De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verslag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verslag

20 minuten leestijd

Verslag van de 9e Jaarvergadering van den Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk,

gehouden op Donderdag 19 Febr. 1914 in h gebouw van K. en W. te Utrecht,

De 9e Jaarvergadering van den Geref. Bond onderscheidde zich in meer dan één opzicht van hare voorgangsters.

In de eerste plaats was het zooveel vroeger in het jaar dan anders, dat de Mariaplaats te Utrecht de leden van den Bond het bekende „Gebouw" zag binnengaan. Was het tot dusver regel dat wij in de maand April samenkwamen — een enkele maal zelfs in Mei — tengevolge van de op de vorige Jaarvergadering aangenomen wijziging, was het ditmaal reeds 19 Februari, waartegen de Bondsdag was uitgeschreven.

In de tweede plaats was het een andere zaal dan gewoonlijk, waarin onze vergadering gehouden werd. Waren wij tot hiertoe gewoon „naar boven" te gaan, ditmaal zouden we „beneden" blijven. Het zou echter ook hier weer blijken, dat het „in de laagte" niet altoos het slechtste is. Immers niet alleen dat de groote benedenzaal van het „Gebouw" zooveel ruimer en sierlijker is dan een der andere zalen, doch weldra bleek hoe goed het was dat het Bestuur der Utrechtsche Afdeeling van den Bond, dat ook ditmaal weer op uitnemende wijze de vergadering had voorbereid, zijn keuze op deze „groote zaal" had doen vallen. Tegen 11 uur toch was de zaal reeds geheel gevuld. Ook ditmaal hadden wij dus niet te klagen over gebrek aan belangstelling.

Maar was dit wel te verwonderen ?

Immers daar was nog een derde verschilpunt tusschen tusschen deze vergadering en die van vorige jaren. Waren het tot hiertoe — als we de oprichtingsvergadering uitzonderen — steeds predikanten geweest die het, woord hadden gevoerd, ditmaal zou een professorale oratie te beluisteren zijn; en wie de welversneden pen en het goedverzorgde woord van „onzen Professor" eenigszins kent, verwachtte niet anders of er zou hier „iets goeds" te hooren zijn.

Nu, in die verwachting is dan ook zeker niemand van de vele aanwezigen teleurgesteld. Prof. Visscher toonde zich ook hier de rechte man op de rechte plaats. Op treffende wijze werd het onderwerp „Rechtvaardigmaking en heiligmaking" door hem behandeld en wie goed geluisterd heeft — helaas dat niet ieder ooren heeft om te hooren — voelde hoe menige dwaling, zoowel uit vroeger dagen als van onzen tijd, werd weerlegd.

Doch laat ons aan den aanvang beginnen. Wij zouden onzen wakkeren voorzitter zeker onrecht doen, als we zijn woord vergaten dat hij, na het doen zingen van Psalm 19 : 4, het voorlezen van Openbaring 2 en gebed, als openingswoord tot de vergadering sprak. Wij laten het daarom hier in zijn geheel volgen.

Geachte Vergadering,

Wij hebben deze 9e Jaarvergadering van onzen Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk geopend met het voorlezen van drie brieven door den Apostel Johannes op last van den verhoogden Heiland geschreven aan drie aanzienlijke Christen-gemeenten uit de eerste eeuw onzer jaartelling en wel aan de Gemeenten van Efeze, Smyrna en Pergamus.

In die brieven van den Koning der Kerk, gericht aan Zijn volk op aarde, kunnen we lezen hoe de toestanden waren in die Kl.-Aziatische Gemeenten, waar het zaad des Woords een vruchtbaren bodem gevonden had en dertig-, zestig en honderdvoudige vrucht had voortgebracht.

Er dreigde gevaar. Groot gevaar. In alle drie de Gemeenten werden „kwaden" gevonden.

