De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

9) Een Bondspraatje.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

9) Een Bondspraatje.

6 minuten leestijd

Jan. Nu heb je me veel verteld van die " eerste vergadering van den Geref. Bond tot vrijmaking der Ned. Herv. Kerken en ik heb nu dat woord „vrijmaking" en dat woord „Kerken" wel wat beter begrepen dan vroeger — mij dunkt, jullie hadden dien naam maar zoo moeten laten, ik had er geen bezwaar meer tegen — maar je hebt zeker één ding vergeten van die vergadering?

Willem, 'k Weet niet. Wat bedoel je? Jan. Ik heb nog niets van Prof. Visscher gehoord !

Willem. Ja vrind, da's waar; ik heb daar nog niet met je over gesproken en als ik daaraan denk, dan komt er weer zoo'n eigenaardig gevoel in mijn binnenste.

Jan. Waarom? Was je het dan niet met den professor eens?

Willem. Och, amice — dat is het niet. Maar als ik aan de magistrale rede van die morgenvergadering denk „ God en mijn recht", zoo fijn gestyleerd, zoo rijk van inhoud, zoo keurig voorgedragen — dan wordt het mij zoo wee om 't hart.

Jan. Maar waarom dan toch; wat zeur je nu, wat bedoel je nu eigenlijk; spreek nu toch niet zoo geheimzinnig.

Willem, Ja, Jan — dat kan jij nu allemaal wel makkelijk zeggen, maar ik heb een beetje meer meegeleefd dan jij. En ik heb met diepe smart opgemerkt, dat men van zekere zijde die rede van Prof. Visscher niet heeft willen begrijpen, om tegelijk die rede als een stormram te gebruiken tegen den Bond. Wat hij wel gezegd heeft, dat zweeg men dood.

Wat hij niet gezegd heeft, dat kwam men hem in de schoenen schuiven.

En daarbij hebben onze eigen menschen hem zoo slecht begrepen, dat zij liever een afwachtende houding aannamen dan manmoedig toetraden.

Jan — wat leven we in een tijd van kleine strijdmiddeltjes en kleine begripjes!

Jan. Maar vergeet toch niet, dat de toestand ook zoo verward is, zoo ingewikkeld, zoo moeilijk en dat wij over 't algemeen ons nooit veel met deze dingen hebben ingelaten. Daarom moet het zachtjes aan gaan ....

Willem, 't Is waar. Men kan geen ijzer met handen breken. Maar als groote mannen geen groote dingen meer mogen zeggen en forsche lijnen mogen trekken, nu, dan staat het niet zoo gunstig.

Jan. Dan moeten ze maar aanhouden, zonder vertragen, duidelijke kleine lijntjes trekken en over groote dingen zóo spreken, dat ze er ongemerkt ingaan. Zou dat niet 't beste zijn?

Maar vertel me nu eens wat van die rede van Prof. Visscher, want je maakt me waarlijk nieuwsgierig.

Willem. Als je niet goed op de hoogte was, zou je in 1906 gedacht hebben dat Arno nesciri de vader van den Geref. Bond was geweest en dat de rede van Prof. Visscher tot titel had gehad: „boedelscheiding."

Maar dat is niet zoo.

De Geref. Bond heeft nooit eenige connectie gehad met Arno nesciri noch met zijn twee brochures: „Wat nu? " en „De vrijmaking der Kerk."

Dr. Kromsigt, die tegen Arno nesciri te velde trok, schoof zijn woorden in onze schoenen.

Maar nooit heeft de Geref. Bond de woorden van Amo nesciri voor zijn rekening genomen. De Geref. Bond is geheel zelfstandig ontstaan. En de rede van Prof. Visscher ging niet over „boedelscheiding", maar over de Gereformeerd* Kerk."

Jan. Over de Gereformeerde Kerk f En zoo even zei je over „God en mijn recht."

Willem. Ja, dat is ook zoo. Maar 't was om schoon te getuigen van het onmogelijke van een volkskerk en prachtig te oreeren over het begeerlijke weer éene Gereformeerde Kerk van Nederland te mogen bezitten.

Jan. Toe, vertel me er eens wat van.

Willem. Laat mij dan enkele citaten geven. B.V. blz. 16.

„Langzaam maar zeker drong in de Kerk door wat zij nimmer in zich had mogen toelaten en ook niet zou hebben toegelaten als het er niet ingeslopen was, vóór zij zich er van bewust was geworden, toen was het te laat. De kerkelijke organen zelve waren er reeds door aangetast. En toen liet de Kerk ten opzichte van haar eigen leven de teugels los. Zij kon zich niet meer zuiveren. En die het wilden ondergingen van de Kerk zelve vervolging en smaad. De revolutie werd mede voorbereid door de Kerk. Zij was geen bederfwerend zout in het nationale leven meer. Tal van hare dienaren stonden evenals thans in de voorste rijen der revolutionairen. Wat in haar nog over was als een overblijfsel, dat het waarachtige leven der Reformatie aankleefde, telde niet mee, stond machteloos. De differentiatie, die zij als volkskerk had willen keeren, had over haar gezegevierd. En dat moest zoo zijn, omdat de Kerk niet bestemd is volkskerk te zijn.' Dat heeft zij willen wezen en dat juist heeft haar gekost de zuiverhouding en gezondheid van eigen leven. Dat is haar de dood geworden.

Machteloos en slap vond haar de restauratie, zoodat toen Willem  den troon beklommen had, de Synodale organisatie haar kon worden opgelegd.

Dat was goed bedoeld, want die organisatie moest strekken om haar bijeen te houden. Maar wrang was de vrucht, wijl door die organisatie het levensproces werd miskend. Het was reactie, die tot eenheid wilde dwingen, terwijl de geestelijke levensontplooiing des volks naar veelvormigheid voortschreed.

De sociale conscientie vertoonde weinig meer van de vroegere religieuse eenheid. En kerkelijke gemeenschap is alleen mogelijk waar levenseenheid is.

De Kerk kan niet zijn een genootschap van heterogene religieuse elementen. Voor een Kerk, die naar Christus zich noemt, is levenseenheid bestaansvoorwaarde. Voor de Gereformeerde Kerk, die als openbaring van het lichaam van Christus beschouwd wil wezen, allermeest. Zij heeft roeping Zijn naam te belijden, zij kan het niet nalaten. Die diepe levenseenheid, die eenheid in wereldbeschouwing meebrengt, is beweegkracht tot aaneensluiting en dus tot Kerkformatie. De Kerk van Christus onderstelt levenseenheid, wijl alle leven haar toekomt uit Christus, haar Hoofd.

En dit is de dwaling geweest, dat men gemeend heeft in éen Kerkverband te kunnen saamdringen, wat niet saamleven kan. Daar is in die 'organisatie niet gerekend op het uiteengaan der geesten, dat ons in de Schrift gepredikt wordt, als de apostel zegt: beproeft de geesten, of zij uit God zijn.

Slechts de geesten uit God behooren in de Kerk.

( Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

9) Een Bondspraatje.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 april 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's