Uit de Pers.
Leertucht.
Wij nemen gaarne uit De Gereformeerde Kerk een stuk over voorkomend in de rubriek
„Vragenbus", dat, geschreven door Ds. C. J. Lingbeek van Spijk (Gron, ), een antwoord geeft op bedenkingen tegen leertucht in de Kerk, waarbij dan als bewijs voor de stelling: dat in de Kerk alles maar rustig moet worden toegelaten, dikwijls de gelijkenis van het onkruid en de tarwe wordt aangehaald.
We laten het stuk in z'n geheel volgen. Het luidt:
De heer P. te R. zond ons. een nummer van de , «Nieuwe Kerkbode, " officieel orgaan van de Nederlandsche Hervormde Gemeenten te Charlois met Katendrecht, Delfshaven, Feijenoord en Kralingen, te Rotterdam, en onder redactie van het Ministerie van predikanten dier Gemeenten.
Dit ons toegezonden nummer bevat een bespreking van de brochure, onlangs van de hand van schrijver dezes verschenen, over »De Gereformeerde Bond en de Confessioneele Vereeniging". De bespreking daarvan was zeer waardeerend, doch behelsde niettemin de ernstigste'bezwaren tegen het herstel der leertucht, waarvoor wij, Confessioneelen, ijveren.
De geachte schrijver in de «Nieuwe Kerkbode" is van meening dat herstel der leertucht in onze kerk op niets anders kan uitloopen dan hierop, dat allen die, op grond van den Bijbel met de leer der Gereformeerde belijdenisschriften niet instemmen, zullen worden gedwongen de Hervormde Kerk te verlaten.
Als waarschuwend voorbeeld wijst hij zijne lezers op de behandeling, in 1618 door de Remonstranten ondervonden op de Dordtsche synode.
Zijnerzijds acht hij volkomen vrijheid van leer in de Kerk alleszins aanbevelenswaardig.
Ook acht hij dit schriftuurlijk. In de gelijkenis van het onkruid en de tarwe leert de Heiland dat zij beide tezamen moeten opwassen tot den dag des oogstes.
Ook heeft de Zaligmaker aan Zijn kruis alle macht der dwaling tegen zich laten uitwoeden, en juist daardoor er over getriomfeerd.
Dat voorbeeld moet ook Zijn Kerk navolgen en geen tucht over de leer harer leden of voorgangers nastreven.
Antwoord. Wij houden ons overtuigd, dat in het bovenstaande niet alleen het gevoelen van de geachte schrijver in de Nieuwe Kerkbode, maar ook dat van vele anderen ligt vervat. Ook daarom danken wij hem, die ons het nummer van genoemd blad toezond en gaarne willen wij hem onze gedachten over het bovenstaande gevoelen zeggen.
De geachte schrijver dan beroept zich op de Heilige Schrift, En terecht mengt hij de Schrift erin. Want hoe het in de Kerk des Heeren moet toegaan; of er al of niet leertucht moet wezen, is een vraag, die niet door onze wijsheid, maar door het Woord des Heeren wordt beslist. Jammer alleen vinden wij het dat de schrijver zich dan bijna uitsluitend op de gelijkenis van het onkruid en de tarwe en op het gedrag des Heeren aan Zijn kruis beroept. Immers, als wij zoeken naar voorschriften voor ons kerkelijk leven, dan hebben wij die toch in de eerste plaats te zoeken in die gedeelten der Heilige Schrift, die zijn geschreven nadat de Kerk des Heeren op aarde was gesticht; met andere woorden: in de brieven der apostelen.
Maar goed; onze geachte bestrijder beriep zich op de gelijkenis van het onkruid en de tarwe; daarom willen ook wij daarmede beginnen.
