Stichtelijke overdenking.
Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon en het purperen kleed; en Pilatus zeide tot hen:Zie de mensch. Als Hem dan de Overpriesters en de dienaars zagen, riepen zij : zeggende : kruis Hem, kruis Hem. Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden Hem en kruist Hem, want ik vind in Hem geen schuld. De Joden antwoordden hem : wij hebben een wet en naar onze wet moet Hij sterven. Joh. 19 : 5—7a.
Zie de Mensch.
In een versleten soldatenmantel, met een doornenkroon op de slapen en een rietstaf in de hand werd Christus den volke voorgesteld : Zie, de mensch.
Krimpt uw hart niet tezamen? Zelfs de wereldling, die dit ziet, moet zijne oogen afwenden. De Christus een spotkoning.
Eene opmerking zij ons veroorloofd. "Wanneer gij werkelijk plan hadt uw oog af te wenden, om dien menseh niet meer te zien, dan wil ik u dit voorhouden: plaats uw medelijden niet verkeerd, maar vraag eens, hoe en op welke wijs Hij hier staat.
Pilatus begreep het ook niet. Hij meende als Stadhouder de macht te hebben los te kunnen laten of over te geven. Maar de Heere sneed alles af met dit woord: gij zoudt geene macht tegen Mij hebben, indien het u niet van Boven gegeven ware.
Dus hier is een hand van Boven, die deze dingen regelt.
Laat ons nu eens vragen: vanwaar Zijn kroon ? Vanwaar dit purper ? En uit welke oorden die rietstaf? Komen die van Boven?
Ge zult met me zeggen: neen.
Die doornen spreken wel zeer sterk van de aarde. Doorn en distel groeien slechts op het domein van den onttroonden koning, van Adam na zijn val.
Zie, de menseh. Ziet daar uw eigen beeld. Zoo dwaas is nu het schepsel, hij drijft met zich zelven den spot.
De Duivel heeft hem een kroon gevlochten: „ge zult als God zijn", de sierlijkste kroon, welke hij uitdenken kon en zij was de slechtste, die ooit geformeerd kon worden. De doornen dreven Hem het bloed uit de slapen.
Het spotkleed, waarmee hij zich sierde, was het vijgeblad en de scepter, die hij in zijn hand hield, was de roede, waarmee de Duivel hem aandreef ten verderve.
Zie de mensch.
Wat is hij geworden ? Een spotkoning. Wend uw aangezicht niet af, gij die niet weet wat zonde is, want zeo zijt ge nu zelf, welk eene bespotting.
En wend gij uw aangezichte ook niet af, die uw eigen zonde gezien hebt en die daardoor verschrokken zijt, want deze Menseh wordt juist als Borg naar voren geschoven, opdat gij zult zien, opdat het echt worde een indrinken van de waarheid: door Zijne striemen is ons genezing geworden. Hij bespot, opdat gij nooit aan bespotting zoudt worden blootgesteld. Hij Zich buigende onder de doornenkroon, opdat gq zoudt zingen:
Wij steken 't hoofd omhoog
En zullen d' eerkroon dragen.
Hij rood van het bloed, opdat van u zou gelden : rein gewasschen in 't bloed des Lams. Laat het een zinspeling zijn maar toch niet zonder zin. Toen de Heere voor Herodes stond en daar het spotkleed aankreeg was het blinkend wit en toch is het van purper rood.
Denkt ge niet aan het woord van den dichter koning: mijne Liefste is blank en rood en draagt de banier boven tienduizend !
Maar ge vraagt: is Hij wel blank en is Hij wel rood. De proef op de som.
Als Hem dan de overpriesters en de dienaren zagen, riepen zg zeggende: Kruis Hem. Kruis Hem. De rauwe kreet van het kruis: Rood.
En wat stelt Pilatus daar tegenover : neemt gijlieden Hem en kruist Hem, want ik vind in Hem geen schuld : Blank, lelieblank.
't Is zoo van alle zijden onderzocht, of er ook maar één puntje van smet kon ontdekt worden of er ook maar één stipje was te vinden. Maar 't was er niet. Ik vind in Hem geen schuld, is het altijd terugkeerend refrein.