En die „kwaden", vol van booze plannen tegen de Kerke Gods, wilden zich liefst nestelen in de Kerk, om dan, binnen het terrein der Kerk toegelaten, de waarheid Gods stelselmatig te bestrijden en onvermoeid te arbeiden aan het omwoelen der fundamentsteenen, waarop het huis Gods gebouwd was.

't Was dus in de eerste tijden van de Christelijke Kerk óok niet alles goud wat er blonk.

Wat ook de Jeruzalemsche gemeente, waar de droeve geschiedenis met Ananias en Saflra zich afspeelde, ons wel doet zien. Wat de gemeente van Corinthe, met al die partijschap, die gruwelijke ontuchtigheid en die schandelijke brasserij ons wel luide verkondigt. Wat de namen van Hymenaeus en Demas ons wel vertellen.

Kaf en koren is er gemengd. Kinderen des lichts en kinderen der duisternis wonen saam. Oprechten, en geveinsden worden gedoopt.

En hier in Efeze zien we, dat de Nicolaiten het hoofd omhoog steken; in Smyrna is een gezelschap dat trotsch gaat op hun afstamming van Abraham, maar een synagoge des Satans blijkt te zijn; in Pergamus zijn er die de leering van Balaam hielden, terwijl in Thyatire — om meer niet te noemen — een vrouw Jezabel troont, die een profetesse zegt te zijn, staande tusschen God en het volk, sprekende door den Heiligen Geest, — maar een verkondigster van duivelsche leeringen is.

De Heiland wijst daarop; en Hij, die waakt over Zijn Kerke op aarde en in den hemel bidt voor het aangezichte des Vaders, dat Zijn Gemeente bewaard mag blijven bij de Waarheid naar Gods Woord, Hij zegt het scherp en duidelijk, dat in al die „kwaden" de diepten van Satans boos werk uitkomen, die al die leugenaars in het midden van Gods Kerk wil inbrengen, om de Gemeenten van alle plaatsen listiglijk af te voeren van het pad der Waarheid.,

Dit alles is tot onze leering geschreven.

Neen, het verwondere ons niet, dat in het midden van onze aloude Herv. (Geref.) Kerk vele „kwaden" gevonden worden, die stelselmatig de waarheid naar de Schiiften bestrijden, de fundamenten der Kerk willen loswoelen, de vrienden der waarheid benauwen waar ze kunnen en Christus, den Koning der Kerk, naar de kroon steken.

..Zou Satan dan veranderd.zijn?

Zouden zijne werken hebben opgehouden? Immers neen!

Maar wat wil de Heiland nu bij dat alles Zijne Gemeenten op aarde doen verstaan? De drie u voorgelezen brieven zeggen het ons duidelijk. De Gemeente van Efeze wordt geprezen, omdat zij de kwaden niet konde verdragen; omdat zij de geesten had beproefd of ze uit God waren en zich krachtig tegen de leugenaars verzet had, toen zij bemerkte dat het hun er om te doen was de Gemeente van Christus te berooven en listiglijk te verleiden tot verbodene paden.

„Om Mijns Naams wil", zoo getuigt de Heiland blijde, „hebt gij gearbeid en gij zijt niet moede geworden. Gij haat de werken der Nicolaïeten, welke Ik óok haat."

Dwalingen moeten bestreden worden. Leugenleeringen in al hun schandelijkheden ontdekt. Schoone woorden, vol zoet gevlei, als listen van den duivel aan de kaak gesteld. De kwaden onvermoeid tegengestaan. De boozen beslist uitgedreven.

Van Gemeente tot Gemeente. Alles naar uitwijzen van Gods Woord, om de eere van Christus' heerlijken Naam, in de kracht des Geestes.

En als dat niet geschiedt, bedroeft dat den Heiland, die verhoogd is in de hoogste hemelen, zittende aan de rechterhand Gods, des Vaders.

Als men in Efeze, waar men zoo goed begonnen is, verslapt, dan toornt de Heiland, die Zijn Gemeente lief heeft en de gevaren, die haar bedreigen, kent.

