Uit het kerkelijk leven.
De vergadering van 16 April a. s.
Zooveel is nu wel zeker, dat de sprekers, die 16 April in den Haag het woord zullen voeren niet voor stoelen en banken behoeven te staan!
Want méér dan 1500 afgevaardigden zijn er zéker. En daarbij mogen predikanten en ouderlingen van gereformeerde richting niet ontbreken.
Zeker! wij hebben óok onze bezwaren gehad en we hebben ze nóg. Maar dat mag geen oorzaak wezen, dat we ons in deze onttrekken. Hoe meer we de werkelijkheid van ons kerkelijk leven onder de oogen zien en er mee in aanraking komen hoe beter het ten slotte zijn zal. Er moet toch vroeg of laat een oplossing komen. En nu is onze Herv. Kerk een belijdende Kerk, die hare belijdenis ook heeft uitgesproken — allen die daarin éen zich voelen, moeten naar den Haag, om dat belijdend karakter der Kerk te verdedigen en te handhaven.
Laten we éen zijn, zooveel dat mogelijk is. Het woord van Mordechaï aan Esther kan ons wat leeren. Die zei: , beeld u niet in, in uwe ziel, dat gij zult ontkomen in het huis des Konings, méér dan al de andere Joden".
Zoo is 't ook met óns allen, — wie we ook zijn, — die willen vasthouden aan de belijdenis.
We zullen er allen aan moeten, als het vrijzinnig element triomfeert; de éen even goed als de ander.
En als wij nu niet getuigen en saam optrekken — dan zullen wij omkomen — terwijl dan ook het volgende woord van Mordechaï op ons toepasselijk is: „indien gij eenigszins zwijgen zult te dezer tijd, zoo zal den Joden verkwikking en verlossing uit eene andere plaats ontstaan, maar gij en uws vaders huis zult omkomen".
Dan zal de Heere het zónder ons doen.
En Gods volk zal verkwikt en vertroost worden — maar niet in onze Hervormde Kerk.
Dan zal een andere haar plaats innemen. Laat ons daarom opgaan ter plaatse waar te getuigen is.
Laat ons ééndrachtelijk opgaan.
Laat ons biddend opgaan, in diepe afhankelijkheid van Hem, die alle dingen bestuurt. En waar we dan alles verbeurd hebben, daar zij de Heere ons genadig om Zijns Naams en Zijns Verbonds wille!
Dr. Niemeyer van Bolsward (modern) publiceerde reeds den gang van gedachten van zijn te houden referaat. Hij zal betoogen :
Het komt in het Christendom boven alles aan op den toestand van het hart. Een leerstellige overtuiging heeft niet de grootste waarde, maar waarde heeft zij toch wel; wat zij inhoudt is van invloed.
Verscheidenheid is blijkbaar door God gewild, en moet als teeken van leven worden geëerbiedigd en gewaardeerd.
De Kerk moet allermeest aandacht schenken aan de gezindheid van haar lidmaten, godsdienstonderwijzers en predikanten, maar kan ook hun leerstellige overtuiging niet als een onverschillige zaak behandelen.
Het spreekt vanzelf, dat zij van hen in beide opzichten een verklaring vraagt.
De thans daaromtrent geldende bepalingen zyn niet beslist af te keuren, maar eenige wgziging is toch wenschelijk.
Ds. van Grieken van Delft zal naar het volgende schema spreken:
Om recht en waarheid,
1. Geen Kerk zonder belijdenis,
l. De Ned. Herv. Kerk sprak haar belijdenis uit in de 3 Formulieren van Eenigheid.
3. De Ned. Herv. Kerk van 1816 is dezelfde als die van 1618.
4. De Ned. Herv. Kerk is in 1816 niet ingericht op het samenwonen van de meest verschillende richtingen.
5. Sinds 1816 heeft men in de Ned. Herv. Kerk wederrechtelijk véél gedaan om de belijdenis der Kerk, neergelegd in de aangenomen Formulieren, weg te doezelen en dat .onwaarachtig geschipper" komt niet 't minst uit in de wijzigingen die werden aangebracht in de proponentsformule en de belijdenis-
6. Het is een zaak van recht en waarheid, wanneer de proponentsformule verscherpt wordt en de belijdenisvragen zóo worden gesteld en het gebruik daarvan zóo wordt omschreven, dat duidelijk uitkomt, dat de Ned. Herv. Kerk een belijdende Kerk is en prijs stelt op de éénheid der Kerk.
7. Bij onze Herv. Kerk hoort een andere organisatie dan die we nu hebben.
Men protesteert.
