De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Alzoo zegt de HEERE:Ik ben wedergekeerd tot Sion en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen. Zacharia 8:3.

De Heere was in 't midden.

De nachtgezichten van Zacharia zijn zoo bizonder leerrijk. Ze zijn zoo vol ernst, Ze zijn zoo vol troost.

Leerrijk, want we zien als in schilderij hoe God handelt met Zijn Kerk in deze wereld en hoe Hij Zijn volk leidt hier beneden, al de dagen hunner inwoning op aarde.

En de Heere komt ons wonderlijk voor, groot van macht en heerschappij, die Zijn volk weet te behoeden en te bewaren.

Wat vol ernst zijn ze ook.

Want èn de geloovigen èn de ongeloovigen vernemen het, dat de Heere heilig is in Zijn richten, veroordeelend de zonde en straffend de ongerechtigheden. Geen schepsel kan Zijn gerechtigheid ontkomen en zal zonder straf Zijn geboden schenden.

Maar dan ook troostvol, want hoe kostelijk wordt ons Gods trouw en goedheid geteekend, waarbij de Heere Zijn volk bevestigt: Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de HEERE, uw Ontfermer." (Jes. 54:10).

Neen, de Heere laat niet varen de werken Zijner handen. Er komt een tijd van bezoeking, maar óok van vertroosting; er komt een dag der wrake, maar ook van zegening. En de Heere laat de vijanden niet triumfeeren. Hij laat Zijn gunstgenooten niet ellendig omkomen.

Is Gods Kerk te vergelijken met , een mirtenboschje in de diepte" (1:8), dat gemakkelijk onder den voet kan worden gereden door de sterke vijanden — de Heere zélf waakt er over en bewaart het bij 't leven.

Is Gods volk zwartachtig en vuil van kleederen, naar het oordeel der wet gansch verdoemelijk — Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar treedt tusschenbeiden om gerechtigheid te geven aan goddeloozen, opdat zij uitgerukt worden tot een eeuwige zaligheid, (hoofdst. 3).

Gaat Gods oordeel over het land, getoond in den vliegenden rol, van binnen en van buiten beschreven met Zijn vloek en straffen, omdat de Heere niet duldt, dat Zijn verbond trouweloos geschonden wordt (5) — nu zien we in Zach. 8 hoe de tijd om genadig te zijn is aangebroken.

't Gaat zoo wonderlijk met Gods volk.

De zonden kunnen over hen heerschen. Ze kunnen zoo van achter God afwijken. En daarbij kunnen ze zoo geesteloos, zoo dwaas, zoo eigenzinnig, zoo roekeloos zijn.

En dan zijn het slechte tijden voor Gods volk. Men kan zich dan wel groot houden, men kan dan wel druk in de weer zijn, men kan dan wel redeneeren en rekenen, men kan dan wel weg en wet stellen voor alles. Maar in werkelijkheid leeft men vér van God, 't gaat geesteloos toe, men leeft uit en bij zich zelf — en als de Heere zóo eens kwam wegrukken uit den tijd en oproepen in de eeuwigheid, dan zou het er treurig mee gesteld zijn.

- Zoo'n toestand is ons geteekend in Zacha­ria 7. Geesteloos leeft het volk.

Ja, men vastte wel en men klaagde wel, bizonderlijk op de 4 bekende vasten — dagen ter herinnering aan de verwoesting van stad en tempel — maar ach, het hart was er niet bij; de ziel voelde niet de zonde, die van de oordeelen Gods de oorzaak was; men besefte niet hoe diep de breuke was tusschen het volk en hun God.

En o! als het hart er niét in zit, als het niet in waarheid en niet in oprechtheid gaat, dan veracht de Heere alle plechtigheden en gedenkdagen. Wat het volk maar niet schijnt te voelen, want als de Heere er over spreekt en tot waarachtig  berouw opwekt, opdat het volk hun God zal missen, en om Hem zal gaan roepen, dan lezen we: maar zij weigerden op te merken en togen hunnen schouder terug en zij verzwaarden hunne ooren, opdat zij niet hoorden. En zij maakten hun hart als een diamant, opdat zij niet hoorden de wet en de woorden, die de Heere der heirscharen zond in Zijnen Geest, door den dienst der vorige profeten." (7 : 11 en 12).

Dat wekt Gods toorn.

Dat doet Hem opstaan in grimmigheid.

En we lezen: Ik heb hen weggestormd onder alle heidenen, welke zij niet kenden; en hét land werd achter hen verwoest." (7:14).