Ja — als men de eerste liefde verlaat, smart dit den Heiland aan het hart.

En wanneer men geheel vertraagt en zondig stil zich zet, om zonder verzet daartegen de leugen en de dwaling als een kanker te laten voort vreten in het midden van de Gemeente, zooals te Pergamus, dan zegt de Heiland tot Zijn Kerk aldaar, dat men het wèl weten moet, dat Hij een tweesnijdend scherp zwaard draagt en haastiglijk zal komen om tegen Zijn Kerk strijd te voeren I

Is hiermede het bestaansrecht van onzen Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de'Waarheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk niet aangewezen?

De Waarheid naar de Schriften wordt in het midden onzer aloude Geref. Kerken van alle kanten aangevallen en bestreden; de fundamentsteenen van het huis des Heeren, door God zelf in dezen lande gebouwd, worden stelselmatig losgewoeld.

Men heeft zich onder bescherming van hooger hand en door gebruik lie maken van allerlei slinksche streken, die voor den rechtbank der historie en voor het gericht onzer kerkelijke belijdenisschriften, niet kunnen bestaan, in het midden van onze Herv. (Geref.) Kerk genesteld, om haar af te voeren van de oude beproefde paden.

Is dan een Vereeniging van Vrienden der Waarheid, tot verbreiding en verdediging van de gereformeerde beginselen in de N«d. Herv. Kerk niet in den lijn van Gods Woord? En worden allen niet streng veroordeeld, die rustig zich neerzetten om, met het zwaard in de scheede en de banier der waarheid opgerold naast zich, „de kwaden" stil te laten woelen en werken?

Neen, het verzet tegen de leugenleeringen en het bestrgden van de dwalingen en het uitbannen van „de kwaden" is niet tegen Gods Woord, waarin ons Gods geopenbaarde wil is gegeven.

Neen, het opkomen voor een gezonde kerkleer en kerkregeering is niet te veroordeelen omdat het allerlei strijd meebrengt. Het pleiten voor rust en vrede, verdraagzaamheid en eensgezindheid heeft geen vat op ons, zoolang „de kwaden" zich gewapend hebben tot de tanden, zoolang de leugenleeraars werken de werken des duivels tot verwoesting van 's Heeren huis. Lees de Bergrede maar — en is het geen striemen van de. leeringen en practijken der Farizeën ?

Lees Paulus' brief aan de Galatiërs maar — en is het geen geeselen van degenen, die de waarheid aan stukken snijden en de geloovigen willen afvoeren tot allerlei weg van menschen ?

Lees Johannes' brieven maar en de epistels van Petrus — en is het geen opwekken om de geesten, die zich uiten in het midden van de Gemeente, te toetsen aan het Woord van God en de kwaden te teekenen en uit te bannen ?

De Profeten hebben den strijd tegen leugenleeraars niet geschuwd.

De mannen Gods van de Oude en van de Nieuwe Bedeeling hebben geen afkeer gehad van strijdschriften, polemieken en krachtig optreden overal, tegen degenen die het volk misleiden en de zielen trachten te verderven. En daarom, we verstaan het niet, dat er zijn, die zeggen de Waarheid lief te hebben en zich dan stille houden in onze dagen.

Of ja — we verstaan het wél.

Ook hierin spant Satan strikken, om in weerwil van Gods duidelijke openbaring in Zijn Woord, vast te zetten op allerlei dwaze eigenzinnige, zondige redeneeringen — die een schoonen schijn kunnen hebben, maar ons de diepten van satan doen zien.

Och, dat onze Herv, Kerk mocht opwaken en een breede schare het zwaard des Geestes, dat is Gods Woord, eens mocht leeren trekken, om te staan tegenover „de kwaden", die zondige leeringen verbreiden en leugenachtige dingen voor waarheid op de markt brengen.

