Stichtelijke overdenking.
Jezus nu, ziende zijne moeder en den discipel, dien hij liefhad, daarbij staande, zeide tot Zijne moeder; Vrouw! zie uw zoon enz. Joh. 19 : 26, 27.
Een band, bij het kruis gelegd.
De zonde van Sion is de verklaring van Christus' lijden en sterven.
Neem Sions zonde weg — en Jezug had niet behoeven te lijden.
Maar Christus in Zijn lijden en sterven is dan ook de verklaring van Sions hoop en blijdschap.
Want neem Jezus' lijden weg en Sion heeft geen troost en geen verwachting.
Ja — Gods zondig volk is verbonden geworden aan Jezus. En Hij heeft voor hen geleden.
Maar nu is Sion ook in Christus gerechtvaardigd en vindt in Zijn opstanding het leven.
Dat is naar Gods ordinantie. Dat is naar Gods eeuwig voornemen, vol ontfermen en genade.
Hg heeft de Zijnen uitverkoren en met de banden der verkiezing Sion vastgemaakt aan Jezus.
Zoo is de Zoon aan de uitverkorenen gegeven en de uitverkorenen aan Hem.
Naar Gods genadeverbond is het alzoo geschied.
En die banden des Verbonds hebben den Zoon in verbondsverhouding gebracht met een arm, ellendig, in zichzelf verloren zondaarsvolk, in welk Verbond de Zoon is in gegaan, zeggende: „Zie, Ik kom om Uwen wil te doen, o God!"
Zoo is het kruis te verklaren.
En zoo is het kruis het middelpunt van alles voor Christus' Kerk op aarde. Daarom was het niet goed van Petrus, dat hij niet aan wil de aan den weg van lijden, toen Jezus er van sprak.
Petrus had toen geen recht gezicht op het Lam Gods, dat de zonde der wereld op Zich had genomen, om verzoening aan te brengen. En daarom moesten Johannes en Jacobus ook nog leeren, om éérst het oog op het kruis te slaan, alvorens zij mochten hopen op een eeuwig, zalig leven; alvorens zj het oog sloegen op eere en heerlijkheid.
Tot het kruis moeten we leeren komen en dat kruis moeten we leeren verstaan tot gerechtigheid en leven.
Daarom was het niet kwaad van de vriendinnen van Jezus, dat ze Hem volgden en in de nabijheid van het kruis zich opstelden.' Zij deden beter door dicht bij Hem te blijven dan Judas. die. van Hem was heengegaan; ook beter dan Petrus, die, onder de vijanden van Jezus zich scharend, niet weten wilde dat hij bij Jezus behoorde.
De vrouwen schamen zich niet. Ze willen het best weten, dat Hij, die daar hing tusschen twee moordenaren, als een misdadiger tusschen misdadigers, een Vriend van hen is.
En in Maria, de moeder van Jezus, zien we, dat zij niet tevergeefs bij het kruis staat.
Óf zij een recht gezicht op het kruis had?
Ach neen. Zij zal, evenals de anderen, niet het rechte verstaan hebben van 't geen de Heiland deed, bezig zijnde in de dingen Zijns Vaders, om verzoening te werken voor Zijn volk.
't Zal wel meer een gevoel van smart en een gevoel van innige liefde voor Hem geweest zijn, dat haar deed volgen naar Golgotha en dat haar deed staan bij het kruis. 't Was nu het oogenblik, dat de profetie van den grijzen Simeon in vervulling ging en eep zwaard door haar hart werd gestoken. Maar ook zóo zal er kracht van het kruis voor haar uitgaan.
Want zien we in Maria en Johannes — die van de discipelen de eenige is die ons genoemd wordt als staande bij het kruis — zien we in hen de smart, die opziet tot het kruis, in het woord van den Heiland: „Vrouw, zie uw zoon", wordt ons gewezen op den zegen, die afdaalt van het kruis.
Jezus ziet Zijn moeder. En Jezus gedenkt haar in haar smart, in haar eenzaamheid, in haar hulpeloosheid.
Hoe hoog Zijn eigen smartlijden gaat; hoe zeer Hij zich eenzaam en verlaten weet; hoe helder Hij Zich bewust is den dood te moeten ingaan en in het graf te moeten nederdalen, nochtans voelt Hij mee met Zijn moeder, peilt haar smart, gedenkt haar moeilijke positie, om dan liefderijk haar te hulp te komen en voor haar een weg te banen, waarop het licht vroolijk zal schijnen en de liefde eens zoons haar zal troosten en sterken. Neen — met Zijn handen kan Hij niet meer te hulpe komen. Die zijn vastgenageld aan den schandpaal. Maar Zijn harte is over haar vol ontfermen bewogen en met zorgende liefde zegt Hij tot haar: „In Johannes zult gij voortaan een zoon hebben"; ook aan Johannes Zijn bevelen gevend, zeggende: „Johannes, wees gij haar tot een verzorger."
Wat ook door beiden verstaan en dankbaar aanvaard wordt, want we lezen: „ En van die ure nam haar de discipel in zijn huis."