Allen moeten betuigen: geen schuld.
Men heeft de opmerking gemaakt: onder Annas en Kajafas stond Hij voor de kerkelijke rechtbank, onder Herodes voor de koninklijke en onder Pilatus voor de keizerlijke vierschaar en allen lieten Hem vrij uit.
Geen schuld in den mensch. Zelfs de huisvrouw van Pilatus moest de tijding hem zenden: heb toch niet te doen met dezen Rechtvaardige, want ik heb heden veel geleden om Zijnentwil.
Wanneer één feit vaststaat, wanneer één ding geconstateerd is, dan is het dit, dat naast het roode van het kruis staan mag, staan zal het lelieblanke van Zgn heiligheid.
Rood en wit is mijn Liefste. En wat er op volgt: roept het naar alle zijden en draagt het uit naar alle windstreken: de banier boven tienduizend.
Wapper uit, wapper uit met volle banen, rood en wit en vertel het diegenen, die in zichzelve niets vinden dan schuld, dan zonde en aanklacht, dat Hij schuldig is verklaard, tot zonde gemaakt, op alle aanklacht heeft gezwegen.
't Volle kapitaal komt hier ter beschikking van het arme, in zichzelven niets-hebbende volk. Nu mogen ze van de volheid genieten als ze aan de hand des Geestes maar geleid worden tot dezen rijken Christus.
De rechter heeft het uitgeroepen: „ik vind geen schuld in Hem."
Voor doodschuldigen is hier plaats, voor arme zondaren ruimte.
Wat een Borg!
Het kruis heeft Hij gedragen, de schande heeft Hij veracht, opdat verlorenen in zichzelven dekking zouden hebben.
Het is voor Pilatus een raadsel geweest, waarom zij dezen man niet konden vrj laten. De Joden moesten het dan zelf maar weten. Neem gij Hem dan voor uwe rekening — zoo riep hij 't uit.
De Joden geven het antwoord: „Wij hebben een wet en naar onze - wet moet Hij sterven."
Ja juist. Hij moet sterven en nog wel naar de Wet; Maar of zij, die dit zeggen, het verstaan, is een andere zaak. Neen, dit moeten ontglipt hen. Zij meenden, dat Hij als Godslasteraar den dood had verdiend. Maar wilt ge de oorzaak weten: Hij moet als Borg voor Zijn zoo schuldig volk sterven. Het woord, tot den Dooper gericht, gaat nu in vervulling: „Laat nu af, want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen."
Aldus — onderstreep dit, lezer.
Als het Lam Gods moet Hij den kruisdood tegen. Ja, als zoodanig wil Hij den kruisdood ondergaan. Uit zuivere liefde, uit enkel welbehagen heeft Hij Zich onder de Wet gesteld, opdat Hij degenen, die onder de Wet waren, verlossen zoude.
Als ééne zaak me ooit duidelijk is geworden, zoo is het deze, dat het met dezen Borg alleen is te wagen, dat wie Hem tot Koning heeft verkregen, een veilige uittocht en heerlijke intocht is wachtende; daarentegen, wie Hem niet als zoodanig kent, een bange eeuwigheid voor hen staat.
Is dit ééne opmerking, de andere is deze, dat deze Borg met zulk een wonder-groote schat van liefde is begiftigd, dat er geen uitputten aan is.
Wat dichter ge bij dien Heere moogt toeven, wat nauwer bij het kruis ge leeft, wat wonderlijker het u wordt. Als ge hem eens hebt gezien in Zijne glorie, kunt ge uw oog er niet afhouden en ge moet uitroepen: alles wat aan Hem is, is gansch begeerlijk.
Nu is het maar de vraag: hoe kom ik tot Hem? Hoe wordt Hij mijn Borg? Hoe neemt Hij mijn schuld over?
Mogen we 't u eens voorhouden?
Als ge ons tekstvers nog eens voor u wilt nemen, dan ziet ge hier de gang van het werk. Wat bij den Christus hier het laatste zich vertoont, komt bij den zondaar het eerst. Wij hebben een Wet en naar onze Wet moet Hij sterven, zoo luidt het begin. Sinaï begint te rooken en Horeb te schokken. De Wet heeft eene roede in de hand, zij is eene tuchtmeesteresse.