Dat van Gemeente tot Gemeente eens beroering kwam. Dat Kerkeraden en Gemeenten eens als strijdbare helden mochten worden gemaakt. Dat om de wille van Christus' naam, om de wille van Gods Woord, om de wille van der Kerke welvaren van Noord tot Zuid en van Oost tot West eens wapenschouwing mocht worden gehouden.

En dat niet langer gezegd behoefde te worden: het is in de Herv. Kerk zoo droevig stil onder hen, die de Waarheid lief hebben. Want het beeld van den Heiland, aan de Gemeente van Pergamus getoond, doet ons zien, dat Hij een tweesnijdend scherp zwaard draagt.

De Geref, Bond wenscht op te komen voor een gezonde kerkleer en kerkregeering.

Hij wenscht de Waarheid Gods in het midden van de Herv. Kerk te verbreiden en te verdedigen.

Hij wenscht de Gemeenten op te wekken tot den strijd.

Hij wenscht de ambtsdragers te wijzen op den Schriftuurlijken weg.

En het hooge ideaal, de innige bede tegelijk, is en blijft: dat onze Herv. Kerk worde opgericht uit haar diepen val en weer kome te staan als het huis des Heeren, in het midden van ons Vaderland, waar al de broeders en zusters samenwonen, die Christus erkennen als hun Heiland en Koning en voor Gods Woord bukken als de hoogste waarheid.

Neen — te roemen valt hier niet.

Wat klein is onze kracht nog. Wat gering onze arbeid. Wat weinig beteekenend 'tgeen we deden. Wat onbeduidend de kracht en de invloed die van ons uitging.

De Heere verzoene genadiglijk ons tekortkomen en ons zondebedrijf.

Maar onze bede is óok, dat deze dag ons versterke in onzen ijver.

Dat deze dag ons klein getal vermeerdere. En ga, onder den zegen des Heeren, die kracht uit op dezen dag van ons vergaderen, dat velen zich niet langer kunnen en willen terughouden, maar zich bij ons aansluiten. En ons worde duidelijker de weg dien we te bewandelen hebben, opdat van Gemeente tot Gemeente, door gansch ons Vaderland de Waarheid kan worden uiteengezet en verdedigd — opdat de leugen en de dwaling worde bestreden en onze Herv. Kerk weer worde vrij gemaakt van vreemde overheersching en weer kome onder het regiment van Jeaus Christus, Sions Koning, die Zijn Kerke bestuurt met Zijn Woord en met Zijn Geest, tot vrede en blijdschap.

Ik heb gezegd!

Na het uitspreken van dit veelszins uitnemend woord van den Voorzitter en nadat nog gezongen is Psalm 84:3, krijgt Professor Visscher het woord tot het uitspreken van zijn referaat over het door hem aangekondigde onderwerp, dat in zijn geheel aan de leden zal worden toegezonden en waarvan een verslag hier dus overbodig zou zijn. Laten wij dan ook volstaan met te zeggen dat de Voorzitter zeker, het oordeel der gansche vergadering vertolkte, toen hij Prof. Visscher hartelijk dank zegde voor zijn bereidwilligheid om voor ons op te treden en voor de schoone wijze waarop hij ; dit onderwerp voor ons had willen behandelen. De Voorzitter meende echter dat het slechts den indruk kon wegnemen indien op zulk een woord nog wisselen van gedachten volgen zou. Dat was dan ook zeker mede de reden dat zich niemand der aanwezigen daarvoor aanmeldde. Wellicht was dit daarom te betreuren, omdat door het stellen en het beantwoorden van een paar vragen nog beter dan nu had kunnen uitkomen het door en door ongereformeerde van zooveel dat tegenwoordig als extra-Gereformeerd op de theologische markt wordt aangeprezen. Aangezien niemand echter het woord verlaagde werd na het zingen van Psalm 89 : 8 en de aankondiging van een collecte voor het Leerstoelfonds, de morgenvergadering gesloten en ging op verzoek van den Voorzitter Ds. Beekenkamp van Delft ons voor in dank­

De middagvergadering werd ten 2 uur geopend met het zingen van Psalm 25:4 en gebed door Ds. Jongebreur. Na een kort welkomstwoord van den Voorzitter werden door den Secretaris de notulen gelezen, die ongewijzigd werden goedgekeurd. Hierna zijn de jaarverslagen aan de orde. Opdat ook de leden, die niet aanwezig waren, eenig overzicht van den toestand van den Bond zullen erlangen, laten wij het hier bijna geheel volgen:

Jaarverslag

van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk.

