Uit de Pers.
Er is reeds veel geschreven over de vraag of het geen tijd wordt, dat de Kerk van Christus, die haar belijdenis van voor 300 jaar bezit (de 3 Formulieren van Eenigheid), deze belijdenis gaat uitbreiden en aanvullen met het oog op de hedendaagsche secten, dwaalleeraars, ongeloofstheoriën enz.
Om iets van dat geschrijf ook onder de oogen van de lezers van , De Waarheidsvriend" te brengen, nemen we uit de Rijnlandsche Kerkbode het volgende over:
Ds. van der Linden schrijft in de Geref. Kerkbode van 's-Gravenhage het volgende:
Aanvulling der Belijdenisschriften]
Er gaan stemmen op, die voor herziening, misschien beter: aanvulling onzer Belijdenisschriften pleiten. Wij hebben positie te nemen — zoo wordt gezegd — in onze Belijdenis, tegenover de nieuwe ketterijen en stroomingen op godsdienstig wijsgeerig gebied. Zelfs kwam er een kerkeraad reeds toe, waarschijnlijk op aandrang van zijn praeses, in een gemeentevergadering de zaak te wlilen bespreken in de hoop, dat de vrucht zal zijn, dat straks op de Classis nader en breeder op de zaak zal kunnen worden ingegaan, en haar alzoo langs kerkdijken weg op de tafel der Generale Synode te brengen. En ds. Wisse, de leeraar van deze gemeente, geeft aan de kerken zijn wensch te kennen, dat zij op dit aanbevelingswaardig (? ) spoor toch volgen zullen. Is dit waarlijk gewenscht? Wij betwijfelen het zeer. Wij zijn in onze kerken pas tot eenige kalmte gekomen. De Utrechtsche Synode heeft een goed werk gedaan en die punten onzer Belijdenis, die bij sommigen in geding waren, klaar en duidelijk uiteengezet. Een onwaardeerbaar voorrecht mag het geacht dat onze kerken thans rustig kunnen voortarbeiden en de haar van God toevertrouwde taak op het breede arbeidsterrein, haar gewezen, met ijver en trouw kunnen volbrengen. Maar is het nu de tijd een zaak van zoo machtige beteekenis op de schouders onzer kerken te leggen? Een zaak, die niet onze Gereformeerde Kerken alléén geldt, maar alle kerken en alle belijders in Nederland, in Europa, Afrika en Amerika. !s het nu de tijd, nu in eigen boezem nog slechts de eerste schreden gezet zijn op het pad van eendrachtig, meer vertrouwend samenwerken, en nu buiten ons zoovele broeders in een kerkdijken strijd zijn gewikkeld, die al ernstiger verhoudingen krijgt, broeders, die met ons op den bodem der zelfde Belijdenis begeeren te staan? Is ook de eisch van aan vulling onzer Belijdenisschriften zoo dringend als het voorgesteld wordt? Wij stemmen in dezen volkomen in met wat Ds. Wielenga van Zwolle schrijft:
«Verreweg de meeste der bedoelde nieuwe dwalingen, zijn zoo oud als tenminste het protestantisme en worden, wat het beginsel, waarvan zij uitgaan aangaat, in onze Confessies verworpen pn op grond van Gods Woord weerlegd. Een Belijdenis toch is geen dogmatiek; zij past de hoofdwaarheden niet op allerlei ondrdeelen toe. Maar zij geeft uit Gods Woord de hoofdlijnen aan en bedoelt dit te doen ook voor komende eeuwen. De geestesstroomingen wisselen zoo in hun uiterlijke formuleering, dat het inderdaad onmogelijk lou zijn tegenover elke nieuwe inconsekwentie er van weer een nieuw geloofsartikel op te stellen. Dat onze Gereformeerde Kerken nu al sinds de Generale Synode van Dordt geen Belijdenisschriften hebben opgesteld, wil dan ook volstrekt niet zeggen, dat zij hebben opgehouden te belijden. Eenparig en zonder onderlaten belijden wij, wat in onze Drie Formulieren van Eenigheid staat uitgedrukt. En wat daarin staat aangegeven in sumieren vorm, wordt in prediking en geschriften, op onze scholen en door den wetenschappelijken arbeid onzer Professoren niet maar eens een enkele maal, maar telkens weer toegepast op nieuwere verschijnselen. Wat zich als waarheid aandient, wordt er aan getoetst, en zoo het er niet mede overeenstemt op grond van Gods Woord verworpen. Er is in dit opzicht volstrekt geen stilstand".
We zouden op tal van in de laatste tijden verschenen werken kunnen wijzen, die in de opgeworpen, soms belangrijke kwestiën van den tegenwoordigen tijd geen onzeker geluid geven en van uitnemend nut zijn voor de voorgangers lelven en allen, die eenigszins meeleven in de worsteling der geesten.
Er komt bij, dat op meer dan één ingrijpend punt de studie voor onze Gereformeerde Theologen eigenlijk eerst begint, gelijk de Heraut meermalen betoogde.
Is het nu de tijd, om een taak aan te vangen van zoo ver strekkende beteekenis als door eenige broederen voorgesteld wordt ? Wij hopen dat onze kerken de voorzichtigheid aan de wijsheid zullen paren en geen voorstellen in bovenbedoelden zin op de tafel onzer Generale Synode zullen brengen, die er trouwens naar onze meening vooralsnog geen dankbaar onthaal zouden vinden.
Wat op de Geref. Kerken betrekking heeft laten we liggen.
Wat we hierbij onderstrepen willen is dit: laat men zich door het voortdurend beweren van moderne zijde dat de belijdenis der Kerk zoo oud is en eigenlijk geheel uitgeleefd is en zoodoende niet meer voor onzen tijd is, niet in de war laten brengen.
Veel, heel veel van 't geen nu met veel zwier aan de markt gebracht wordt is oude waar. Uit de dagen dat de heidensche critici schreven tegen de christenen en de Apologeten in het strijdperk traden; uit de dagen dat Pelagius en Arminius hun leeringen de wereld inzonden en mannen als Augustinus en Calvijn hun stem verhieven in het midden der kerk.
En onze belijdenis geeft, wat de eigenlijke hoofdzaken der waarheid aangaat, heusch geen onzeker geluid.
Wat daar staat is niet uit den tijd.
Dat is naar Gods Woord, verwerpend die oude dwalingen, die telkens weer in een nieuw kleedje te voorschijn treden.
De taal van onze Vaderen is taal voor ónzen tijd, omdat hun taal naar den Woorde Gods was, dat voor alle tijden de rechte wegen aangeeft.
Hoewel het natuurlijk noodsakelijk is, dat de Kerk van Christus telkens — b.v. om de 3 jaren — in Synode kan vergaderen, om over de belijdenis te handelen naar uitwijzen van Gods Woord.
Gelijk in onze Kerkeraden en in onze Classicale Vergaderingen en in onze Provinciale Synoden — waar we weer om vragen — de belijdenis steeds accoord van gemeenschap en steeds, met beroep op Gods Woord, regel voor het kerkelijk leven zij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's