Wat liefdevol zorgt de Heiland voor de Zijnen! Hij kent hen en weet onder welke omstandigheden ze verkeeren en wat ze van noode hebben. Hij is de goede Herder die voor héél de kudde zorgt en alle de schapen bij name kent, om aan een ieder te geven wat goed en noodig is.
Verlaten zijnde van menschen zijn ze toch niet verlaten van God. Beroofd zijnde van alles staan ze toch niet onverzorgd, want de Heere kent aller weg. En de belofte ligt er: „Ik zal u niet verlaten."
O! leefde Gods kind maar meer in dat geloof en ware de ziele maar meer vervuld met een kinderlijk vertrouwen en met een goed toevoorzicht op God! Want beter dan een moeder zorgt voor haar kinderen, weet de Heere de Zijnen te lei^ien, te bewaren, te verzorgen en te troosten.
En het blijkt dan ook telkens dat Sion een God heeft die Zijn volk bemint en het goede zoekt voor Zijn erfdeel.
Ja, zóo rijk is Gods kind, wanneer hij een goed vertrouwen op den Heere mag hebben, dat in Zondag 10 van den Heidelb. Catechismus het antwoord gegeven wordt: „de voorzienigheid Gods' is van dien aard, dat wij" in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, wat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijne liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzóo in Zijne hand zijn, dat zij tegen Zijnen wil zich noch roeren noch bewegen kunnen." De smart ziet nooit tevergeefs op tot den Heiland.
Dan daalt zegening neder.
En Hij geeft die zegening door een band te leggen tusschen Maria en Johannes, alsook tusschen Johannes en Maria.
Zoo krijgen we: de smart, die opziet naar het kruis.
Dan: de zegening, die afdaalt van het kruis. Vervolgens: de band, die gelegd wordt bij het kruis.
Dat laatste heeft óok beteekenis.
Het is voor den Heiland, die vol barmhartigheid is, niet onverschillig bij wien Zijn moeder in huis komt.
Hij beschikt het zóo, dat zij in het huis van den geliefden discipel Johannes wordt opgenomen, om daar te blijven tot haar dood toe.
Die Hem het meest liefhadden, die brengt Hij bij elkaar.
Dèar waar Hij wordt aangebeden, dèar is de beste woning voor Zijn moeder.
Die, die waarlijk éen zijn in Christus, die passen het best bij elkaar.
Hier is Jezus de barmhartige Hoogepriester, die de Zijnen kent en medelijden met hen heeft.
Hij is het die de gebrokenen heelt, de bedroefden troost, de eenzamen opzoekt, de armen verzadigt, de kranken laaft.
En Hij doet het zóo, dat zij dan de nabijheid Gods ervaren en in Hem het hoogste goed vinden. '
Zoo moet ook de gemeente van Christus zich leeren ontfermen over degenen die eenzaam en verlaten zijn, over de verlorenen en de gevallenen, over de armen en de kranken.
Het kruis is het teeken van barmhartigheid.
Dat kruis moet ons barmhartigheid leeren.
En de smart, die naar dat kruis opziet, moet ervaren dat er zegening van dat kruis afdaalt.
Die het kruis leert kennen, wordt met een warm hart tot barmhartigheid bewogen.
Die leert van die ure af aan zich ontfermen over anderen.
En dan wordt de barmhartigheid hierin openbaar, dat een band gelegd wordt tusschen het verlorene en den Christus Gods, die als een Lam de zonde der wereld gedragen heeft en door Zijn bloed verzoening heeft aangebracht.
Barmhartigheid te bewijzen zonder kennis aan het kruis en zonder tot het kruis te brengen is geen barmhartigheid die tot zegening zal zijn.
Want dan blijft het ware beginsel aan die barmhartigheid ontbreken en dan kan de barmhartigheid niet geven wat het voornaamste is.
Neen, het is niet onverschillig hoe geëvangeliseerd wordt; hoe de kranken worden verzorgd; hoe de weezen en ouden van dagen onder dak worden gebracht.
't Moet al verband houden met den Christus Gods.
't Moet al geschieden met kennis van het kruis van Golgotha.
O! dat alle arbeid van barmhartigheid eens het kruis als middelpunt mocht hebben.
En dat alles eens op z'n plaats gezet mocht worden, naar uitwijzen van hetgeen het kruis ons leert.
De schikkingen bij het kruis door den Heiland gemaakt zijn ons tot een exempel.
Daarom is dat ook de ware familie, die in het midden van Gods Kerk Christus mag kennen in Zijn verzoenend lijden en sterven.
En daarom is in die Kerk des Heeren ook het terrein, vanwaar alle arbeid der liefde en der barmhartigheid moet uitgaan.
Hoe meer die geestelijke familie dan ook maar leven mag uit Christus, hoe meer uit het midden der Kerk een geest van liefde en barmhartigheid zal openbaar worden — en het gebrokene geheeld, het verlorene gezocht en het weggedrevene terecht gebracht zal worden, door het vermelden van Gods barmhartigheid in Christus geopenbaard.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's