Uit het kerkelijk leven.
De beteekenis van Jezus.
Het is niet zoozeer dat Jezus ons iets geleerd heeft aangaande God en goddelijke zaken, opdat wij nu tot God zouden kunnen gaan en als Gods kinderen zouden leven — maar dat Hij voor ons bij God voldoening heeft gedaan voor onze zonde en schuld en door Zijne striemen ons genezing heeft verworven. Wat de Heilige Geest ons leert verstaan aan het harte, zoodat wij staande onder de schaduw van het Kruis in den Gekruiste zouden roemen en roepen: Abba, Vader!
Zoo worden we kinderen Gods!
De gerechtigheid Gods.
De Kerk van Christus heeft, nasprekende den Heiland en inlevende in Zijn Woorden werk, altoos getuigd dat „vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods niet anders voor onze zonden betaald kon worden dan door den dood des Zoons Gods."
Neen, of wij al bidden en vasten; of wij al deugd betrachten en goede werken doen, of wij al dankzeggen en oflféren — zóo kan de zonde, die scheiding maakt tusschen ons en God en ons vervloekten maakt voor Zijn heilig aangezicht, niet worden weggenomen en zóo kan geen vrede en zaligheid verworvan worden.
Hoort wat de Heilandzelf getuigt van Zijn plaatsbekleedend lijden en sterven: „maar ik moet met een doop gedoopt worden, en boe word ik geperst, totdat het volbracht is."
Dat is de weg tot verzoening en verlossing voor een arm zondaarsvolk, dat Hij Borg is voor Sion bij den Vader; alle schuld en zonde op zich neemt; voor hen alles betaalt; en dat doet door Zijn lijden en sterven, door Zijn dierbaar bloed, dat uitgestort wordt tot een rantsoen voor allen.
Hi] is de volstrekte, plaatsvervangende Borg voor zondaren bij God.
En deelend in Zijn kruis en zoenverdiensten, mag de ziele van. Gods kindhoorenen ervaren en belijden: , zoo is er nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn."
0! laat men dat bloed van Golgotha ons niet ontnemen, zijnde de losprijs die reinigt van alle zonde en schuld. Want die ons dat ontneemt, die ons dat dieflijk ontsteelt, die neemt ons Christus, onzen Borg, onzen Losser en Zaligmaker weg — en we zijn dan de ellendigste van alle menschen!
Met god.
Gaan wij met God door 't leven ?
Ja?
Met welken God?
Want er zijn er velen die god genaamd worden, zegt Paulus, nochtans hebben wij maar één God, den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.
Gaan wij met dien God?
Want dit is het eeuwige leven, dat wij kennen den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft.
Gaan we met dim God, die in Christus Zich geopenbaard heeft tot verzoening en zaligheid voor arme zondaren?
Want anders gaan we met een God die geen God is.
Dan gaan we met een afgod.
Met 't maaksel van eigen verstand, eigen idee, eigen lust, eigen voorstelling.
En teleurstelling is ons deel.
Daarom vraagt een Christen ook altijd: welken God bedoelt gij?
En geen troost dan in het kennen van den Vader, in het aangezichte van Jezus Christus, door den Heiligen Geest.
Juist zooals honderde jaren geleden in de Apostolische geloofsbelijdenis is uiteengezet; zooals in de geloofsbelijdenis van Nicea werd uitgesproken en zooals in de geloofsbelijdenis Tan Athanasius is verklaard.
Zoo wie wil zalig worden, zal dien God door genade in Christus moeten kennen.
Dit quincunque is nog niet uit den tijd!
Staat en Kerk in de 17de eeuw.
In het boek van Dr. A. C. Duker over Gisbertus Voetius (Derde deel, 2e stuk, han delend over het Hoogleeraarschap, 1634— 1676) komt een passage voor, waardoor wij een blik kunnen slaan op de overheersching van den Staat, over de Kerk in de 17de eeuw.