Zou de Heiland met die gelijkenis inderdaad hebben willen leeren dat in Zijne kerk volslagen leervrijheid moest heerschen? Indien de Zaligmaker dit had willen leeren, had Hij gewis (het zij met eerbied gezegd) een ander beeld moeten kiezen dan dat van onkruid en tarwe. Of wij vragen: wie zou ooit beweren, dat het beter was voor den landman om nooit zijnen akker van onkruid te zuiveren dan om dien rein te houden? Niet één! Maar hoe zou de Heiland ons dan iets, wat op natuurlijk gebied door niemand ooit zou worden aanbevolen, gebruiken als een beeld om ons daarmede te leeren hoe 't in Zijn kerk nu juist wèl zou moeten toegaan ?
Maar wij lezen in de gelijkenis dan ook niets van zulk een volstrekt verbod om den akker van onkruid te zuiveren.
Wat staat er in de gelijkenis? Toen het goede .zaad, dat de landman in zijn akker had doen zaaien, reeds was opgeschoten, ja zelfs reeds vrucht voortbracht, toen openbaarde zich het onkruid (v, 26), 't Was namelijk een soort van onkruid dat, zoolang 't nog blad was, niet van de tarwe viel te onderscheiden, maar dat, eerst als het in de aar kwam, als onkruid openbaar werd.
En nu beval de heer van dien akker om dat onkruid niet uit te wieden.
En dat beval hij natuurlijk niet, omdat hij zich tot een vasten stelregel had gemaakt om altoos, immer en tot lederen prijs, tot den oogst toe zijn akker vuil te laten.
Neen maar, zooals er in v. 29 uitdrukkelijk bij staat, omdat hij in dit geval vreesde, dat de arbeiders tegelijk mét het onkruid ook de tarwe zouden uitwieden.
Het is dus niet geoorloofd om uit deze gelijkenis de algemeene leering te trekken, dat er in de Kerk des Heeren geenerlei tucht zou mogen worden geoefend. Niet over de leer en dan natuurlijk ook niet over het leven.
Neen, deze leering ligt hier alleen opgesloten, dat in de kerk geen tucht geoorloofd is, in zulke bijzondere gevallen waarin de dienaren gevaar zouden loopen van mèt de kwaden ook de goeden uit te werpen.
Terecht hebben onze gereformeerde uitleggers onder het onkruid dan ook meest de onoprechte Christenen of de huichelaars verstaan.
Als men zulken, die de waarheid niet tegenstaan en ook onbesproken, leven, hoewel hun harte verre is van den Heere, uit de kerk zou willen verwijderen, dan liep men gevaar van mèt het onkruid ook de tarwe uit te rukken. Immers in de harten lezen kan alleen de Heere.
Daarom : in zulke gevallen geldt de regel van deze gelijkenis: laat ze tezamen opwassen tot den dag des oogstes.
Gansch een ander geval dan het in onze gelijkenis beschrevene is het evenwel, wanneer in de kerk lieden opstaan, die openlijk een goddelooze leer drijven of een ergerlijk leven leiden. Immers bij de verwijdering van sulke leden zou men niet het minste gevaar loopen van ook de goede leden (de tarwe) te beschadigen.
En daarom : onze gelijkenis gebiedt weliswaar niet om lieden van de laatste soort uit de Kerk des Heeren te verwijderen; maar zij verbiedt het nog veel minder, daar zij immers een andere categorie van lieden aanwijst, als niet moetende verwijderd worden.
Of er dus al of niet leertucht moet wezen, kan uit deze ééne plaats niet met zekerheid worden opgemaakt. Daartoe moeten zulke plaatsen in de Heilige Schrift worden geraadpleegd, die zich over dit punt met beslistheid uitlaten.
Verboden wordt de leertucht in geen geval. Een ander bijbelsch argument, door denzelfden aangevoerd tegen de leertucht, is dat de Heiland immers aan Zijn kruis alle macht der dwaling tegen zich heeft laten uitwoeden, en dat Zijne Kerk dat voorbeeld heeft na te volgen.
Is dat niet vèr gezocht? Al wat de Schrift bevat aan positieve voorschriften voor ons kerkelijk leven wordt stilzwijgend voorbijgegaan, en aan dingen van geheel anderen aard worden nu de voorschriften ontleend.
