Uit het kerkelijk leven.
Eén zijn.
Ontelbare malen is op de Haagsche vergadering van 16 April jl. gezegd, dat het in de Kerk vooral hier op aankomt: dat men in liefde zal samenwonen.
Want dat is toch maar het groote kenmerk voor de kinderen Gods, voor de geloovigen, voor de leden der Kerk: dat zij éen zijn.
De wereld zal dan bekennen dat we discipelen des Heeren zijn, als we elkander liefhebben!
Nu is er veel waars in zulk redeneeren. Sla uwen Bijbel maar op — want de Schrift zal onze rechter zijn! — bij Joh. 13:34 en gij leest daar: Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander lief hebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander lief hebt."
Eu onmiddellijk daarop volgt dan in het 35ste vers: „Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander."
Ook Joh., 15:12 is duidelijk.
Want daar lezen we: «Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb."
Sla ook Efeze 5 : 2 maar op, waar Paulus aldus schrijft: En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en zichzelven voor ons heeft overgegeven tot eene offerande; en een slachtoffer Gode tot een welriekenden reuk."
"Merkwaardig is ook Efeze 4:15: Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, die het Hoofd is, namelyk Christus."
Liefde, liefde!
Maar de Schrift zegt dat we spreken zullen „niet als onwijzen, maar als wijzen" Ef. 5 : 15.
En als onwijzen gaan we over de liefde spreken als we vergeten, dat onze liefde vrucht moet zijn van de liefde Gods in Christus geopenbaard, zoodat die liefde kan opwassen door het geloof in Hem en kan openbaar worden in het midden van degenen, die Zijnen Naam belijden.
Terwijl het onmogelijk is, dat die liefde bloeie en groeie daar, waar Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, Sions Borg en Middelaar, wordt gelasterd en verworpen.
Laat men: dan ook eens éen woord uit de Schrift noemen, dat als bewys dienen kan, dat we kerkelijk moeten samenleven met degenen die van de gezonde leer der Schrift afwijken; dat we lief moeten hebben, die dwaling en leugen verkondigen om hen in hun dwaling rustig te laten voortgaan; dat we als éen ons openbaren moeten met degenen die loochenen, dat Christus uit de dooden is opgestaan enz.
Wel lezen we: Indien iemand een andere leer leert en niet overeerikomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus en met de leer, die naar de godzaligheid is, die is.. opgeblazen en weet niets, maar hij raast omtrent twistvragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen, verkeerde krakeelingen van menschen, die een verdorven verstand hebben en van de waarheid beroofd 'zijn, meenende, dat; de godzaligheid een gewin zij. Wijk af van dezulken" 1 Tim. 6 : 3 enz..
Wel lezen, we: „Stel u tegen het ongoddelijk ijdel leeren, dat voorteet gelijk de kanker."
Ook: er zullen komen die een gedaante van godzaligheid hebben, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen" 2 Tim. 3:5.
Ook: En ik bid u, broeders! neemt acht op, degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; wjykt af van dezelve" Rom. 16 : 17.
Ja, , in 2 Thess. 3 bidt Paulus: „de Heere richte uwe harten tot de liefde van God en tot de lijdzaamheid van Christus", om dan onmiddellijk daarop te laten volgen: „wij bevelen u, broeders, in den naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iegelijk broeder, die ongeregeld wandelt en..niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft."
Ook lezen we Titus 3 : 10: Verwerp eenen ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning."
Laten we dat , liefhebben", dat „éen-zijn", dat „lieflijk samenwonen als broeders" dan toch nemen zooals de Schrift het ons leert en zooals de Heilige Geest ons getuigenis geeft in het harte.
Zeker! het gebod Gods is, dat wij onzen naaste zullen lief hebben als onszelf. Maar de rechte liefde, die uit God is, haat het kwade.
De rechte liefde haat alles wat God onteert en Christus loochent en Gods Woord aantast.
De rechte liefde spreekt met Johannes: , En dit is de liefde, dat wij wandelen naar Zijne geboden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen. Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vleesch gekornen is. Deze is de verleider en de antichrist. Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vollen loon mogen ontvangen. Een iegelijk, die overtreedt en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beiden den Vader en den Zoon. Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en zegt tot hem niet: zijt gegroet. Want die tot hem zegt: zijt gegroet; die heeft gemeenschap aan, .zijne booze werken.
Ziet, wij willen óok spreken van liefde. Maar dan de waarheid eerst.
De waarheid in liefde betrachtende.
Uit de waarheid levende en staande naar vrede,
Ja, wij haken naar liefde onder de broederen, liefde onder elkander, waar de Heere mag. gediend en gevreesd worden in Jezus Christus onzen Heere.
Dat: zij toch allen éen mochten zijn en meer en meer zich alzoo openbaren, gedrongen'dóór de liefde van Christus.
