Afdeelingsverslagen.
FEYENOORD, 6 Maart 1914. Op bovengenoemden datum hield de Ned. Herv. Schoolvereeniging op Geref. grondslag een huishoudelijke vergadering in het lokaal Nijverheidstraat no. 54.
Te 8 ure nam. wordt de vergadering geopend door den voorzitter N. C. van Noorloos. Hij heet de nog niet talrijk opgekomenen hartelijk welkom en hoopt, met het oog op den tijd, dat nog vele leden zullen nakomen.
Nadat is gezongen Psalm 68 vers 11 en gelezen is Prediker 5, gaat de voorzitter voor in het gebed. De notulen der vorige vergadering worden daarna voorgelezen en na een kleine opmerking van J. de Ruiter, goedgekeurd. Thans verzoekt de voorzitter een oogenblik de aandacht der vergadering voor zijne te houden rede, »Doe recht!«
Geachte vergadering. Het opkomen voor ons recht kan niet alleen geoorloofd zijn, maar kan ook plicht wezen. Wel leert ons de H. S. liever schade te lijden, dan dat men in tweedracht met zijn broeder leeft; doch wanneer wij als burgers van eenzelfden Staat, de een boven den ander worden gesteld en daardoor het Evangelie in zijn loop gestuit of gelasterd wordt, dan mogen, neen, dan moeten wij voor ons recht opkomen. Dat zien wij ook aan den Apostel Paulus, Hand. 16 vers 31, die, nadat hij gegeeseld en in de gevangenis geworpen was en men hem daarna weder heimelijk uit de gevangenis wilde leiden, zich beriep op zijn burgerrecht, zoo is het ook onze plicht voor ons recht op te komen inzake het Christelijk Onderwijs. Hoeveel onrecht is ons al niet aangedaan en nog meer den vrijen loop van het Evangelie op het schoolgebied. Als wij de geschiedenis nagaan, dan leeren wij daaruit dat het recht om onze kinderen op de school in de vreeze des Heeren op te voeden ons van hoogerhand ontnomen is.
In den bloeitijd van onze Ned. Herv. Kerk ging ook het onderwijs van haar uit. Het toezicht op het onderwijs berustte bij de ambtdragers der Kerk. Doch de belijdenis onzer Ned. Herv. Kerk ging plaats maken voor de dwaalleer, die zij door de voordeur had uitgezet en door de achterdeur binnen liet. Zij werd en is nog een huis dat tegen zichzelf verdeeld is. Tegelijk met haar verval zonk ook ons volk en wel zoo diep, dat het van een revolutie zijn heil verwachtte.
Had de Heere het niet verhoed, ons volk zou geheel ten onder zijn gegaan. Na de revolutie mocht ons volk zich weer verheugen in een onafhankelijk bestaan; de Franschen waren uit ons land verdreven maair niet hun beginselen. Onze Kerk werd eene Synode opgelegd die tegen des Heeren Woord inging. Het onderwijs werd tot Staatszaak gemaakt en aan de Kerk onttrokken. Er werd niet tegen geprotesteerd; wel verhief men zijn stem tegen de Synode, maar dat het onderwijs tot een Staatszaak was gemaakt, daarover zweeg men.
De Regeering meende het immers zoo goed, zij zou door middel der school heel ons volk Protestanticeeren, de Roomschen moesten de vragen uit onzen Catechismus beantwoorden, waaronder ook deze begrepen was: Wat is het onderscheid tusschen het Nachtmaal des Heeren en de Paapsche mis?
Dit had niet de uitwerking die men er van verwachtte, het doel heiligt de middelen niet! Nu zag men het in dat men door dwang niets tot stand kon brengen. De Roomschen bleven protesteeren, wat tengevolge had, dat de grondwet werd herzien, doch het onderwijs bleef Staatszaak en om de Roomschen e believen werd de Godsdienst uit de school geweerd. Wel moesten de kinderen in alle Christelijke deugden worden onderwezen, doch Jezus mocht niet genoemd worden, zelfs werd een onderwijzer ontslagen, omdat hij aan het einde van het gebed "om Uwen lieven Zoon Jezus* had gezegd. Deed men onrecht tegenover de Kerken, nog meer onrecht deed men het Geref. volksdeel aan.
Wel werd in de Grondwet van 1848 het oprichten van vrije scholen toegestaan, doch geheel op eigene kosten. Toch bloeide het Christelijk onderwijs onder den druk zoo, dat in 1878 Minister van Cappijnevan Capello nogmaals de wet op het onderwijs verscherpte waardoor de vrije school ten doode was opgeschreven. Was de Bijbel op de openbare school in 1857 verbannen, ook bij de wet van 1878 bleef hij een verboden boek. Bovendien werd bepaald, dat overal eene openbare school moest aanwezig zijn al waren er ook maar 20 leerlingen. Door dit besluit kon de wet wegens den financieelen toestand de eerste jaren niet uitgevoerd worden. Wat is thans de druk verlicht door subsidie van enkele Christelijke Ministeries, doch zoolang er geen gelijkstelling is, mogen wij niet rusten voordat ons recht is gedaan.
Thans worden de arme Gereform. het meeste gedrukt, niet de Roomschen, maar wij die de Geref. beginselen zijn toegedaan en onbemiddeld zijnde, genoodzaakt worden onze kinderen naar de openbare school te sturen, die school, waaraan alle burgers moeten betalen en waarin het Socialisme haar hoogtij viert. Geve God dat het spoedig anders worde en dat de Regeerings-Commissie in haar eindrapport eenparig mogen adviseeren: gelijke rechten voor de Bijzondere en Openbare Scholen.
Dat deze rede met onverdeelde aandacht was aangehoord, behoeft geen nader betoog.
Bij monde van onzen Oud-Afd. Voorzitt: ; r vr. de Geus, werd hem namens de leden dank gezegd voor zijn leerrijke rede. '
Nadat nog enkele huishoudelijke zaken waren behandeld, werd deze vergadering, op verzoek van den Voorzitter door vriend de Geus met gebed gesloten.
SAARLOOS, Secr.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's