeilijkt. Voor 50 jaren voerde Groen met al de kracht, waarover hij beschikte met onbreekbare hardnekkigeid den kamp om recht en vrijheid. En met resultaat? Maar hoor hem klagen, dat de minister antwoordde: christendom boven geloofsverdeeldheid en geene neutraliteit zou het volk ontvangen. En van de kwelling den christenen aangedaan, was nimmer iets vernomen. De regeering wist van den prins geen kwaad. En de Kamer ... ? Zij zweeg. Groen zag het in, de zitting van 1862/63 bewees het proefondervindelijk, dat er van eerlijke naleving der wet geen sprake was, dat er voor vrijheid en recht niets te hopen was.

Wie Groen's arbeid leert kennen, staat ontroerd over het heroïke zijner persoonijkheid, daar is zooveel bekoorlijk groots in zijn levensstrijd. Denk u slechts in. Er was een medewerking, geen aanmoediging, hij kent zich als een roepende in de woestijn en hij desespereert niet, schept moed uit dit ene, dat hij er zich van bewust is, het onrecht en den onwil der machthebbers meer tot klaarheid te hebben gebracht. Hij versaagde nimmer, hij hield stand, want hij was gedragen door de vleugelen des geloofs.

En de heldenkracht van zijn geest treedt nog in helderder licht, als wij letten op ons christenvolk. Het is zooveel te weten als de strijd zwaar wordt, dat er duizenden achter ons staan, dat er een breede kring is, die zich rondom ons schaart en met geestdrift het woord opvangt, dat bezieling wekken kan.

Helaas, van Groen kon dit niet gezegd in 1863. Zeker er waren nog wel kringen, die den Christus der Schriften beleden, maar men was zich weinig plichtbewust. Groen klaagde, dat het geweten van het Christenvolk nog ontwaken moest. Hij stuitte op veler ongevoeligheid en lauwheid en traagheid. Daarom, Groen houdt niet op te vermanen, opdat wie Jezus' Naam belijdt, zal hooren: God beware u voor verzuim uwer eerste en heiligste verplichting. De ouders moesten daarin hunne liefde toonen jegens hun kroost, dat zij zich bekommerden over de vraag, of zij de eenige, onverderfelijke erfenis deelachtig zouden worden.

Maar ook in zijn klacht over lauwheid blijft hem het geloof bij, dat het christenvolk ontwaken zou. En dan zou het gevoelen aan welken onverdragelijken band het was gelegd.

En wat hem den rijken edelman het meest ter harte ging, wat hem het meeste pijn deed ? De onvermogende, die geen keus had.

Voor den arme bovenal doodde de wet vrijheid van godsdienst, in hem smoorde zij het recht van het geweten. De schoolwet van voor 50 jaren stelde een klein aantal vermogenden in staat voor geldelijke opoffering de vrijheid te koopen. Maar wat Groen wilde was vrijheid voor allen, eene vrijheid, die ook den arme toekwam. Hij was een christen-democraat bewogen door de macht der liefde. Beluistert zijn aangrijpend woord: „Hebt den Heere, hebt uwe kinderen en de kinderen van uw volk lief; dan zult gij weten wat gij te doen hebt. Hebt Lief, zou de kerkvader Augustinus zeggen, hebt lief en gaat dan uw gang en doet wat gij wilt". Zoo vermaande hij, zoo riep hij op tot ontwaken, tot den strijd voor christelijk onderwijs, die een strijd was om vrijheid en om recht.

Zoo was het voor 50 jaren. Doch dit moet er aan toegevoegd.

Ondanks alle tegenkanting kwam er ontwaking. Langzaam, maar zeker werd ons volk wakker. Het Christelijk onderwijs bloeide op. Dat gij nu hier te Veenendaal het 50-jarig bestaan uwer school moogt gedenken, toont dat uw vaderen niet behoord hebben, tot de langslapers. De conscientie sprak hier en hare sprake drong tot daden. Zij hadden geen vrede met de waterkost van een godsdienst boven geloofsverdeeldheid, die de gezonde melk des Woords moest vervangen. En gedenken wij nu in deze ure Groen, die door God geroepen zich op de bres stelde om onze hoogste en heiligste goederen te verdedigen, gedeukt ook aam uwe vaderen. De H. Schrift leert ons klagen over hunne zonde, maar ook roemen over hun geloof, hun gebed, hunne Godsvrucht. Door uw school waren zij voor het nageslacht tot een onwaardeerbaren zegen. Kostelijke geestelijke gaven lieten zij na als de vruchten hunner worsteling. Als wij onzer vaderen gedenken, nemen we dan op de lippen wat de dichter zong: Op u hebben onze vaders vertrouwd, zij hebben vertrouwd en Gij hebt hen uitgeholpen.

(Gezongen : Psalm 22 : 2.)

