De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

9 minuten leestijd

Grondbeginsel en leerstelling.

De gewone redeneering der modernen is: het moet ons om de grondstellingen van het Protestantisme, om de grondbeginselen van het Gereformeerde geloof ie doen zijn.

't Gaat niet allereerst om de stellingen die in de belijdenisschriften der Kerk voorkomen. Want die zijn maar zeer gebrekkig en ten deele zelfs foutief.

Dat ligt ook voor de hand.

Want men vergete toch niet, dat de Hervormde beginselen, die door de Kerk der Reformatie tegenover Rome's Kerk werden gesteld, niet aanstonds met de vereischte zorgvuldigheid op de gansche Dogmatiek konden worden toegepast.

De tijdsomstandigheden lieten dat niet toe.

En het licht der wetenschap was toen ook niet zoo helder nog als nu.

Zoodat men er steeds en vast op rekenen moet, dat in de belijdenisschriften der Gereformeerde Kerk, bij een juiste toepassing van de hervormde beginselen, een en ander — ja wel! — moet worden veroordeeld en verworpen als niet gereformeerd....

Zoo spreken de modernen.

En op dat paardje gezeten rijdt men dan... niet in de richting waar onze Geref. vaderen zélf henengingen; men komt er niet toe, om te zeggen: boven de belijdenis staat Gods Woord en nu moet de Gereformeerde Kerk telkens kerkelijk vergaderen om hare belijdenis te toetsen aan Gods Woord en hare belijdenis naar ddt Woord te regelen, te bevestigen, te wijzigen of uit te breiden.

Dèt zou recht gereformeerd zijn.

Maar daar bedanken de modernen voor.

Want zij willen heel die redeneering slechts gebruiken om uit te komen bij dézen weg: de belijdenis is maar menschenwerk en kan gebrekkig zijn — ja, ze is gebrekkig. En omdat ze gebrekkig is, is ze verkeerd. En omdat ze verkeerd is, is ze héél verkeerd. En waar ze héél verkeerd is — want het is het werk van bekrompen, domme, gereformeerde menschen geweest — moeten wij, verlichte moderne menschen er noodzakelijk ónze beginselen tegenover stellen, die veel zuiverder de grondbeginselen van het Protestantisme vertolken dan de kerkelijke belijdenisschriften der 16de eeuw dat doen.

Maar, eilieve! Waar haalt Gij, verlichte moderne .menschen de echte grondbeginselen van het Protestantisme en de zuivere grondbeginselen der Gereformeerde Kerk vandaan?

Aanvaardt Gij Gods Woord?

Of is het soms, dat Gij dlle controle en alle tucht en alle gezag van Gods Woord afschudt en den Heiland de hoogste authoriteit ontzegt, om dan alles haastig en handig onderst boven te redeneeren naar het gedichtsel van eigen verstand ?

Is het soms, dat Gij louter luistert naar de wijsheid van de rede en de resultaten der wetenschap — waarbij het Woord onzes Gods en het Woord van onzen Heiland telkens opzettelijk wordt tot leugen gemaakt ?

Maar dan is Uw beweren, dat Gij de grondstellingen van het Gereformeerd protestantisme beter verstaat dan in onze kerkelijke belijdenisschriften uitkomt, voor ons zonder waarde.

Want dan is Uw grondstelling reeds verkeerd, n.l. Gods Woord op zij te zetten en 't hoogste gezag toe te kennen aan des menschen verstand en de uitspraak der wetenschap.

Dat is alvast zoo ongereformeerd mogelijk.

En daarom, van al Uw schoon beweren, dat onze Geref. Vaderen de grondbeginselen van het gereformeerd protestantisme zoo gebrekkig hebben verstaan en zoo gebrekkig hebben vertolkt in onze kerkelijke belijdenisschriften, terwijl Gij de dingen nu zooveel beter weet en zooveel zuiverder uiteenzet — van al die redeneering trekken we ons weinig aan. Omdat Uw grondstelling zoo geheel foutief is, met verwerping van het gezag der H. Schrift en verwerping van de authoriteit van des Hollands Woord. Wie dat verwerpt, heeft voor óns geen gezag.

