De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

15 minuten leestijd

Het nieuwste snuifje

Wat de orthodoxen leeren aangaande God en Christus is oud, versleten en nabij de verdwijning — zeggen de modernen. En Dr. Niemeyer is in het Weekblad voor de Vrijzinnige Hervormden nog weer eens hun spreekbuis.

, Ik ben", zoo sprak hij en zoo spreekt hij nóg, „ik ben een wetenschappelijk man; en als wetenschappelijk mensch verklaar ik, dat de orthodoxie het mis heeft." Het geloof en de redeneering van de orthodoxen is ten slotte dom ongeloof. En als wetenschappelijk man voelt hij, dat hij nu verplicht is om te zeggen wat dan wèl, wetenschappelijk geoordeeld en religieus gevoeld, als het christelijk geloof moet-worden beschouwd.

En dat is niet wat de orthodoxie leert.

Dat is door onwetenschappelijke, domme, ongeloovïge apostelen en kerkvaders, door bekrompen en dwalende concilies en synoden in de wereld gebracht.

Maar het zuivere, waarachtige, wetenschappelijk en religieus hoogstaande, christelijk geloof is: , God is ons aller Vader en ieder mensch is Zijn kind."

Dat is het nieuwste en het schoonste wat op de theologische markt ooit gebracht is!

Door Dr. Niemeyer uitgevonden, die verklaarde : , ik ben een wetenschappelijk man."

Maar nu moet Dr. Niemeyer eens wat aan dogmengeschiedenis gaan doen. En hij moet de kerkhistorie eens wat gaan bestudeeren. Dan zal hij misschien ontdekken, dat wat hij nu aan de markt wil brengen, voor 300 jaar en voor 900 jaar en voor 1500 jaar ook in het midden van de Christelijke Kerk is verkondigd.

Maar toen wilde men het in het midden van Christus' Kerk zoo niet aanvaarden. Het werd niet wetenschappelijk en niet religieus genoeg bevonden. Het werd als leugen en dwaalleer geteekend en verworpen.

En men hield het toen liever met Gods Woord en met het Evangelie van Jezus Christus

Gelijk ook wij doen.

Van het nieuwste snuifje zeggend, dat het oud en versleten is en met het oorspronkelijk en het tegenwoordig christendom, zonder meer, in strijd.

Het Evangelie van Jezus Christus.

Steeds is het woord „Evangelie" vertaald en verklaard met het woord blijde boodschap.

En steeds is het woord „het Evangelie van Jezus Ghrittus" in de Christelijke Kerk opgevat als: de blijde boodschap voor arme zondaren, vermeldend dat er in Jezus Christus, den Gekruiste, een weg geopend is tot zaligheid.

Dat verstaat ook onze Ned. Herv. Kerk er onder. Getuige haar belijdenisschriften.

Het Evangelie is de blijde boodschap, dat er in Jezus Christus hulpe en raad is voor den zondaar, ook voor hem of haar die het diepst wegzonk in ongerechtigheid en ellende.

Waarbij het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reiniging geeft van alle zonden aan allen, die Hem in oprechtheid lèeren aanroepen en Hem leeren kennen als hun Borg en Zaligmaker.

Dat is zóo duidelijk en zóo algemeen aangenomen, dat de uitdrukking „het Evangelie van Jezus Christus verkondigen", voor ieder christen-mensch 't zelfde zegt als: verkondigen van het heil, dat in Jezus Christus, die overgeleverd werd om onze zouden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, voor arme zondaren is geopenbaard.

Maar de modernen verklaren het Anders. Die zeggen: het evangelie van Jezus Christus verkondigen is: de menschen te zeggen, dat hun dezelfde gezindheid moet vervullen die Jezus vervulde.

Wat lijkt dat mooil Maar wat is het leugensachtig en dwaas. Want waar Jezus Christus in Zijn verzoenend lijden en sterven de hoofdinhoud van het Evangelie moet zijn en de verzoening der zonden in Zijn bloed die rijke en goddelijke vertroosting voor een arm zondaarsvolk (denk slechts aan de 1e Zondag Heid. Cat.) — daar wordt dit alles bij de modernen eenvoudig weggeworpen en verzwegen en 't gaat om een gezindheid bij den mensch naar het model van den ideaal-mensch Jezus van Nazareth.

Van den mensch wordt anders gesproken dan de Schrift spreekt; anders dan de Christelijke Kerk van alle eeuwen van den mensch heeft getuigd.

Van Jezus wordt anders gesproken dan de Schrift spreekt en de Christelijke Kerk van alle eeuwen heeft getuigd.

Van alles, alles wordt anders gesproken dan de Gemeente des Heeren altijd heeft beleden en nog belijdt.-Waar de vreugd van Sion is om van eeuw tot eeuw te verkondigen: „door Zijne striemen is óns genezing geworden" — daar is door de modernen alle troost weggerukt vooreen arme zondaarsziel.

Het Kruis is weg. Het Middelaarschap van Christus is weg. Het Evangelie der genade is weg.

En zoo staat de zondaar zonder troost en de opgeblazen dwaas sterkt zich in zichzelf, wat tot teleurstelling en tot zwaarder oordeel is.