Maar goed; de Heiland heeft aan Zijn kruis alle macht der dwaling tegen Zich laten uitwoeden; 't is waar. Maar heeft Hij alle macht der dwaling ook in Zijn kerk opgenomenl Immers neen! Geen Kajaphas, geen Pilatus heeft Hij onder Zijne discipelen opgenomen; alleen een Judas. Maar die Judas was dan ook, hoewel geveinsd, een belijder van des Heeren Naam.
Derhalve: uit het voorbeeld van den Heiland in Zijn lijden kan de Christelijke Kerk wél leeren hoe zij de vijandschap der wereld he«ft te dragen. Maar dat zij alle dwaling en valsche leer in haar schoot vrijelijk zou moeten laten voortwoekeren kan nooit met eenig recht nit dat voorbeeld worden afgeleid.
Maar wat leert de Schrift dan wèl omtrent de gedragslijn, die de kerk heeft te volgen inzake de leer? Wij kunnen hier slechts aanstippen.
Van de jeugdige Kerk te Jeruzalem lezen wij, dat zij waren volhardende in de leer der apostelen^'. (Handelingen III:42.)(feitelijk Hand. 2:42 - corrector)
Aan de Efeziers schrijft de apostel Paulus, dat het in de Kerk des Heeren is; "één lichaam en èén Geest, éèn Heer, één geloof, één doop. (Efeze IV:4.)
Nadrukkelijk vermaant hij dat wij dan niet zullen zijn als kinderen tdie als de vloed bewogen en omgevoerd worden met alle wind van leer." (Efeze IV:4.)
Ook noemt hij het middel, dat God gegeven heeft om Zijn kerk voor zulk een om voering te bewaren; immers, daartoe heeft Hij gegeven: sommigen tot Apostelen, en sommigen tot Profeten, en sommigen tot Evangelisten en sommigen tot Herders en Leeraars." (Efeze IV:11.)
Ook laat de Schrift ons niet in onwetendheid op wat wijze tegen hen, die afwijken, moet worden gehandeld.
Immers, als een uitersten maatregel tegenover dezulken geeft de apostel het bevel; "Doet gij deze boozen uit ulieden weg." (1 Cor. V:13.)
Maar daarnevens zien wij in Handelingen XVI, hoe bij voorkomende moeilijke vraagstukken een ieder maar niet vrij was om voor zichzelf de oplossing daarvan te maken, maar hoe de Kerk des Heeren dan had te vergaderen om onder de leiding des Heiligen Geestes tot overeenstemming omtrent de waarheid te komen.
En hier moeten wij er met allen nadruk op wijzen, dat onze geachte bestrijder en bijna allen, die van geen leertucht willen weten, zich van de zaak een geheel verkeerde voorstelling maken. De leertucht, die het Rotterdamsche blad zoo zeer ducht, bestaat uitsluitend in een uitbannen of afsnijden van alle kettersche leden der kerk.
Dat nu is niet uitsluitend en zelfs niet in de eerste plaats wat wij onder leertucht verstaan.
Johan à Lasco, een der Hervormers, schrijft: »De tucht is een zekere, aan de Heilige Schrift ontleende instelling, volgens welke, met trapsgewijze opklimming, alle broederen in de gemeente Gods elkaar, overeenkomstig het Woord van God, Christelijk hebben te vermanen, opdat zoowel het geheele lichaam en al zijne leden, elk in zijn bizonderen werkkring, voor zoover zulks mogelijk is, worden bijeengehouden, alsook opdat, indien er wellicht sommigen in dé Gemeente gevonden worden, die dergelijke vermaningen hardnekkig versmaden, dezulken ten laatste door uitsluiting uit haar midden den Satan overgegeven worden, of misschien ook nog door zulk een beschaming het vleesch, wat betreft zijne begeerlijkheden in hem te niet gedaan, de geest daarentegen tot bekeering geroepen en behouden worde.«
En Dr. H. Schokking schrijft in zijn »De leertucht in de Gereformeerde Kerk, tusschen 1570 en 1620«, dat tot de tucht niet alleen behoorden de bestraffende maatregelen, maar ook zulke maatregelen, die dienden om bestraffing onnoodig te maken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's