Maar die. door de liefde van Christus mogen worden gedrongen zullen de leugenleeringen haten! en zullen er naar staan, dat in den geordenden, kerkelijken weg de leugenleeraars worden geteekend, veroordeeld en uitgeworpen. Omdat het verderfelijk is voor het lichaam van Christus dat de leugen voorteet als de kanker.
Geest en hoofdzaak.
Geest en hoofdzaak blijven dingen, die moeilijk te grijpen zijn. Als men denkt ze tusschen de vingers te hebben, dan ontsnappen zojuist op 'tzelfde oogenblik en men staat met leege handen.
Dat komt ook al mee hierdoor, dat men in onze'Herv. Kerk zoo aan 't knoeien der modernen gewoon is geraakt. Men vindt het niets vreemds meer. Er zijn er die het zóo gewoon vinden, dat ze ei niet bij denken, dat het knoeien is.
Want „geest en hoofdzaak" zijn woorden, die toch zeer zeker beteekenis hebben.
Ze beduiden volgens de verklaring van de , Synode van 1841 — die de woorden geest en hoofdzaak 't eerst gebruikte en ze in gebruik gebracht heeft in onze Kerk — dat men de leer is toegedaan, die in haren aarden geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk.
Noem deze synodale omschrijving wat gerekt, wat onduidelijk, wat vaag en onbestemd.
Maar het blijft toch immer een verklaring waaraan de Modernen vooreerst nog wat te knabbelen hebben!
Want het gaat bij „geest en hoofdzaak" toch steeds om het wezen en de hoofdtaak van de belijdenis der Hervormde Kerk.
De Modernen kunnen hoog en laag springen, ze kunnen brutaal de geschiedenis op" haar kop zetten, ze kunnen dringerig en tartend zeggen: „wij willen dit en wy willen dat" — maar voor de rechtbank der historie gedaagd door allen die de historie kennen en onpartijdig oordeelen, moeten ze het met hun „wij willen'dit én' wij willen ' dat'' verliezen.
't Gaat er niet om wat zij willen en wat zij eischen.
't Gaat er om wat de Kerk wil en wat de Kerk eischt.
En dan vraagt de Ned. Herv. Kerk van 1816—1841—1914 dat ieder predikant en ieder lidmaat eerlijk, hartelijk en trouw zal spreken en handelen naar uitwijzen van hetgeen de belijdenis der Hervormde Iferk bevat.
En dan is zij een Christelijke Kerk, onderscheiden van de Heidenen en de Joden.
Dan is zij een Protestantiche Kerk, onderscheiden van de Roomsch-Katholieken.
Dan is zij de Gereformeerde Kerk, onderscheiden van de Doopsgezinden, Lutherschen, Remonstranten, Apostolischen, Mormonen, enz.
Die in de Doopsgezinde lijn gaat of in Remonstrantsche banen wandelt, hoort in de Herv. Kerk niet thuis.
Zij, die ernstig naar de waarheid zoeken; met verwerping van God, behooren niet thuis in de Herv. Kerk.
Zij, die naar de waarheid zoeken, met loochening van den Christus der Schriften, vinden in de Herv. Kerk geen plaats.
Zij die vol religieuse aspiraties zijn, maar Gods Woord niet erkennen als regel voor geloof en leven; zij die de leer der vrije genade Gods tegenspreken, zijn niet Hervormd en nioeten niet in de Herv. Kerk als predikant of lidmaat worden opgenomen of toegelaten.
De Herv. Kerk heeft haar godsdienstige, christelijke; gereformeerde grondbeginselen uitgesproken in haar belijdenis welke godsdienstige, christelijke, gereformeerde grondbeginselen over heel de wereld door de gereformeerden nog in geest en hoofdzaak worden aanvaard, onderschreven en beleden — en niemand heeft het recht om dan met endere grondbeginselen, lijnrecht in strijd met de belijdenis, in de Hervormde Kerk op te treden en daar een plaats voor zich en zijn leeringen op te eischen.
Noch historisch noch zedelijk recht heeft hij daartoe.
***
De Synode van 1912 heeft ook weer over de woorden „geest en hoofdzaak" gesproken en scherp is toen gecritiseerd het handelen van hen, die in de Herv. Kerk de reglementen willen ontduiken en willen rooven de grondbeginselen van onze Herv. Kerk.
Vooral bij de aanneming en bevestiging van nieuwe lidmaten probeeren met name de moderne predikanten in deze de reglementen te schenden en wederrechtelijk de belijdenis dèr Kerk weg te doezelen.
En dat, waar men beloofd heeft de verordeningen der Kerk te zullen gehoorzamen en het karakter der Kerk niet te zullen schenden.
De Synode van 1912 heeft toen een circulaire gezonden aan alle Kerkeraden, waaraan we nog eens willen herinneren, omdat ook daarin alle recht ontzegd wordt aan het verminken of verwerpen van geest en hoofdzaak van de belijdenis der Hervormde Kerk.