Uitgebracht op de vergadering van 19 Februari 1914.

Laat mij mogen beginnen met de mededeeling dat het ledental van den Bond in het afgeloopen jaar niet onbelangrijk gestegen is. Hadden we een vorig jaar het getal 800 bereikt, thans zijn we tot ongeveer 1000 leden geklommen.

Een aanmerkelijk aantal dier nieuwe leden vindt gij in de Prinsenstad, waar nog heel kort geleden een afdeeling van niet minder dan 83 leden werd opgericht. Aan de ijverige bemoeiingen van onzen Voorzitter is het zeker mede te danken dat het in de plaats zijner inwoning, waar het tot hiertoe met den Bond maar niet vlotten wilde, plotseling tot zulk een krachtige organisatie kwam.

Behalve in de goede stad Delft kwamen ook uit andere steden van ons vaderland teekenen die er op wezen dat het zaad van onzen Bond er zijn wortelen geschoten heeft. Immers ook in Vlissingen en Leiden werden trots den machtigen tegenstand dien men er ondervond, nieuwe afdeelingen gesticht, terwijl ook de afdeeling van Middelburg die op onze vorige jaarvergadering nog in windselen lag, in het afgeloopen jaar tot meerdere ontwikkeling gekomen is. Zelfs uit Rotterdam waar de afdeeling een tijdlang schijndood is geweest, kwamen weer de eerste nieuwe levensteekenen tot ons. Laat ons hopen dat het optreden van een onzer Bestuursleden als predikant aldaar, niet zal nalaten ook voor onzen Bond de gewenschte vruchten af te werpen.

Wat de propaganda betreft heeft de „Waarheidsvriend" niet nagelaten onze beginselen ingang te doen vinden in het hart van ons volk. Het aantal abonné's van ons blad is dan ook in het jaar dat heenging weder niet onbelangrijk toegenomen en naast krachtige en niet zelden min-edele bestrijding mag het blad zich ook verheugen in de waardeering van velen. ,

Ook de aanvraag om spreekbeurten begint hoe langer hoe sterker te worden. In enkele gemeenten waar tot hiertoe nimmer voor onzen Bond gesproken werd, werd in dezen winter een spreekbeurt vervuld. Behalve van de afdeelingen te Alphen, Vlissingen, Middelburg, Leiden, Benschop, Nijverdal, Zegveld, Schoonhoven, Feyenoord en Middelharnis-Sommelsdijk — welke laatste afdeeling zich ook in het laatste jaar heeft geconstitueerd — werden op verzoek van de resp. kerkeraden beurten vervuld te Groot-Ammers, Wierden, Bergambacht, Ameide, Monster, Ooltgensplaat, Veenendaal, Wilnis, Hei-en Boeicop, Hoogeveen, Hoornaar, Genemuiden, Gameren, IJselmonde, Ouwerkerk a. d. IJsel, Bodegraven, Krimpen a. d. Lek, Rijssen, Oud-Beierland, Oude Tonge, Leerdam, Leerbroek, Arnemuiden, Warnsveld en Schoonerwoerd, terwijl er alsnog beurten vervuld staan te worden te Giessendam, Poortvliet, Tholen, St. Annaland en waarschijnlijk ook te Harderwijk en te IJtelstein indien voor deze plaatsen althans de gewenschte sprekers beschikbaar zullen blijken. — Immers bij alle bereidwilligheid door reien betoond, blijft het te betreuren dat de keuze van hen die zich voor het vervullen van een dergelijke beurt beschikbaar stellen, betrekkelijk zoo beperkt is. — Behalve door de predikant-Bestuursleden werden we dit jaar geholpen door de broeders Ds. de Bruin, Ds. Broekers, Ds. van der Snoek, Ds. Beekenkamp, Ds. Kraaij, Ds. Zijlstra, Ds. Zandt, Ds. van der Pol, Ds. Benes en Prof. Visscher, terwijl ook Ds. Klomp voor Poortvliet een tweetal, voor zoover wij weten, tot nu toe onvervulde beurten op zich nam. — Aan den dank dien wij deze broeders brengen voegen wij gaarne dezen wensch toe, dat het werk der propaganda ons ook in dezen door steeds meerderen vergemakkelijkt zal worden.