We citeeren het volgende:
„Als opvolger van den op 24 Juni 1636 overleden predikant Cornelis Dinganus, werd op 12 Maart 1637 Voetius als medepredikant bevestigd. Van het eerste oogenblik, dat hij den herdersstaf opnam en aan de regeering der Kerk deelnam, was zijn invloed buitengewoon groot."
, Ofschoon hij bij de aanvaarding van zijn ambt vrijgesteld was van de verplichting om de wekelijksche Kerkeraadsvergaderingen bij te wonen, heeft hij zich toch daaraan nimmer onttrokken, maar heeft, ook juist daar, zeer den toon aangegeven."
, Het was herhaaldelijk Voetius, die de opsteller was van memories aan de vroedschap, wanneer de Kerkeraad zich met verzoeken of klachten tot haar richtte. Want wat in die dagen van de overheid, de „voed-sterheeren der Kerk", werd gevraagd, was niet gering.
Zij had te zorgen voor de tractementen der predikanten als er nieuwe plaatsen werden gesticht of voor een pensioen als een oude dienaar des Woords emeritus werd; zij had te approbeeren de beroeping; zij had te waken tegen de paapsche stoutigheden; haar hulp werd ingeroepen tegenover de «godslasteringen der Socinianen en Arianen" en het bedwingen der dwalingen van de Remonstranten; tot het bevorderen, dat de religie binnen en ook buiten 's lands tot bekeering der Heidenen, als ook onder 't kruis bij 't Pausdom, meer mocht worden voortgezet; tot het bestrijden van gesprekken en geschriften waardoor het aanzien van den publieken godsdienst en van het predikambt werd geschaad; de Overheid werd gewezen op haar plicht om de plakkaten te vernieuwen en met werkelijke straffen te bevestigen tegen de „krijtende zonden, " als vloeken en zweren, 't misbruik van Gods heiligen naam, valsche eeden, ontuchtigheden van allerlei aard; ja, het dragen van kwistige kleeding, het houden van luxueuse maaltijden, bals, balletten en danspartijen, het houden van paarden en koetsen boven zijn staat, moesten voorwerpen van de zorg der Overheid zijn, volgens het Utrechtsch consistorie.
Maar niet alle inwoners der stad waren met de Utrechtsche „preciesheid" en het puriteinsche streven om orde en tucht te handhaven, ingenomen. De „malignanten" verzekerden dat dit op mutinaties en oproer zou uitloopen. En de Magistraat zelf was niet van plan zich voortdurend door den kerkeraad de wet te laten voorschrijven.
Hieruit ontstond de strijd over het bijwonen van de kerkeraads-vergaderingen door afgevaardigden der vroedschap, die wel eindigen moest met de nederlaag van den kerkeraad, zoolang art. 37 der Dordtsche kerkorde van kracht bleef.
Art. 37 luidt aldus : In alle kerken zal een kerken-raad zijn, bestaande uyt Dienaren des Woords en de Ouderlingen, dewelke ten minsten alle weke eens t'samen komen sullen, alwaar den Dienaar des Woords (ofte Dienaren, soo daar meer zijn) bij gebeurte praesideren en die actie regeren sal. Ende sal ook de Magistraat van de plaatse respectivelijk, indien 't haar gelieft, een ofte twee van den haren, wesende Lidtmaten der Gemeente, bij den Kerken-Raad mogen hebben, om te aanhooren ende mede van de voorvallende saken te delibereren.
Den 30sten Maart 1660 vernam de kerkeraad, dat de vroedschap besloten had om in het vervolg twee leden uit hun college af te vaardigen naar den Kerkeraad; reeds waren daartoe twee heeren benoemd, voor wie een „bekwame zitplaats" in de kerkekamer werd opgeëischt. Onmiddellijk stelde de kerkeraad een „remonstrantie" op, waartoe professor Voetius en Ds. van Lodenstein met twee ouderlingen werden aangewezen.
