De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Romeinen 6:4.

In nieuwigheid des levens wandelen.

Christus is in den dood ingegaan en waarlijk gestorven. Dat is een feit van gewicht. Want nu is aan Gods gerechtigheid voldaan; en uit die volheid van gerechtigheid, door Christus in Zijn dood gewerkt, krijgt Sion nu genade voor genade, leven en heil van den Heere.

Zonder den dood van Christus bezitten wij niets. Dan liggen we onder den vloek vanwege de zonde; dan zijn we aan den drievoudigen dood onderworpen vanwege onze overtreding, daar de Heere immers gezegd heeft: „ten dage als gij daarvan eet zult gij den dood sterven."

Overal komt ons dèn dat woord tegen: "vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in aI hetgeen geschreven staat in het boek der wet om dat te doen."

Maar in en door den dood van Christus is aan Gods gerechtigheid voldaan. En nu deelt Hij uit aan een iegelijk, die Christus in geloove als zijn Borg en Losser mag aannemen, genade voor genade, vrede en heil.

Zoo is Christus' dood een feit van gewicht. Een feit waar ten slotte alles op aankomt voor Gods gemeente.

Want daar wordt aan de gerechtigheid Gods voldaan en daar wordt de waarheid Gods vervuld, dat door Zijne striemen ons genezing zou worden.

Loochening van dat feit is loochening van het allervoornaamste voor den christen.

Dan komt de christen weer in de gevangenis.

Dan komt de ziel weer onder den vloek.

Dan staat de zondaar daar met een onbetaalde rekening, die eeuwige straf eischt.

Maar den dood van Christus kennende mag de ziele in geloove uitroepen: het handschrift dat tegen ons was is verscheurd, de schuld is betaald, de strik is verbroken, de vloek weggedaan — nu geen verdoemenis meer, maar vrede en zaligheid.

Daarvoor moet de ziele inleven in dat feit van Christus' dood.

Er geheel mee vereenigd worden, er geheel in wegzinken.

Ja — de zondaar moet met Christus' mee. gekruisigd worden, met Christus mee sterven, met Christus mee begraven worden.

Neen — niet om Christus te helpen in dien weg, om een gedeelte van dien lasten van dat werk van Christus over te nemen en om een gedeelte tot verzoening van de schuld mee te dragen.

Want dat kan de mensch niet.

Dat kan niemand. «

Dat moet Christus alléén doen, gelijk Hij ook in waarheid alléén de pers getreden heeft.

Dus niet om te betalen, niet om te verdienen.

Maar de ziel moet hare eigen zonde en schuld zóo voor Gods heilig aangezicht leeren gevoelen en belijden, dat de kruisdood gebillijkt wordt en met een verbroken hart wordt bekend: mijn zonden hebben Christus »an het Kruis genageld.

't Moet persoonlijk worden.

Willen we kunnen uitroepen: ik danke God, dat ik niet meer voor eigen rekening sta, maar door Christus ben geëigend en overgenomen, zoodat ik nu voor God rechtvaardig ben — ol dan moeten we ook met weedom des harten onze zoude gevoeld heb­ben en onze schuld beleden en met Christus aan het Kruis genageld zijn geworden, met Christus zijn begraven.

De vloek der wet moet ons aan het vloekhout hebben geklonken en de angsten der hel ons nedergestort in den dood.

Dan moeten we het weten: wij zijn door de wet gedood — maar in Christus mede levend gemaakt.

En o! als we nu waarachtig onze zonde gevoeld hebben en we zijn waarlijk met Christus gekruisigd —dan hebben we inde zonde den dood gevonden en dan hebben we de ongerechtigheid bekend te zijn tot eene vervloeking.

Dan hebben we een doodschrik voor de zonde ontvangen; dan zijn we uit den dooden staat van ongerechtigheid uitgerukt.

Dan hebben we oogen ontvangen om te zien en een hart om op te merken.

En geen vreeselijker voorslag kan men de ziele doen dan tot haar te zeggen: laat ons de zonde doen, opdat de genade des te meerder worde (vers 1).

Dat vindt de ziel vreeselijk!

En dan komt uit het diepste van het harte: dat zij verre!

O, wat een vreeselijke voorslag, om de zonde te doen. Want de zonde heeft immers de ziel onder den vloek gebracht, onder het oordeel Gods, in de verdoemenis!

De zonde heeft de ziel aan het kruis gebracht, aan het vloekhout.

De zonde bekennende zag de ziele Christus hangen aan het Kruis en bekende daar: mijn zonde heeft Hem aan het hout genageld.

En dan nu de zonde doen?

Dan nu weer in 'de zonde leven?

Dat zij verre! Dat zij verre!

Neen, als er waarachtig iets met ons gebeurd is en we hebben onze zonden leeren zien en veroordeelen, in den spiegel van Gods heilige wet ziende, dan is de zonde te doen het allervreeselijkste wat we doen kunnen. Dan tergen we God. Dan blusschen we den Geest uit. Dan slaan we Christus' gerechtigheid terneer.

Ja — dat is Christus verachten en verwerpen.

Dat is Christus opnieuw dooden.

En daarom — wat is de stille en oprechte begeerte der ziele bij Gods kind, als het den weg wèl overdenken mag en oprecht voor den Heere mag staan ?

Dan overlegt de ziele dit:

Christus is gestorven en begraven en heeft toen de zonde te niete gemaakt, om op te staan uit het graf tot heerlijkheid des Vaders.

O - zoo overlegt de ziele — dat ook ik zoo eens afscheid mocht nemen van de zonde en van het zonde-leven, om als een nieuw schepsel op te staan uit het zondegraf en den Heere in nieuwigheid des levens te dienen, te vreezen en te eeren.

- En ziet, dat wil de Heere in beginsel aan Zijn kinderen geven hier op aarde.