Van twee kanten heeft ons sphrijven over de organisatie van 1816 protest uitgelokt — terwijl anderen het met sympathie over namen.
Ds. Bloem van Chaam in „de Geref. Kerk" en Prof. Goossen in het niet-officieel gedeelte van de Kerkelijke Courant deden dat woord van protest hooren. En hun protest was scherp, hatelijk zelfs — evenwel zonder weerlegging van onze woorden.
We willen geen breed woord van verweer schrijven, daar we in onze stukken „het recht der modernen" gelegenheid te over hebben om op deze zaak terug te komen.
Maar laat ons toch dit mogen zeggen:
Ds. Bloem van Chaam bewijst, dat hij ons betoog niet begrepen heeft. Heel het type van de organisatie van 1816 is: om ongemerkt, met behoud van de oude namen nieuwe dingen in te voeren. Bewijs óok het Regl. op de Kerkeraden. En die nieuwe dingen zouden dan de oude leer ongemerkt om hals brengen. — Dat is voor ons zoo duidelijk als glas, te meer nog nu we ter plaatse al de stukken van 1816 nog eens nagesnuflfeld hebben. Voor ons blijft blz. 92 van de acta van 1817 typeerend voor héél het gedoe van de mannen van 1816! En wat Prof. Goossen betreft (13 Febr. 1914 Kerkelijke Courant): zijn redeneering bewijst juist schitterend wat wij schreven.
Want zijn redeneering komt eigenlijk hier op neer: in 1816 zei men dat zoo wel op de manier van vroeger, maar men bedoelde het zoo niet. Men sprak wel van de leer der formulieren die naar Gods Woord was, maar men voelde toch wel, dat het niet alles naar Gods Woord was. Men legde wel een band en men bepaalde wel een grens, maar men wist wel dat men dien band toch eigenlijk niet kon gebruiken en dien grens toch eigenlijk niet kon stellen.
En ziet, dat is een bewijs voor onze redeneering.
Het liberalisme van 1816 zei wat hét niet meende.
En zich schikkende in woorden en termen naar de meening des volks was de heimelijke toeleg om de oude leer weg te krijgen.
Men verzekerde plechtig: we zullen niet dulden dat de formulieren worden weggedaan.
En tegelijk sprak men naar den anderen kant zich wendend: je begrijpt toch, dat we die oude dingen niet meer nemen zooals die ketterjagers van 1618!
De Janus-kop.
En noem dat nu maar eerlijk. 't Zij zoo!
Het recht der Modernen in de Herv. Kerk. IX.
In 1816 is dus wat Kerkvorm betreft een groote verandering gekomen, — we komen daar later nog wel op terug.
Maar wat de Kerkleer betreft bleef het wat het was. Men nam eenvoudig over wat er sedert 1618—'19 geweest was.
De Dordtsche Kerke-orde van 1619 zette men op stal.
Maar de drie Formulieren van Eenigheid zette men in een heilig huisje en het zou niet behoorlijk zijn met kwade bedoelingen de vingers daarnaar uit te strekken!
Neem het Reglement op het Examen en de toelating tot het Leeraarsambt in de Hervormd Kerk (goedgekeurd bij Kon. Besluit van 30 Juli 1816 No. 1). Art. 21 geeft „de onderwerpen ran het examen", en onder letter c. staat dan „de leerstellige godgeleerdheid en derzelver geschiedenis". Waarbij dan staat aan ge teekend „In het vak der leerstellige godgeleerdheid zal voornamelijk ondervraagd worden over alle de kenmerkende leerstukken van het Nederlandsch Hervormd-Kerkgenootschap."
(Tusschen twee haakjes zij vermeld, dat die naam Hervormd-Kerkgenootschap afkomstig is van het Departement voor de zaken der Herv. Kerk!)
En wat dan de leer van de Herv. Kerk was kunnen we vinden in art. 28 van dit Regl. Want daar lezen we:
„De geëxamineerde zal verpligt zijn, de navolgende verklaring en belofte af te leggen en met zijne onderteekening te bekrachtigen:
„Wij ondergeschrevenen door het Provinciaal Kerkbestuur van .... (of door de Comm. tot de zaken der Waalsche Kerken) tot den openbaren predikdienst in de Nederlandsche Hervormde Kerk, geadmitteerd, verklaren bij deze opregtelijk: dat wij de belangen, zoo van het Christendom in het algemeen, als van het Nederlandsche Hervormde Kerkgenootschap in het bijzonder, door leer en wandel, zorgvuldig zullen behartigen; dat - wi] de leer, welke, overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomene formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk is vervat, ter goeder trouwe aannemen en hartelijk gelooven; dat wij dezelve naarstig zullen leeren en handhaven en dat wij op de bevordering van godsdienstige kennis, christelijke zeden, orde en eendragt ons met allen ijver zullen toeleggen; verbindende wij ons, bij deze onze handteekening, tot al het voorgeschrevene, en om, zoo wij bevonden worden tegen eenig gedeelte van deze verklaring en belofte gehandeld te hebben, deswegens ons te zullen onderwerpen aan de uitspraken der bevoegde kerkelijke vergaderingen."
