FEUILLETON.
(Nadruk verboden.)
7) In 't licht der historie.
Maar toen deze Willem toonde niet tegen recht en wet en landsbelang in, dienaar te willen zijn, toen zou het uit wezen.
«Geen blijder maar in tachtig jaar", dan de tijding, dat de dood reeds zoo jong het Oranjeoog had gesloten. De „gaaf" in het kerkezakje werd „vergroot" en met blijdschap hernamen de Souvereine Regenten hun machtspositie.
Ze hadden er nog wel een vroom praatje bij. Isrels vrome vaderen hadden immers eveneens slechts in dagen van stryd hunne richteren van God ontvangen? Zeide Gods Woord, waarvoor ze buigen wilden, dat niet duidelijk genoeg?
Desondanks waren er nog — vooral van die „kleyne luyden" — die twijfelden. Welk een onverdacht politiek fortuintje dus, toen Cromwell's eisch op „uitsluiting van Oranje" aandrong.
Niet waar? Men moet zich „ter wille van den vrede een opoffering weten te getroosten" — en dan, zoo berekende Jan de Witt, Hollands wiskunstenaar, de cijfers, „hoe waren de prinsen van Oranje sedert het begin van den opstand reeds beloond voor de diensten den lande bewezen."
Dus — Oranje moest naar vergeten hoekje teruggedrongen en de glorie van de negotie der regenten zou de „gouden eeuw van Frederik Hendrik" met nieuwen gloed doen schitteren.
Totdat? ...
Totdat Gods vinger een ander hoofdstuk schreef in 's lands historieblaên.
Totdat de derde Willem van Oranje het reddelooze land, de radelooze regeering en het redelooze volk door Gods kracht moest behoeden voor den wissen ondergang. En straks het benarde Euroop' de vrijheid en zijn Protestantsch geloof handhaven.
Was de goddelijke les der historie verstaan?
~'t Mocht wat! Nauw vierden de doodsklokken van Westminster den uitvaart van „den stadhouder van Engeland en den koning der Republiek" — neen, wij verschrijven ons niet! — of de burgemeesteren van Amsterdam geloofden zich weer de koningen des lands. Maar ze toonden een weinig koninklijken geest. Koopmanspolitiek vond in Mammondienst het richtsnoer van regeerbeleid, en de tijd van verval trad schielijk in. Zóó snel, dat reeds elf jaren na den dood van den grootsten onzer Oranjeprinsen, die, als een andere Jozua, de Fransche zon in 't midden des hemels had doen stilstaan, ons op eigen erve van den Franschen gezant de smadelijkste bejegening ervoer.
Wat afvalt van den hoogen God, moet vallen. Toch zoeken we de oorzaak van onzen
val niet op verkeerd terrein. Zeker houden de afwijking van de eenvoudige waarheden
des geloofs in de Kerk, de toeneming van weelde en zedenbederf in het volksleven verband met den val onzer eertijds zoo „roemrijke Zeven." Maar die val was toch een
staatkundige val, waarvan de oorzaak in de allereerste plaats moet gezocht in den afval van Gods ordinantiën op het terrein van den Staat. Onze Staat — en zóó werd het in de staatsstukken der 16e en 17e eeuw erkend — was gegrond in gehoorzaamheid aan de Souvereiniteit Gods, in de erkenning van het gezag der Overheid bij de gratie Gods. Droegen niet onze Geuzen hun penning met het randschrift: Getrouw aan den Koning tot den bedelzak toe? Tot den bedelzak? Neen, tot mutserd, en schavot, en galg. En eerst, toen het ten volle duidelijk was, dat de verbreking van den band, die vorst en volk omsloot, niet aan het laatste maar aan den eerste te wijten was, durfde men tot de daad der revolutie voortschrijden.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's