Reeds op Zondag 1 April werd deze „remonstrantie" overhandigd. De vroedschap ging op het verzoek de zaak uit te stellen niet in. De stadssecretaris bracht de vroedschaps-acte den praeses van het consistorie over; de gecommitteerden lieten zich welgevallen, dat de Kerkeraadsleden over de zaak delibereerden.
De slotsom van het beraad was, dat de Kerkeraad nog eens met de magistraat wilde spreken.
Deze boodschap brachten de afgevaardigden, mr. de Leeuw en de heer van Mansvelt over.
Niets baatte; de Kerkeraad mocht memories opstellen, mocht verzuimen de uit de vroedschap gecommitteerden op te roepen; mocht de wekelijksche Kerkeraadsvergaderingen verschuiven; mocht zich wenden tot de Classis ; — 't was alles tevergeefs. Ten slotte wist de magistraat bij de hooge overheid te bewerken, dat naar Utrecht voor een korten tijd in garnizoen werd gezonden krijgsvolk te paard en te voet „tot conservatie der ruste van de kercke en de politie."
Op het breede vertoog, dat, niet zonder spitsvondigheden, was opgesteld om aan te toonen, dat art. 37 der Dordtsche Kerkorde hier niet behoorde toegepast te worden, antwoordde de magistraat zonder omhaal van woorden, overwegende „dat dit artikel den 6den Augustus 1619 door ons is goedgevonden en gearresteerd, en dat de provinciale Synode van Utrecht, gevraagd, of er iets in die Kerkorde was, waarin zq bezwaar vond, haar hartelijke blijdschap had betuigd over het goedkeuren en arresteeren daarvan, terwijl de praeses plechtig in den naam van Jezus Christus, de leden vermaand had om die orde getrouw en naarstig te onderhouden, terwijl de predikanten en ouderlingen van Utrecht tot nog toe bij 't aanvaarden van hun dienst, door speciaal onderteekende acte beloofd hebben, zich in dien dienst te zullen gedragen overeenkomstig de voorzeide gearresteerde Kerkorde, zelfs op straffe van ontzegging van den dienst." Zoodat de bevoegdheid van de vroedschap vast stond en zij zich hou den zou aan haar besluit en de Kerkeraad gehouden zou wezen de commissarissen volgens dit art. 37 toe te laten en naar behooren te respecteeren. (Utrecht, 24 Juli 1660)."
„Maar nog drukkender werd de hand der Overheid. De Staten van het Sticht, ontevreden over de aanmerkingen in prediking en catechisatie door predikanten over zaken, die de politiek en de regeering betroffen, besloten vier artikelen op te stellen, die de predikanten zouden onderteekenen juist op den dag toen Van de Velde en Teellinck zich onverwachts verbannen zagen, 19 Juli 1660, vernam de Kerkeraad dit besluit.
De bedoelde artikelen bevatten de verklaring, dat de dienaren des goddelijken Woords in de stad, de steden en het land van Utrecht, die er nu stonden en die er beroepen zouden worden, in 't prediken, catechiseeren en in de kerkelijke vergaderingen niet mochten afwijken van hetgeen in de Nationale Synode van 1618 en 1619 was besloten, inzonderheid dat zij de artikelen 28, 87, 55, en 67 in acht hadden te nemen. [Art. 28 behelst de verplichting der predikanten om de gemeente vlijtig in te scherpen de gehoorzaamheid, liefde en eerbied, die zij den Magistraten schuldig zijn. Art. 37 zie hiervoor. Art. 55 bevat het verbod om iets uit te geven of te laten drukken, dat niet door de Classis, particuliere Synode of proffessoren van de provincie is goedgekeurd. Art 67 de verplichting .om nevens den Zondag, ook den Kerstdag, Paschen en Pinksteren met den volgenden dag te houden en waar dit in gebruik is ook den dag van de Besnijdenis en de Hemelvaart van Christus.]
