De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Kerkelijk leven.

10 minuten leestijd

Het recht der Modernen in de Herv. Kerk. X.

Voor ons blijft er van het recht der Modernen, om in de Herv. Kerk te wonen, eenvoudig niets over.

Men heeft van de zijde der Modernen altijd beweerd, dat in 1816 een nieuwe toestand is ingetreden en dat toen de belijdenis der Kerk is afgeschaft en heel het kerkelijk leven er op ingericht is, dat de meest verschillende richtingen in de Herv. Kerk zouden kunnen samenwonen — wat door vele rechtzinnigen maar geslikt is, zonder daartegen krachtig te protesteeren.

Maar die even de historie onzer Kerk nagaat, wordt van de dwaasheid en brutaalheid van deze redeneering overtuigd.

Want wat heeft in 1816 het zwakke protest van de classis Amsterdam en van de classis Leiden-Woerden uitgewerkt?

Dat zwakke protest heeft èn den commissaris-generaal èn de Synode (rapport-Royaards) er toe gebracht om aanstonds breed en duidelijk met ronde woorden te verklaren, dat de leer der Hervormde Kerk was de leer, welke overeenkomstig Gods heilig Woord, vervat is in de Formulieren van Eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk."

Die leer moest ieder hartelijk omhelzen.

Die leer moest getrouwelijk worden beleden.

En het zou niet geduld worden, dat de grondslagen van die belijdenis werden losgewoeld.

We herinneren nog eens aan art. 9 van het „Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden" 7 Jan. 1816). Daar lezen we:

Art. 9. „De zorg van de belangen, zoo van het christendom in het algemeen, als van de Hervormde Kerk in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering van godsdienstige kennis, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendragt en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn."

Handhaving harer leer.

Welke leer?

We zagen het in de proponentsformule, in de verklaring voor godsdienstonderwijzers en in de belijdenis vragen, dat met die leer bedoeld is de leer onzer belijdenisschriften.

Terwijl van die leer werd verklaard, dat  zij naar Gods Woord was. Met ronde, duidelijke woorden is dat uitgesproken. Mee doordat men door het protest van de classis Amsterdam enz. er toe gedrongen werd. Men wilde ook volstrekt den schijn niet hebben, dat men een andere leer wilde invoeren dan die van de Dordtsche Synode van 1618. Dat moest men volstrekt niet denken I En als men daar dan gerust op was en de Synode het vertrouwen had, — nu, dan zou men wel wéér zien. Dan was met behoud van oude termen wel iets nieuws in te voeren! Maar vooralsnog sprak men zich met ronde woorden uit en verklaarde, dat allen die van de leer der Kerk afweken geen recht hadden predikant te worden, noch belijdenis des geloofs af te leggen, noch ook in kerkelijke besturen te zitten. En als bewijs hoe bezorgd men was, dat men toch maar niet zou aanzien voor de ware leer wat de ware leer niet was, werd 23 July 1816 een „Synodale Resolutie omtrent de kerkelijke approbatie van geschriften" rond gezonden van den volgenden inhoud: „Het Algemeen Christelijk Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk (synode was in 1816 onzijdig, tegenwoordig is zij vrouwelijk) heeft het volgende besluit genomen: d

1o. Het Christelijk Synode verklaart, dat hetzelve geene van den Godsdienst handelende geschriften van Predikanten, Kandidaten en Leden in de Nederlandsche Hervormde Kerk, hetzij dezelve met of zonder naam des schrijvers worden uitgegeven, erkent en waarborgt als bevattende de Leer en Belijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, zooals dezelve overeenkomstig Oods heilig woord in haar aangenomene formulieren van eenigheid begrepen, dan alleen de zoodanigen, welke van kerkelijke goedkeuring voorzien zijn. 2o. Deze kerkelijke goedkeuring wordt gegeven door de Theologische Faculteit van eene der Nederlandsche Hooge Scholen of door een der Provinciale Kerkbesturen; en wat de Waalsche Kerk betreft, door de Waalsche Commissie, welke daartoe eenige hunner zullen committeren.

3o. Van dit besluit zal onverwijld kennis worden gegeven aan de voornoemde CoUegiën en zal hetzelve tevens in de Boekzaal worden gedrukt.

Het Algemeen Christelijk Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk,

W. L. KRIEGER, President.

I. J. DERMOUT, Secretaris.

Wéér dus die duidelijke verklaring dat de leer der Kerk begrepen was in de Formulieren van Eenigheid en dat die leer, in de belijdenisschriften vervat, overeenkomstig Gods Woord was.