Dat kan de Heere niet dulden, dat men geesteloos rustig de zonde dient en roekeloos ver van Hem afdwaalt. Dat komt Zijn eer te na. Dat doet Zijn ijver ontbranden. Dat ontsteekt Zijn toorn. Gelijk we in het 2de vers van het 8ste hoofdstuk lezen: alzoo zegt de Heere der heirscharen: „Ik heb geijverd over Sion met een grooten ijver, ja met grimmigheid heb Ik over haar geijverd."

Ja — God ziet het wel hoe men leeft, hoe men handelt en wandelt. En de Heer laat zich door den schijn der dingen niet bedriegen.

Wanneer Hij ziet, dat de weg van God afvoert, dat het harte zich los werkt van Hem, dat de ziele in geestelooze toestand geraakt, dat het verkeerd gaat, dat men eindelijk geheel God kwijt is en alle innigheid, teederheid, oprechtheid en warmte des Geestes mist — o! dan ziet de Heere dat niet zonder innerlijke ontroering, niet zonder innerlijke smart. En dan wordt Zijn ijver in beweging gebracht over Zijn volk, zooals de hen druk heen  en weer loopt ais hare kiekens afdwalen, hen roepend en lokkend, opdat ze toch onder de moedervleugelen zullen terugkeeren.

Of zooals de herdershond rond het schaap springt, tegen het beest blaft, het dier duwt en bijt, totdat het omkeert en naar de kudde de schreden richt, om weer dicht bij den herder te komen.

Zoudt Ge denken, dat de Heere het maar onbewogen van hart aanziet, wanneer Zijn volk, wanneer Zijn kind voet voor voet verder gaat in een weg, die van God afvoert ?

Zoudt Gij denken, dat Zijn ijver niet ontbrandt als daar een doodige, geestelooze eigengerechtigs toestand komende is in het harte, dat dicht bij God behoort te leven, dagelijks zich badend in de frissche wateren Zijner genade en liefde?

Zoudt Gij denken, dat het harte niet in God omkeert, als Hij ziet hoe aan de verleidingen, de aanlokselen, de begeerlijkheden der wereld en des vleesches eerst de vinger, dan de geheele hand gegeven wordt en het harte geheel verward raakt in de strikken van den menschenmoorder van den beginne ?

O! de Heere ziet alles. Hij ziet het reeds vóór dat wij het zelf opmerken, voor dat anderen het gewaar worden. En des Heeren liefde en ijver ontbrandt, om Zijn volk te bewerken met vermaningen — die evenwel helaas! zoo dikwijls worden in den wind geslagen.

Want men wil voort in eigen weg, men wil leven bij eigen redeneering, men wil leven bij eigen voornemen en lasten.

Dat smart den Heere. Want Hij is een ijverig God, ijverend voor de eere Zijns Naams. Hij is een liefdevol Vader, die lijdt onder de ongehoorzaamheid en afdwalingen Zijner kinderen.

O! als men Hem verlaat; als men Zijn tegenwoordigheid. Zijn gunst, Zijn genade en liefde gaat inruilen voor de eer van menschen, voor het genot des vleesches, voor goud of goed — zou het den Heere dan niet smarten aan het hart, dat Zijn volk Hem als niets acht en zich begeeft in paden van teleurstelling, van zonde en ellend?

Hij weet het, dat het voor ziel en lichaam van Zijn kinderen tot schade is en het is Zijn heiligen en nooit volprezen Naam tot. smaadheid.

Liet de Heere nu Zijn volk in dien toestand blijven en sterven, dan was 't voor eeuwig verloren. Hij zou er recht op hebben, om het te doen. Maar Hij wil het niet, Hij kan het niet. Hij zal het niet doen.

Hij kan het niet verdragen, dat Zijn volk verloren gaat als een prooi voor de hel. Hij wil hen niet laten in het pad des verderfs. Hij zal hen wederbrengen in den rechten weg. Dat gaat dikwijls langs een diepen weg. Want de Heere moet de smaak der zonde in bitterheid komen omzetten. Hij moet de schoonheid der wereld als een bedriegelijke zaak komen ontdekken. Hij moet de banden der ongerechtigheid komen verscheuren en de knoopen der wellusten komen stuktrekken.

En dat kost den mensch pijn, schade, schande. Dat brengt kastijding en beproeving, die insnijden in het vleesch, die als een zwaard door de ziel gaan.