Vijtig jaren zijn voorbijgegaan. Daar is veel gewijzigd, veel ook gebleven. Tusschen de destijds heerschende wet en heden ligt de wet van 1878 bij wier geboorte op zoo treffende wijze door het christelijk volksdeel getuigenis werd afgelegd van zijne begeerte naar vrijheid en recht. Wij weten hoe men de toevlucht nam tot Oranje door de indiening van het beroemde petitionnement. Oranje hoopte men zou de rechten der minderheid beschermen, want dit had Oranje meer gedaan. Had Oranje niet menigmaal schuts geboden tegen de onderdrukking der meerderheid. Des te dieper was de teleurstelling, toen de mare weerklonk dat de koning op aandrang van Kappeyne de wet had gemeend te moeten teekenen.

Zelfs Oranje was de liberalistische druk te machtig. De man die in 1876 getuigd had, dat de minderheid moest onderdrukt, omdat zij de vlieg is, die de zalf bederft, triumfeerde. Maar als bij alle onderdrukking van het recht, die triumf was slechts schijnbaar.

Het bloed van den martelaar is het zaad der kerk. Het onrecht prikkelde die minderheid tot grooter krachtsinspanning. De Unie werd geboren, de unie-collecte ingesteld, die de herinnering moest levendig houden aan het feit, dat de christelijke minderheid zich niet laat onderdrukken, want wat de mensch ten kwade denkt, keert God ten goede. De strijdkracht verdubbelde, zoodat 10 jaren later het eerste christelijk ministerie optrad en in beginsel de dwinglandij werd verbroken door de wet Maokay. En sinds, wij weten het, klaarder brak het licht door, de zon des vrijheid ging op. Nog zijn we er niet geheel, maar wij staan voor de poort met den eisch om volkomen recht en ongekrenkte vrijheid. Nog een laatste overwinning en Groens ideaal is werkelijkheid. Maar genoeg. Het is niet noodig u te spreken van heel den schoolstrijd, van al wat gewrocht werd door mannen als Kuyper, Lohman en tal van anderen.

Wij weten hoe de hoop levendig was dat eindelijk de strijd zou worden beslecht en voor goed de vrijheid en het recht zou worden verkregen. Hoe nog een laatste eindpunt moet bereikt en thans de hoop nog werd uitgesteld.

Toch was er in den strijd van 1863 iets schooners, dan in dien van thans. Het idealisme ging wel schuil, het gevaar is groot, dat het geloof ook aan den schoolstrijd ontzinken zal. De voorspoed is niet immer zegen en niet alleen.

Verslapping dreigt met het wijken van den nood, tweedracht dreigt omdat andere dan geloofsmotieven zich doen gelden. Wij hebben noodig verootmoediging, de bede klimme om eendracht en liefde, om geestdrift en kracht, opdat ons recht geschiede in de erkenning onzer rechten op vrijheid der conscientie.

En dan? Dan wacht veel zwaarder taak. Het is een kunst zich schatten te verwerven, grooter kunst ze te bewaren.

Zoo ook hier. De bede zij levendig : Heere behoud en vermeerder ons het geloof.

Laten wij ons zelven afvragen: Wat was de kracht onzer Vaderen?

Die kracht was: het geestelijk karakter van den strijd; de teederheid van de ruisching des Geestes.

Er was daardoor een heerlijke eendracht, die macht maakte, een saambinding die heerlijke uiting van kracht te aanschouwen gaf. Een kracht, die wortelde in het geloof in de beteekenis van het Woord van God voor de komst van Zijn Koninkrijk. De macht van hun optreden was gelet, en in 't vaste geloof aan de komst van dat Koninkrijk!

Wat het is, dat ons bedreigt?

Dat wij vergeten zovden, wat hun kracht, hun doel was.

Ons daarom voor Gods aangezicht ernstiglijk onderzocht, of ook wij in den geloove zijn I

En als we dat gevoelen, dan inkeeren tot onszelf, en we zullen weer voelen tintelen van de broederschap, van de eendracht, die macht maakt.

Is al de splitsing van ons Chriatenvolk niet bedroevend?

De weinige Christelijke liefde die er gevonden wordt?

Als daarbij gedacht wordt aan de heerlijke eenheid van voor 50 jaren, dan komt tot U allen de roeping: Verootmoedigt u voor den Heere; bidt om den Vrede van Jeruzalem, om de aanblazing der Liefde Gods. Indien allen die hopen in den Gekruisigden, zich saamsnoeren; den strijd strigden, dan zal niet slechts een schoone overwinning, maar een heerlijk goed ons geworden. Wij verblijden ons heden in de vruchten van den bangen strijd. — Laat dan ook niet de vijand getuigen, dat door nijd en afgunst, twist en tweedracht verloren ging, wat door eendracht kwam!

Blijke het na weder 50 jaren dat ook door uw arbeid dit heerlijk werk werd bevorderd, tot groei van Gods heerlijk Koninkrijk!


i) Schoolrede van Prof. Dr. H. Visscher, uitgesproken in de Ned. Herv. Kerk te Veenendaal op 26 Nov. 1913 ter gelegenheid van het 50 jarig bestaan der Vrije Chr. School aldaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's