En wéér die bezorgdheid om die leer toch te handhaven en ongeschonden te bewaren! Waarbij we nu ook het Reglement op de Kerkvisitatie (Kon. Besluit 30 Juli 1816) nog eens willen opslaan, om te zien of ook daar nog niet iets te vinden is, dat de bewering van de modernen tot grooter bespotting kan maken.

Art. 1 luidt: „Ieder jaar wordt er eene plaatselijke visitatie gehouden van alle kerken, behoorende onder het ressort van het Synode der Hervormde Kerk in het Koningrijk dei Nederlanden" (in 1816 sprak men dus óok, evenals in 1618, van „Kerken"). Art. 17 luidt: Hierop verzoekt de Praeses den predikant of zoo er meer zijn, de predikanten, om buiten te staan en doet aan den Kerkeraad, omtrent de buitenstaande en afwezige predikanten de navolgende' vragen:1o. zijn zij onberispelijk in leer en wandel?

2o. nemen zij op Zon-en Feestdagen alle de gewone predikbeurten waar? 3o. prediken zij ook gezettelijk over den Catechismus? enz. enz.

Art. 21 luidt: „Hierop verzoekt de Praeses de Ouderlingen om buiten te staan en doet hij over hen, aan de Predikanten en Diakenen de navolgende vragen:

1o. behooren de Ouderlingen tot de achtingwaardigste, kundigste en voornaamste leden der gemeente? 

2o. zijn zij onberispelijk in belijdenis en wandel?

3o. houden zij met de Leeraars of den Leeraar getrouwelijk opzicht over de gemeente? enz. enz.

Art. 23 luidt: „De Praeses verzoekt hierop de Diakenen om buiten te staan en vraagt over hen, aan de Predikanten of den Predikant en de Ouderlingen het volgende:1o. behooren de Diakenen tot de achtingswaardige en voor dien post geschikte leden der gemeente? 2o. zijn zij onberispelijk in belijdenis en wandel? enz. enz. Voor de leer en voor de belijdenis werd dus gewaakt. 't Ging dus alles in de lijn van 't geen de commissaris-generaal 28 Maart 1816 gezegd had, 't welk in de vergadering van de Synode van 16 Juli 1816 door een commissie uit de Synode (bestaande uit de HoogEerw. Heer Royaards, de Heeren van Eek, Scholten en de Ouderling van Leeuwen) nog eens werd herhaald: „Wat de leer zelve betreft, dat de verpligtingen van de leden der Synode en van alle andere kerkbesturen, begrepen zijn in 't 9de art. van 't Algemeen Reglement, hetwelk met ronde woorden van hen vordert de handhaving van de leer der Hervormde Kerk." „Eene verklaring" —zoo sprak Prof. Royaards in de Synode — „welker gewigt hun zoo mannelijk en deftig bij de opening dezer H.E. kerkvergadering in het openbaar aanbevolen is, door Zijne Excellentie den Heere Commissaris-Generaal en door den President dezer vergadering, overeenkomstig de bedoeling des Konings." Waarop Prof. Royaards ook zelf nog weer eens een verklaring van „die leer der Kerk" geeft in de woorden die er onmiddellijk op volgden:

„En dat de H.E. Synode aan dit beginsel zoo gehecht is, dat ze de verpligtingen, tot handhaving der leer, die over­eenkomstig het Woord van God in de  formulieren van eenigheid der Nederlandsche Kerk vervat is, bij handteekening laat bevestigen door zulken, van wie men meent dit te moeten vorderen."

Honderdmaal is dus in 1816 verzekerd, dat de leer der Hervormde Kerk de aloude Geeformeerde leer was , vervat in de belijdenischriften, die naar uitwijzen van Gods Woord waren opgesteld.

Telkens is uitgesproken, dat men zorgen zou, dat die leer royaal werd gehandhaafd. Proponentsformule, godsdienstonderwijzerserklaring, belijdenis vragen waren er op ingericht.

Al de leden van de kerkelijke besturen waren geroepen om een oog in 't zeil te is houden.

En Prof. Royaards heeft het in de Synode zoo duidelijk gezegd: „de leden van de Synode en van de kerkelijke besturen moeten die verordeningen volgen, waarvan zij zich nooit mogen ontslagen rekenen." Wat hij zei om de classis Amsterdam gerust te stellen. Betuigende, dat er gezorgd zou worden voor „een wijs, voorzichtig, getrouw en aan de ware Hervormde leer verkleefd kerkbestuur."

Welk getuigenis waarde houdt.