Met den dood zullen ze de zonde afsterven.

Dan worden ze van de zonde verlost.

Dan is 't met de zonde uit.

Dan is alles nieuw, heerlijk, heilig, zalig.

En neen — vóór de laatste ure zal die zaligheid niet aanbreken.

Maar de Heere wil in de wedergeboorte en in de bekeering toch een nieuwe keuze des harten werken in het harte van Zijn gunstgenooten, waarbij de heerschappij van de zonde verbroken wordt en het Godsleven ingeplant wordt, om te ontkiemen en uit te spruiten, vruchten van bekeering voortbrengend.

Dat is óok een vrucht van den dood van Jezus.

Door Zijn dood wordt voorwerpelijk de zonde van Zijn volk gebroken en weggedaan.

En wanneer wij door genade in de kennis van deze dingen mogen ingaan, dan wordt aan de heerschappij van de booze lusten in onze ziele hiermee een slag ten doode toegebracht.

Dan leeren we een hartelijk leedwezen over de zonde kennen; dan worden de ketenen, die ons gebonden houden in het graf der zonde, losgemaakt en Christus kennende, die leeft in den hemel, ontvangen we door Zijnen Geest lust en liefde tot hetgeen Godes is, tot hetgeen boven is. Of zooals de Catechismus het zegt in Zond. 16: „dat door Zijne kracht onze oude mensch met Hem gekruist, gedood en begraven wordt, opdat de booze lusten des vlsesches in ons niet meer regeeren, maar dat wij onszelven Hem tot eene offerande der dankbaarheid opofferen."

Zoo komt er leven, nieuw leven.

Door de kruisiging van den ouden mensch.

Door het begraven van al 't onze, daarop schrijvende den dood.

Door het schuilen bij Christus, die gerechtigheid verwierf.

Door het inleven in de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.

En daar wordt de ziele eerst recht verkwikt, om ook Gode dankbaarheid te bewijzen voor zulk een weldaad haar bewezen.

O, wat vindt de ziele in Christus iUes.

En dan in Christus die gekruisigd, gestorven en begraven is.

Door Hem, die dood geweest is, maar nu leeft en voor Zijn volk den vernieuwenden Geest verworven heieft, waardoor de oude mensch afsterft en de nieuwe mensch opstaat.

Waardoor het leven dat van boven is, ontkiemt, opbloeit en vruchten voortbrengt, der bekeering waardig.

En door die genade Gods, in Christus geopenbaard en door den Geest aan het harte toegepast, roept Gods kind uit, wanneer de ziele welgesteld is: ik ben met Christus gekruist en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft" (Gal. 2:20),

O! in die oogenblikken en tijden dat Christus in ons leeft, worden onze leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid gesteld.

Dan heerscht de zonde niet over ons.

Evenmin als de Kanaanieten of Midianieten Israel konden onderdrukken als het volk op God aanliep en de Heere in het midden van hen wilde tegenwoordig zijn.

Dan werden de vijanden gedood, dan werden ze gebonden, dan moesten ze hun wapenen overgeven en ze werden 'verjaagd buiten de grenzen van het heilige land.

En zóo ook wanneer de ziele Gode mag leven, dan wordt de oude mensch gekruisigd en dan mag de nieuwe mensch opstaan en Gode zijne leden stellen tot wapenen der gerechtigheid.

Dan wordt Gods Woord en getuigenis gezocht, gelezen — ja, met smaak gegeten.

Dan worden Gods geboden betracht en Gods inzettingen gehouden.

Dan is het: hoe lief heb ik Uwe wet, zij is mijne betrachting den ganschen dag.

Dan zijn de inzettingen des Heeren tot gezangen in het land der vreemdelingschappen.

Waarbij het der ziele droefheid en smart is, dat het zoo weinig alzoo ervaren wordt, vanwege de hardigheid des harten, de zondigheid des vleesches, de ongerechtigheid der ziele die groot is.

OI die zonde.

O! die vreeselijke zonde. Die zonde, die ons geheel doortrekt; die ingaat en doorgaat tot de diepste .roerselen der ziele en tot de binnenste kameren des harten.

O! die oude mensch en die vijanden, die ons omringen van alle kanten om ons, door onze zonden, aan zich te onderwerpen en op ons hoofd te rijden.

Ach — hoe dikwijls is het niet, dat geroepen kan worden: „Simson, de Filistijnen over u!"

Maar o! dan is in Christus voorwerpelijk de zonde de genadeslag toegebracht 'en Satan z'n buit ontrukt.

Dan is een wederhoorig kroost een eeuwige woning bij God bereid.

En als de ziele, door schuldbesef verslagen, in den dood van Christus weer mag inleven en weer met Hem begraven mag worden, dan bloeit daar bij het graf van Christus de schoonste bloem.

Dan wordt daar gehoord: Abba, VaderI

Ja, naar mate de Koning ons dierbaar mag zijn, vloeit uit Zijne volheid genade en eere ons toe, om door Zijne kracht over onze „vijanden te heerschen en Gode te leven uit dankbaarheid;

Dan klimt de bede omhoog: Heere, houd ons dicht bij U.

En zelf ledig zijnde kan de Heere aan ons het meest kwijt raken.

Waarbij uit het diepst van de ziele gehoord wordt: Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde! Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid.

Zalig, die den Kruisweg maar kennen mag; die den ouden mensch maar veel begraven mag; die den opgestanen Christus maar veel mag zoeken en die gesterkt van boven voor des Heeren aangezichte mag wandelen in oprechtheid.

Die zal verstaan dat de apostel Paulus uitriep: wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven ? Christus is uit de dooden opgewekt tot heerlijkheid des Vaders en wij zijn met Hem gestorven opdat ook' wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 mei 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's