Die komt ons voor gelijk te zijn aan de spin, die heel kunstig uit eigen binnenste een sierlijk huis weet te bouwen; dat vele dndere beesten ten val wordt; maar dat ook door een zucht van den wind of een beweging van eens menschenhand uit elkaar getrokken wordt en aan stukken neerhangt.

Eerlijk?

De Modernen spelen een wonderlijk spel. We hebben 3 belijdenis vragen, maar die vragen leggen de moderne predikanten aan hun. leerlingen niet voor.

Waarom niet?

Omdat ze met de belijdenis in die eerste vraag vervat niet instemmen.

Ze zijn het dus niet eens met de belijdenis der Kerk en daarom doen ze ook andere vragen.

Maar... daar loopen ze hoe langs hoemeer mee vast.

Op die vragen wordt nu gelet. En het wordt openbaar, dat het vragen zgn, die niet in geest en hoofdzaak overeenstemmen met de vragen van art. 39 Regl. Godsdienstonderwijs. En dus vragen, die verboden zijn.

Maar wat doen nu de modernen, als ze daarover worden onderhouden?

Wel — ze zeggen eenvoudig: onze vragen stemmen wél in geest en hoofdzaak overeen met de kerkelijke vragen.

Edoch — waarom nemen ze dan de kerkelijke vragen niet liever?

Als ze daarmee toch instemmen wat geest en hoofdzaak betreft, kunnen ze geen consciëntiebezwaar hebben tegen het doen of tegen het beantwoorden van die vragen, niet waar ?

En de eenheid van de belijdende Kerk blijft dan gehandhaafd.

Alle willekeur is dan uitgesloten.

't Is zoo eenvoudig mogelijk.

Ten minste.... als de modernen eerlijk waren.

Maar daar zit 't juist.

Ze zeggen, dat hun vragen in geest en hoofdzaak met de kerkelijke vragen overeenstemmen —. (welke ze dan ook maar moeten stellen, dunkt ons) —doch in werkelijkheid stemmen ze niet in geest en hoofdzaak met' de voorgeschrevene vragen overeen.

Dat is het oneerlijke spel dat de modernen spelen — waarbij hun geknoei hen toch tegen de lamp zal doen loopen, als alles wat rechtzinnig is in deae maar rustig blijft protesteeren en op verandering in onze kerkelijke reglementen aanstuurt.

Oneerlijke menschen moeten eindelijk maar eens onder controle komen en aan hun geknoei moet dan kalm een eind worden gemaakt.

Een Kerken-bond?

Wanneer wij, naar ons gereformeerd beginsel met de Dordtsche Kerke orde spreken van plaatselijke kerken en bijv. met art. 37 van de aloude kerke orde zeggen: „in alle kerken zal een kerkeraad zijn, bestaande uit Dienaren des Woords en Ouderlingen, dewelke tenminste alle weken ééns tesamen komen zullen" — dan behoeft men niet te vreezen, dat we dus van de Gereformeerde kerk van Nederland een bond van plaatselijke kerken willen maken.

Want een~ bond is een lichaam, waarvan men lid wordt als men wil en waarvan men zich losmaakt als het niet meer zint om aangesloten te blijven.

Maar zoo is het in de kerk des Heeren op aarde niet.

Zeker, wij belijden met onze Gereform. Vaderen, dat de Geref. kerk van Nederland opkomt uit de plaatselijke kerken.

Boven de Dordtsche kerken-ordening zetten onze Vaderen : „Kercken ordeninge, gesteldt in den nationalen Synoden, der Gereformeerde Kerken, te zamen beroepen en gehouden door ordre van.... "

En dat had beteekenis.

Dat is echt Bijbelsch, om de kerkvergaderingen zóó te doen zijn, dat de kerken des lands daar saam komen en saam spreken en saam besluiten.

Dat is geen vergissing geweest van onze Geref. Vaderen om zich zóo uit te drukken.

Dat is noch van onze Dordtsche Vaderen noch van Voetius, die zoo sprak, iets independentistisch geweest.

Neen, zoo spraken ze omdat ze aich stelden op Bijbelsch standpunt.

Omdat ze gezonde gereformeerde menschen waren.