Voorts dat zij zich zouden hebben te wachten om te critiseeren zaken rakende de politie, de regeering of ook den staat der Kapittels en derzelver goederen.
Die deze artikelen overtrad zou worden gestraft naar bevind van zaken en wie weigerde ze te onderteekenen zou nimmer in den dienst in deze provincie worden toegelaten.
De Kerkeraad diende haar „doleantie" tegen deze besluiten in, maar de magistraat bleef onaandoenlijk."
Tegenspoed.
In de Utrechtsche Kerkbode stond onlangs van de hand van Ds. Klaarhamer een stukske over de droeve ervaringen die men in het midden van de Geref. Kerken in betrekking tot den Zendingsarbeid moet doormaken.
We nemen er hier iets van over:
»De Gereformeerde Kerken doorleven in haar zendingsarbeid moeilijke tijden. Tijden van teleurstellingen.
Dr. Esser moet zijn arbeid te Poerbolingo verlaten, om ernstige krankheid van mevrouw Esser. Ds. Pera moest de Kerk van Soerabaya verlaten, om ernstige krankheid van mevrouw Pera. Dr. Vogelsang heeft door ziekte ten gevolge van overspanning zijn arbeid te Solo moeten verlaten, om door rust in koeler klimaat herstelling te zoeken. Mevrouw Van Andel te Solo lijdt door herhaalde aanvallen van malaria, die haar noodzaken elders herstelling te zoeken. Onze Ds. Ingnversen kan met 't oog op gade en kinderen onmogelijk terugkeeren. En nu wij na enkele vergeefsche pogingen eindelijk een predikant gevonden hadden, bereid om eene beroeping in ernstige overweging te nemen en hij beroepen zijnde, zich voor den arbeid in de tropen laat keuren, nu wordt hij voor een verblijf op Java afgekeurd.
Meer dan 3 jaar lang is onze Kerkeraad voortdurend bezig geweest, om te pogen, een arts voor Poerworedjo te vinden, ten einde daar een hospitaal te stichten.
En al deze pogingen — véél meer dan een dozijn — faalden door allerlei oorzaken".
Dat zijn droeve ervaringen.
En dergelijke ervaringen kunnen zoo drukken, zoo moedeloos maken.
Terwijl de velden wit zijn om te oogsten; terwijl velerlei arbeid roept; terwijl de deuren openstaan — ontbreken de arbeiders. Terwijl het heidendom en het Mohammedanisme groot en sterk zijn — is de keurbende der Christenen zoo klein en zoo zwak.
Wat wij in betrekking tot onzen Gereformeerden Zendingsbond ook telkens met droefheid zullen gaan ervaren.
Hoe meer de roeping gevoeld zal worden, hoe meer de verantwoordelijkheid onze ziel zal vervullen, hoe meer het gebod Gods ons zal gaan drijven — hoe meer arbeid zich voor ons zal gaan openen, hoe meer hulp we zullen nodig hebben, hoe meer arbeiders door ons zullen moeten worden gezocht.
En och, arme — waar, waar zullen ze vandaan komen?
Waar onze zendelingen, waar onze onderwijzers, waar onze doktoren, waar onze verpleegsters te vinden?
De nood is zoo groot.
De velden zijn wit.
Dat we den Heere des oogstes maar veel mogen bidden, dat Hij nog arbeiders uitstoote in Zijn wijngaard, dat Hij ook onzen Geref. Zendingsbond maar mannen en vrouwen beschikke, die den arbeid des Heeren willen uitvoeren.
En dat wij Hem dan maar niet in den weg mogen staan met onze benepen, hatelijke, dwaze redeneeringen, die zoo gemakkelijk koren kunnen aandragen op Satans molen en den Heere kunnen tegenstaan in Zijn arbeid te ons waart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's