Evenals het vorig jaar kan ook thans weer melding gemaakt van een schrijven door hot Bestuur gericht aan de Algemeene Synode der Ned. Herv. Kerk, inhoudende een verzoek om een z.g.n. verscherping van de proponentsformule, de verklaring der Godsdienstonderwijzers en de belijdenisvragen. Wel werd dit verzoek ook ditmaal weer door de Synode verworpen, maar het feit dat zoovele Kerkeraden er adhaesie aan betuigd hebben, alsmede dat door de Synode zelf thans eene vergadering is uitgeschreven, waarop deze zaak nader besproken zal worden en ook door onzen Voorzitter het woord zal worden gevoerd, is wel een bewijs dat er ook in dezen met ons gerekend wordt en onze arbeid niet geheel en al ijdel is geweest.

Omtrent de handelingen des Bestuurs kan verder worden medegedeeld dat het in de Bestuursvergaderingen een punt van ernstige bespreking is geweest of de tijd reeds gekomen was om aan 'een onzer Rijksuniversiteiten, met name aan die te Utrecht, een Bijzonderen Leerstoel te vestigen in de Gereformeerde Dogmatiek. Die vraag hield mede verband met een bij het Bestuur ingekomen verzoek van een aantal studenten aan de Universiteit te Utrecht om nl. Prof. Dr. H. Visscher mede als buitengewoon Hoogleeraar in genoemd vak aan te stellen. Het Bestuur heeft dan ook gemeend de noodige stappen in deze richting te moeten doen. Reeds werd een reglement tot oprichting van zulk een Leerstoel ter goedkeuring aan H. M. de Koningin aangeboden, en werd een Curatorium benoemd. Het ligt dus in het voornemen van het Bestuur om, zoodra de Koninklijke goedkeuring verkregen zal zijn, met het Leerstoelfonds practisch op te treden, mocht het zijn ten goede van de studeerende jongelingschap en alzoo ook tot zegen van de Kerk, die zij straks zullen dienen.

Zietdaar het voornaamste van den arbeid, dien onze Bond in het afgeloopen jaar heeft verricht. Moge er in de gunste des Heeren een enkele steen door bijgedragen zijn tot den opbouw van de verbroken muren van het Zion Gods.

Na het jaarverslag van den Secretaris, treedt de Penningmeester voor het front, wiens optreden al aanstonds door de vergadering met applaus wordt begroet. Het spreekt wel vanzelf dat verschillende van zijne mededeelingen niet voor publicatie vatbaar zijn. Uit het met humoristische opmerkingen gekruide verslag van den heer Fliehe bleek echter dat men werkelijk gedaan had wat op de vorige vergadering was opgemerkt, n.l. dat men hem waarlijk „in het goud had gezet", ja dat men hem, zooals de Voorzitter het uitdrukte, eenmaal bij de ontvangt van een gift van f 3000 zelfs in papier had gewikkeld. De grondtoon van het finantiëel verslag was dan ook een toon van dank aan den Heere die het ook in het afgeloopen jaar weer zoo duidelijk had betoond dat Zijne is het goud en het zilver. Naast God komt echter zeker aan onzen onwaardeerbaren penningmeester de eer toe dat ons Leerstoelfonds in enkele maanden niet slechts met enkele honderden, maar zelfs met enkele duizenden is vooruitgegaan. Het woord van waardeering en dank dat onze Voorzitter tot den heer Fliehe en zijn trouwe medehelpster Mej. Verbeek richtte was dan ook zeker gegrepen uit het hart van allen wien de arbeid van onzen Bond ter harte gaat.