Maar met grooten ijver ijvert de Heere om Zijn volk weer te krijgen in den rechten weg en ieder kind van God moet het ten laatste getuigen: „de kastijding des Heeren ' is niet aangenaam wanneer ze tegenwoordig is — maar de vrucht is heilzaam", gelijk de dichter van Ps. 119 getuigt: „het is goed, dat ik verdrukt ben geweest, want voor dien tijd dwaalde ik en nu heb ik mijn God weer teruggevonden, in Wien mijn leven is en al mijn vermaking."

Wonderlijk zijn de wegen des Heeren.

En o! omdat de afdwaling des menschen zoo groot en zoo veelvuldig is, moet de Heere wel komen met Zijn velerlei bezoekingen en kastijdingen. Zijn ijver ontbrandt telkens en Zijn grimmigheid wordt telkens ontstoken, daar Hij een heilig een rechtvaardig God is.

Kennen wij iets van die afdwalingen en van des Heeren ijveren ook over ons? Neen, we zullen in deze geen vreemdelingen moeten zijn. We zullen met den waren toestand onzes harten bekend moeten zijn en we zullen in den spiegel van Gods heiligheid hebben moeten leeren inblikken, om ónze zonden tegenover Zijn gerechtigheid te zien.

En die met eigen zonde en 's Heeren gerechtigheid kennis gemaakt heeft, die heeft ook kennis gemaakt met eigen doemwaardigheid, dwaasheid, halstarrigheid — om ook te mogen getuigen van 's Heeren liefde in Zijn slaan, van 's Heeren genade in Zijn verdrukken, van 's Heeren barmhartigheid in het kastijden.

Want dat is de weg om ons telkens terug te brengen.

Waarbij de Heere, na Zijn ijveren en na Zijn toorn en na Zijn kastijdingen bizonderlijk getuigen wil van Zijn rijke liefde en onveranderlijke trouw.

Dan wil de Heere Zijn volk bizonderlijk vertroetelen met de bewijzen van Zijn gunst en liefde — gelijk geen moeder haar kind, in tranen badend, kan troosten; gelijk geen vader, zijn kroost, na belijdenis van schuld, kan streelen en liefkozen.

En o! is het in dit 8ste hoofdstuk van de profetieën van Zacharia niet, alsof we den Heere hooren spreken tot Zijn volk, als de tijd der liefde weer vernieuwd is en het volk weergekeerd is tot hun God, om Hem in oprechtheid te dienen?

Dan, na een tijd dat de Heere over Zijn volk geijverd heeft om hen terug te brengen tot den weg van de vreeze Zijns naams en tot het wandelen voor Zijn aangezicht in oprechtigheid, dan openbaart de Heere hoe lief Hij dat volk heeft en Hij toont Zijn Kerk hoe goed en hoe lieflijk het is, om den Heere te dienen in geest en in waarheid.

Neen, dan heeft het volk het niet slecht, wanneer het weder mag keeren tot de Heere.

Dan is het niet slecht voor de Kerk, wanneer zij de banden der ongerechtigheid, na een tijd van tuchtiging en oordeelen, eindelijk komt losmaken. 

Dan is het niet tot nadeel, wanneer de ziele eindelijk vlak in de schuld komt voor God en eigen weg van harte komt veroordeelen, om den Heere aan te roepen in oprechtheid.

Neen — het zich afkeeren van achter God, om eigen weg, wereld, zonde en vleesch aan te hangen, dat is een slechte weg die ramp op ramp belooft.

Maar de weg uit het land der zonde, uit den staat van dood, uit de toestanden van geesteloosheid en eigengerechtigheid, wederkeerend tot den Heere, dat is een goede, rijke, aangename, gezegende weg. Want die weg leidt tot het licht en het leven, tot de liefde en de genade Gods — gelijk de verloren zoon mocht ervaren en gelijk het verloren schaap óndervond, wederkeerend in het midden van de kudde in de grazige weide en tot den herder, die voedsel had in de stal.

Dan is het een weelde-tijd. Dan is het de tijd der vernieuwing Dan is het de tijd van licht en blijdschap, van lieven en loven. Dan wordt het ervaren, dat de Heere mildelijk vergeeft en niet verwijt, dat de Heere barmhartigheden velen zijn.

En het wordt gaarne bekend: het is mij nu beter dan vroeger; uwe goedertierenheid is mij meer dan het tijdelgk leven — in God is al mijn heil en mijn eeuwig goed!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's