Doch niets heeft dit te maken met een soort Kerken-bond.

Want zoo als ieder geloovige in een bepaalde Gemeente schuldig is zich bij de plaatselijke kerk te voegen (art. 28 Ned. Gel. Bel.), evenzoo zijn de plaatselijke kerken schuldig zich kerkelijk als éen lichaam te openbaren in de classis; en de classicale ressorten behooren weer bij elkaar naar de indeeling van de provinciën, gelijk tenslotte die vergaderingen waar vele kerken saam komen weer belijden saam éen lichaam te vormen en zoo in Generale Synode elkaar ontmoeten. Wij handhaven dus de autonomie der plaatselijke kerken — maar daarin ligt opgesloten — juist omdat het kerken zijn — dat de plaatselijke kerken leden zijn van een en hetzelfde lichaam.

De Kerk is een organisme.

't Is éen planting.

En juist omdat ze saam èen Heere en éen wet hebben, is ieder lid afzonderlijk, — maar zijn ze saam op 't innigst aan elkaar verbonden.

Ieder heeft z'n eigen staat. Maar ze kunnen niet zonder elkaar. Saam hebben ze éen leren, éen belijdenis, éen roeping.

En te verstaan, dat ze daarin elkanders leden zijn, is het heerlijk voorrecht dat God Zijn Kerk op aarde geven wil. Zoo zijn zè onderscheiden. ,

De Kerk van Amsterdam is de Kerk van Nieuw-Amsterdam niet.

De Kerken van Zuid-Holland vormen een anderen groep dan die van Limburg.

Maar al de Kerken in Nederland, die Jezus Christus als het Hoofd der Gemeente erkennen en Gods Woord eeren als hoogste wet voor leer en leven, behooren bij elkander.

En zoo behooren de Kerken van één classis in classicale vergadering saam te komen en de classes vinden weer in de Provinciale synode de eenheidsband en al de Kerken saam komen op de Generale Synode bij elkaar, waar gezien wordt de wondere en schoone orde, die God gewild heeft voor Zijn Kerk op aarde, voor Zijn Kerk in éen bepaald land.

't Is dan ook van ouds zóo geweest: de plaatselijke Kerk wordt geregeerd door den Kerke-raad, zijnde de Dienaren des Woords en de Ouderlingen; de plaatselijke Kerken vaardigden een Bedienaar des Woords en een Ouderling af naar de classicale vergadering, welke ambtsdragers daar de plaatselijke Kerk vertegenwoordigden; op dezelfde wijze werden in eene provincie door de verschillende classicale vergaderingen 2 bedienaren des Woords en 2 Ouderlingen afgevaardigd, die de Provinciale Synode vormden; en eindelijk werd door afvaardiging van 2 bedienaren des Woords en 2 Ouderlingen door iedere Provinciale Synode de Nationale Synode gevormd.

De classicale vergadering had dan de Kerken in de classis te regeeren, de Provinciale Synode had dan 't zelfde te zeggen over de classis, als de classis over den Kerkeraad; en de Nationale Synode had 't zelfde te zeggen over de Provinciale Synode als deze over de classis.

Dèt is de presbyteriale organisatie, waarbij het ambt tot z'n voile recht komt en, naar de ordening van Christus, de Kerk kan worden geregeerd en opgebouwd.

Vroeger en nu.

Vroeger was in onze Gereformeerde Kerk het kerkverband en de kerken-orde om zooveel mogelijk in den weg naar Gods Woord door middel van de kerkelijke vergaderingen de belijdenis der Kerk zuiver te houden, te handhaven en te verdedigen.

Maar nu is de Bestuursorganisatie en zijn de kerkelijke reglementen er, om zooveel mogelijk de belijdenis af te' breken en dood te maken.

Of korter gezegd:

Vroeger handhaafde men het verband om de belijdenis; thans laat men, om het verband te kunnen handhaven, de belijdenis los.

Daar moet verandering in komen.

Het moet weer om de belijdenis der Kerk gaan.

En onze kerkelijke vergaderingen moeten weer komen om die belijdenis in den weg naar Gods Woord zooveel mogelijk zuiver te houden, te handhaven en zoo noodig uit te breiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 maart 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's