Die circulaire was van den volgenden inhoud (de cursiveering is van ons):
; NO. 488. 's Gravenhage, 20 Aug. 1912.
In de zitting der Synode van 12 Aug. 1912 werd. verworpen het voorstel der Olassicale Vergadering van Dordrecht en van den Kerkeraad der Nederduitsche Hervormde Gemeente te Kampen, om uit art. 39 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs te schrappen de woorden: «althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin (d. i. in de belijdenisvragen) vervatte belijdenis, verklaring en belofte."
De Synode besloot daartoe, omdat hare meerderheid van oordeel was: lo. dat het beoogde doel: afsluiting van den toegang tot de Kerk voor hen, wier toetreden men ongewenscht acht, door het schrappen dier woorden niet wordt bereikt, aangezien de voorgeschreven vragen, gelijk alle formules, gevaar Ioopen door ieder «op eigene wijze te worden uitgelegd; 2o. dat het voorschrift, in art. 39 vervat, naast vrijheid van formuleering toch een vasten band aanlegt, wijl 3o. de predikant bij de bevestiging gebonden is aan de belijdenis, verklaring en belofte, in de voorgeschrevene vragen vervat.
Bij de bespreking van gezegde voorstellen werd echter door sommige leden verklaard, dat bij de formuleering der belijdenisvragen zich meermalen groote willekeur laat gelden, zoodat vragen zouden worden gedaan, waarin van den geest en de hoofdzaak der vragen, in art. 39 voorgeschreven, niets meer te bespeuren valt — vragen, waarvan de predikanten later zelf niet meer konden verklaren, wat zij hadden behelsd.
De Synode kan niet nalaten op te merken, dat aldus aan het in art. 39 vooraf: geschrevene geenszins voldaan wordt.
Improvisaties, ingevingen van het oogenblik, zijn niet in overeenstemming met den ernst der ure, die voor menig leven van duurzamen invloed kan worden.
Hun, die belijdenis doen, moeten de te beantwoorden vragen tevoren-worden bekend gemaakt, verklaard en de ernst en toepassing ervan hun aan het hart gelegd.
Dit kan niet, als zij op het laatste oogenblik verzonnen worden.
Aldus te handelen is echter ook in strijd met het reglementaire voorschrift.
Dit toch laat geen willekeur toe, maar s bindend.
Al laat het vrijheid in de keus der woorden, het bindt den voorganger der Gemeente aan de belijdenis, verklaring en belofte, in de vragen, opgenomen in art. 39 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs, vervat. Die moeten in de vragen, die gedaan worden, werkelijk tot hun recht komen.
Mochten dus immer in Uwe Gemeente vragen gedaan zijn in den bovenbedoelden willekeurigen zin, dan verzoeken wij den Kerkeraad daarop acht te slaan en den predikanten den juisten zin van art. 39 van het Regl. op het Godsdienstonderwijs wél te bedenken.
Zoo alleen kan er sprake zijn van getrouwheid aan de belofte, om aan den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, naar vermogen, mede te werken.
Zóo kan ook waarlijk een Christelijke belijdenis, naar de beginselen en de bedoeling onzer Kerk, worden afgelegd.
Zóo worden eenparigheid van handeling en het heil der Gemeente bevorderd.
Bandeloosheid in deze kan niet nalaten ergernis te wekken naar binnen en bespotting naar buiten.
Dóór ernstig onze roeping in deze te bedenken, kan de eer der Kerk worden verhoogd en de naam des Heeren worden verheerlijkt.
Dat ieder, onder opzien tot God, daartoe medewerke!
De Algemeene Synode der
Ned. Herv. Kerk,
H. A. LEENMANS, President.
J. KNOTTENBELT, Secretaris.
Deze circulaire is nog al duidelijk.
Jammer dat met name de moderne predikanten de kerkelijke verordeningen willekeurig blijven schenden, en blijven medewerken dat er ergernis binnen en bespotting buiten gewekt wordt.
Daar niet thuis!
Dr. Bronsveld schrijft' in de Kroniek Van de Stemmen voor Waarheid en Vrede (Maart 1914) over volgende:
„Nog een enkel woord over de kerkelijke kwestie.
Wij leven in een vrij land en als iemand meent te moeten ontkennen, dat de Heere Jezus ooit heeft bestaan, dan zal niemand hem beletten, dat uit te spreken.
Maar dat men tot deze nihilistische slotsom gekomen, toch predikant blijft in de Ned, Herv. Kerk, is iets dat mij ontstelt.
De Christelijke Kerk en ook ónze Kerk staat of valt met feiten.
. Gij zet thee - van water zónder thee ? Het zij zoo!
Maar treedt niet op in een bedehuis, waar de Zondag, de doopvont, het kruisbeeld, waar eigenlijk alles gewaagt van feiten.
Gij behoort daar niet thuis.
Hoe komt het toch, dat gij dit niet gevoelt? "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's