Na dit art. 28 volgde dan art. 29 nog, daarin stond:
„De geëxamineerde zal hierop met gepaste aanspraak door den President, tot den predikdienst toegelaten en aan denzelven afgegeven worden het navolgende getuigschrift " met dit slot: „Hebbende dezelve den, bij art. 27 van het Reglement op het examen gevorderden solemnelen eed gedaan, alsmede verklaring van overeenstemming met de leer, welke overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomene formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk vervat is; plegtig afgelegd en onderteekend".
Terwijl dan nog waarborgen waren geomen, dat de proponenten, alvorens de gemeente in te gaan niet intusschen zouden kunnen veranderen van „leer", want in art. 35 stond:
„De kandidaat beroepen zijnde, zal, om te kunnen toegelaten worden tot den den dienst der gemeente, waar hij beroepen is bij handteekening verklaren, bij zijne vorige onderteekende verklaring en belofte (zie art. 28) opregtelijk te persisteren".
Wil men nu nog meer bewijs dat onze Herv. Kerk in 1816 een belijdende Kerk was en bleef?
Eigenlijk is het toch niet noodig, zouden we zeggen.
Want van de drogredeneering, dat in 1816 „de leer" afgeschaft is; en dat de Herv. een „andere" Kerk geworden is dan zij in 1618 was; en dat de Herv. Kerk is ingericht op het „samenwonen van de meest verschillende richtingen"; en dat in 1816 „alles overgelaten werd aan de persoonlijke overtuiging van ieder" — al die redeneeringen hebben geen schaduw van waarheid voor ons.
Maar wil men nóg meer?
Welnu, dan zullen we ook het Reglement op het Godsdienstig onderwijs in de Nederlandsche Hervormde Kerk (goedgekeurd bij Kon. Besluit van 30 July No. 1, geteekend door den seer. en adviseur bij het Departement voor de zaken der Herv. Kerk, Janssen) even opslaan.
Daar vinden we o.a. in art. 22 de verklaring voor de Godsdienstonderwijzers.
Er staat: „Niemand zal eene acte, tot het geven van Godsdienstig-onderwijs kunnen bekomen, dan die door het Klassikaal-Moderamen, ten minsten met twee derden der stemmen, is goedgekeurd, en na déze verklaring te hebben onderteekend:
„Wij ondergeteekenden, bij het Klassikaal Bestuur van geëxamineerd en toegelaten tot het Godsdienstig-onderwijs, verklaren in goeden gemoede, de leer, welke overeenkomst Gods heilig woord, vervat is in de Formuliere van Eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk, hartelijk te omhelzen, belovende deze bij ons onderwijs, getrouwelijk te zullen leere enz. enz." In art. 23 stond dan bovendien nog:
„Na het onderteekenen van deze verklaring en belofte stelt het Klassikaal Bestuur aan den geëxamineerden de volgende acte van admissie ter hand enz."
En om nu voor 't oogenblik te besluiten, schreven we art. 43 van hetzelfde Reglement even af. Daar lezen we:
„De bevestiging van Ledematen zal van nu aan overal in het openbaar moeten geschieden en dezelve zal daarin bestaan, dat de Predikant of éen der Predikanten, in tegenwoordigheid der gemeente, van den predikstoel de navolgende vragen aan de aangenomenen voorstelle:
1e. of zij van harte gelooven de leer, die zij hebben beleden;
2e. of zij ook voorgenomen hebben bij deze leer, door Gods genade, te blijven, de zonden te verzaken en een christelijk leven te leiden;
3e. of zij zich onderwerpen aan het kerkelijk opzigt, en in geval zij zich mogen misgaan aan de kerkelijke tucht?
Waarop de bevestiging zelve plegtiglijk en met gepaste aanspraken geschiedt."
Ons dunkt èn de proponentsformule èn de verklaring van den godsdienstonderwijzer èn de belijdenisvragen van 1816 zeggen nog al wat!
Maar niet veel goeds voor de Modernen.
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 maart 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 maart 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's