Als een zondaar met zichzelven te doen krijgt, d. w. z, als de Heere Zich in Zijne heiligheid aan hem komt te openbaren, dan krijgt hij met de wet te doen. Deze veroordeelt hem van alle kanten. Op al zijne wegen klinkt hem in de ooren: naar onze wet moet hij sterven.
Wat de overpriesters riepen over den Heere, komt ook over het hoofd van den aan zich zelven ontdekte: kruis hem, kruis hem. Daar is geen ontkomen aan den dood, er is geen ontvlieden van de straf..
Wanneer het hierbij bleef, wat zou het dan schrikkelijk zijnl Maar Gode zij dank, daar is een doorwerking van Gods zijde. Tusschen de sprake der wet klinkt door het lokken des Heeren. Hij neemt den zondaar bij de hand en stelt hem Christus voor, dragende de doornenkroon en het purperen kleed en dan fluistert Hij: zie, de mensch. Daar is Hij nu, uw Middelaar.
Tusschen het kruis Hem, kruis Hem, dat Hem nog in de ooren klinkt, spreekt de Heere: Ik vind in alle degenen, die achter Hem staan, geene schuld.
O lezer, als dat samenvalt, die schuldigverklaarde zondaar voor den vlekkeloos-reine met de doornenkroon op en het purperkleed om, dan is het één zaligheid. Dan daalt de hemel in. Dan wordt geproefd iets van wat de eeuwigheid zal openbaren, als al het volk staan zal romdom het geslachte Lam.
Nu komt het er maar op aan, voor ons persoonlijk, hoe wij staan-tegenover de Wet en de Getuigenis.
Waar de Wet niet is geweest, daar is voor het Evangelie geen plaats. Waar een zondaar is ontdekt, daar is voor den Heere ruimte, anders moet Hij aan het schandhout. Daar is geen ontkomen aan: Hij of wij.
Wij mogen dit doen op verschillende wijze, de een op een weer grovere wijze dan de andere, we dulden Hem toch niet.
Wee degenen, die zich aan Hem stooten en blijven stooten, dan wordt de uiterste hoeksteen des behouds een rotse der ergernis. Zie dat is het tweesnijdende van het Woord, dat is het tweezijdige ook aan den heerlijken Christus. Hier geldt: die gelooft is Hij dierbaar, maar die zich aan het Woord stooten, ongehoorzaam zijnde — ziedaar de verantwoordelijkheid van het schepsel — struikelen over dezen Middelaar ten doode.
'k Heb geen tweede bede op mijn lippen naast deze: bidt den Heere dat Hij uit uw binnenste wegneme alle vijandschap, dat gij 't moogt opgeven met: Heere, ik kan niet langer, ik durf niet verder de levensbaan af te glijden, want het verderf gaapt, dat mijne zonden heeft gedolven.
Dat de Heere u te verstaan geve, de noodiging welke uitgaat van dit woord: zie de mensch.
Hij liet zich tooien met mijn mantel. Hij liet zich omhangen met mijn kleed. De doornenkroon, waarmee Zijn slapen werden doorwond, heb ik gevlochten.
Driewerf zalig, die dit mag belijden. Ziet, dan wordt de heidensche Stadhouder nog een godsgezant, wijzende op uw Middelaar, uw Borg en Koning.
Is bij u niet dan aanklacht, staat ge schuldig tegenover gansch de Wet, Moet ge sterven. Hij is in heel uw weg ingegaan. Op elke aanklacht heeft Hij gezwegen. Hoewel lelieblank heeft Hij zich des doods schuldig laten verklaren, onder de Wet zich nedergebogen, in den dood is Hij ingegaan — voor u.
Ziet dan op Hem. Waag het op Hem, op Zijn werk alleen. Fluister onder biddend opzien:
'k Wil me gansch op Jezus leggen Amen op Zijn wegen zeggen. Blinden leidt Hij in Zijn spoor Als wij zien, dan is 't onveilig, Als wij blind zijn, is Hij heilig In Zijn weg dien Hij verkoor.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's