Ergerlijk! *

Wanneer iemand lidmaat wordt der Ned. Herv. Kerk moet hij verklaren in geest en hoofdzaak in te stemmen met de belijdenis en de leer der Herv. Kerk.

Als iemand predikant wordt in de Ned. Herv. Kerk moet hij verklaren naar den geest en naar het karakter van de belijdenis der Kerk het Evangelie van, Jezus Christus te verkondigen.

Zoo iets kan natuurlijk een eerlijk modern man niet beloven en verklaren. Dan zou hij tegen beter weten in liegen moeten, als hij het deed.

Daar worden de vrijzinnigen nog al eens aan herinnerd in onze dagen. Zoo o.a. ook Ds. Beversluis van Zuidwolde in het Nieuws voor Loenen, Vreeland enz. , Daar had de heer Dijkstra van Loenen hem gevraagd:

„Hoe is het mogelijk, dat iemand, wiens leer en belijdenis, lijnrecht ingaat tegen die der Ned. Herv. (Geref.) Kerk, in die Kerk blijft? Mij dunkt, als gij zelf de Belijdenis der Ned. Herv. Kerk (zoo schoon vastgelegd in de Drie Formulieren van eenigheid) verwerpt, dan moet gij toch gevoelen, dat gij als eerlijk man de Kerk moest verlaten, want immers niets bindt u aan haar; haar Leer en Belijdenis is niet de uwe; het eenige wat u misschien aan haar bindt zijn de zilveren koorden; maar dan ook, naar het mij voorkomt, verder niets."

En wat antwoordt Ds. Beversluis daar nu op? Hij zegt:

„Gij vraagt mij hoe het mogelijk is „dat iemand, wiens leer en belijdenis lijnrecht ingaat tegen die der Ned. Herv. Kerk, in die Kerk blijft." Mag ik u even herinneren aan'de belofte, die wij predikanten moeten afleggen bij 't aanvaarden van ons ambt?

Daarin hebben wij o.a. beloofd om „overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande het evangelie van Jezus Christus te verkondigen." Welnu, juist in naam van dat evangelie protesteer ik tegen den leugen van Calvijns stelsel (in de belijdenisschriften te vinden)". Wat zegt dus Ds. Beversluis?

Hij heeft beloofd het evangelie van Jezus Christus te zullen verkondigen overeenkomstig de beginselen der Herv. Kerk, te vinden in „de leer" en „de belijdenis" dier Kerk, neergelegd in de drie Formulieren van eenigheid.

Maar als hij dat beloofd heeft, zal hij het evangelie zóo verkondigen, dat de beginselen der Herv. Kerk bestreden worden — en verworpen worden als schandelijke en ergerlijke leugens.

Men klopt dus aan de deur, vraagt om binnengelaten te worden, belooft zich naar den huisregel te zullen gedragen en mee te zullen werken om het huis op te bouwen en te bevestigen — en als men dan binnen is verklaart men, dat het huis 't beste opgebouwd en bevestigd wordt door den huisregel te verwerpen, de boel ondersteboven te keeren, de fundamenten los te woelen, de muren af te breken en den wettigen eigenaar ten doode toe te kwellen en te slaan.

't Is fraai! Zoo iets van veinzerij, woordbreuk, dieverij

De schuld van ons afschuiven?

Men verwijt ons wel van zekere zijde, dat wij te veel anderen de schuld willen geven van de ellende der Kerk en zelf te weinig er van voelen.

Dat is gemakkelijk om neer te schrijven. Wil men daarmee zeggen, dat we toch eigenlijk maar zwijgen moesten en dat eigenlijk alles maar blijven moet zooals het is? ­ Maar voelt men dan het onbetamelijke, het dwaze niet van zoodanige redeneering?

Zeker, Prof. Jonker kon indertijd in de vergadering van de Synode wel zeggen: „die ijveren voor reorganisatie, maken op mij den indruk dat zij de schuld van zich willen afwentelen en aan de organisatie een verwijt maken."

Maar immers tegenover een zoo goedkoope, schijn-vrome redeneering laten we nu toch maar niet rustig toe, dat de bestuursorganisatie van 1816 nog een eeuw zal blijven?

We spreken eenvoudig uit, dat die bestuursorganisatie glad verkeerd is, een ramp voor onze Kerk en daarom zoo spoedig mogelijk moet verdwijnen en plaatsmaken voor eene gereformeerde Kerk-regeering.

t En al bazelt men nog zooveel van „ze willen de schuld van zich afschuiven", we blijven volhouden, dat het knoeien met de belijdenis een einde moet nemen en dat allen, die niet instemmen met haar, niet in onze Herv. Kerk thuis hooren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het Kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's