Inmiddels heeft de Bestuursverkiezing plaats gehad, en blijken de aftredende heeren Duyinaer van Twist, Fliehe en Ds. Boonstra met bijna algemeene stemmen herkozen te zijn. De beide eersten namen, staande de vergadering hunne herbenoeming weer aan, terwijl Ds. Boonstra die alléén de morgenvergadering had bijgewoond en 's middags door ambtsbezigheden verhinderd was bericht van zijne herbenoeming gezonden zou worden. Gelijk wij niet anders verwachtten, is bij het schrijven van dit verslag van Ds. B. reeds bericht ingekomen dat hij in „wat velen een oneere schijnt" gaarne mede wil blijven deelen.

Hierna zijn aan de orde de besprekingen, welke v.n.l. gevoerd werden over het blad „de Waarheidsvriend."

Sommigen opperen het denkbeeld den abonnementsprijs te verlagen, anderen willen dezen verhoogen, weer anderen willen aan sommigen een zekere reductie toestaan, terwijl nog weer anderen spreken over het vormen van een Suppletiefonds en het aanstellen van een colporteur. Ook wordt vooral de nadruk gelegd op het plaatsen van advertenties, welke financieel het blad zeer ten goede zouden komen. De heer Duymaer van Twist spreekt een warm woord voor aanmoediging om het blad toch zooveel mogelijk te verspreiden. Prof. Visscher betoogt dat ons volk leeren moet ook voor de geestelijke spijze iets over te hebben. Hij zou daarom adviseeren de abonnementsprijs in geen geval te verlagen en spreekt verder over het „geestelijk element" in het blad, waaraan hij op aandrang der vergadering nogmaals belooft voortaan mede zijn krachten te zullen wijden. De Voorzitter wijst hierna op de weinige saamhoorigheid die er onder de mannen van Gereformeerde belijdenis bestaat. Hij gelooft, naar het ook ons voorkomt terecht, dat een der redenen waarom ons blad nog niet zooveel abonné's telt als andere gelijksoortige bladen, voornamelijk hierin moet gezocht worden, dat men in andere bladen ook de kerkelijke kwesties heel vromelijk laat rusten en doet alsof deze niet bestaan.

Daartegen nu kan niet ernstig genoeg geprotesteerd worden. Wij gelooven dan ook met den Voorzitter, dat we niet beter kunnen doen dan met vasten tred voort te gaan op den door ons ingeslagen weg, en het zaad onzer beginselen te blijven uitstrooien op de wijze, zooals tot hiertoe geschiedt. Langzamerhand zullen, onder den zegen des Heeren, de oogen van allen die de Waarheid liefhebben, wel opengaan voor de diepe ellende, waarin ons kerkelijk leven verzonken ligt en men zal met ons gaan strijden voor de doorwerking van het machtige beginsel van Gods absolute Souvereiniteit op ieder levensterrein.

Moge daartoe ook de Bondsdag, die weer achter ons ligt, als een middel in de hand des Heeren, het zijne hebben bijgedragen.

Eer wij het wisten was het laat op den middag geworden en weldra moest onze negende algemeene vergadering gesloten worden. Nadat de Voorzitter nog een kort woord van dank gesproken had en de dank der vergadering hem door Prof. Visscher gebracht was voor zijne uitnemende leiding, had de sluiting dan ook plaats door het. zingen van Psalm 65:6 en dankzegging bij monde van Ds. Leenmans van Utrecht.

Bij het uiteengaan stemden zeker allen overeen, dat het ons ook ditmaal goed geweest was in jaarvergadering saam te zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verslag

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 februari 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's