O! wat is het evangelie van de modernen een onbijbelsch, onchristelijk, zinneloos, hoogmoedig, hardvochtig gepraat, dat de ziele van den ellendige pijnigt en den eigengerechtige bedriegt!

God onze Vader.

Gij, orthodoxen, gij kunt — zoo zegt de moderne — gij kunt en gij moogt niet belijden: „ik geloof in God den Vader." Want gij gelooft niet, zooals wij, dat God aller Vader is.

Gij gelooft niet in een Vader. Gij leert dat God een wrekend Rechter, een wreede Despoot, een hardvochtig Heer, een tyranniek en bloeddorstig Heerscher is, die den een aanneemt en den ander verwerpt; terwijl Hij dan ter rechtvaardiging van degenen, die Hij aanneemt, het bloed eischt van een Onschuldige,

Neen! dan de moderne belijdenis. Die belijdenis van den Al Vader! Wat ons antwoord daarop is?

Dit: Och, och, wat verstaat gij, modernen, toch weinig van de heilswaarheden.

Wat zijt gij toch vreemd aan den Bijbel. Wat zijt gij ontgroeid aan het waarachtig christelijk geloof. Wat zijt gij vreemd aan de waarachtige zelfkennis en aan de kennis van den waren God.

Gij die spreekt over den Al-Vader, gij leeft eenvoudig uit het heidensch panteïsme.

Terwijl wij die rijk-vertroostende belijdenis hebben, dat God, om Christus' wil, de Vader is van Zijn kinderen, die als arme zondaren Jezus roemen als hun Zaligmaker en Borg.

Zichzelf door genade kennende en den Heere kennende door den Geest, belijden de Christ-geloovigen van alle tijden en alle landen met den geloovige uit den Heidelb. Catechismus :

„Ik geloof, dat de eeuwige Vader onzes Heeren Jezus Christus, die hemel en aarde, met . al wat er in is, uit niet geschapen heeft, die ook dezelve' nog door Zijnen eeuwigen raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert, om Zijns Zoons Christus' wil, mijn God en mijn Vader is; op Wien ik alzóo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keeren, dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader" (Zondag 9).

Jezus, onze Heere.

Met elk woord van de belijdenisvragen uit art. 39 Regl. op het Godsd. onderwijs komt de moderne in conflict.

Wanneer b.v. Jezus, Gods eeniggeboren Zoon, onze Heere genoemd wordt, dan zitten ze met dit onze Heer of Heere verlegen.

Want dat beteekent dat Hij het eenig Hoofd der Gemeente is, de Koning Zijner Kerk en dat Gods kind zich Zyn eigendom mag weten, in Hem rechtvaardig voor God.

Of zooals de Cat. zegt: wij noemen Hem onzen Heere „omdat Hij ons, met lichaam en ziel, van al onze zonden, niet met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed, gekocht en van alle geweld des duivels verlost, en ons alzoo Zich tot een eigendom heeft gemaakt."

Nu, daar gelooft de moderne geen woord van.

Zij erkennen Hem nog niet eens als een memch zonder zonde.

Want Hij heeft Zich daarvoor te veel door Zijn hartstocht laten vervoeren, waarover Hij zelf — zoo zegt men — in kalmer oogenblikken wel spijt en wel berouw zal hebben gehad.

Is het niet schrikkelijk om zich dan toch te blijven bewegen onder degenen, die met de Kerk des Heeren van alle tijden en alle landen Jezus erkennen als hun Zaligmaker en Borg?

God en den naaste liefhebben.

Waar men van moderne zijde naar voren schuift als kenteeken van het ware christendom: „God lief te hebben boven alles en den naaste als zichzelf" — daar is het goed, dat wij het uitspreken dat ook onze overtuiging is, dat onze godsdienst naar dat gebod moet uitgaan.

Maar wij zetten dit alles dan in een andere lyst dan de modernen.

Wij zeggen met art. 29 van onze Ned. Gel. belijdenis:

„En aangaande degenen, die van de Kerk zijn, die kan men kennen uit de merkteekenen der Christenen; te weten, uit het geloof en wanneer zij, aangenomen hebbende den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde ontvlieden en de gerechtigheid najagen; den waren God en hunnen naaste liefhebben; niet afwijken noch ter rechter-noch ter linkerhand, en hun vleesch kruisigen met zijne werken. — Alzóo nochtans niet, alsof er nog geene groote zwakheid in hen zij, maar zij strijden daartegen door den Geest al de dagen huns levens; nemende gestadig hunne toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid van den Heere Jezus, in welken zij vergeving hunner zonden hebben, door het geloof in Hem."

Wat klinkt het modern beweren tegenover deze belijdenis onzer Vaderen koud en wat is hun godsdienst arm, daar zij Christus missen, die ons alleen door Zijne gehoorzaamheid, lijden en sterven, tot verzoening en vrede wezen kan.

„Wij besluiten dan, dat de mensch gerechtvaardigd wordt uit het geloof en niet uit de werken" (Rom. 3 : 28).

De ware Kerk.

't Blijft altijd noodig ons helder voor oogen te stellen wat we willen op kerkelijk terrein; wat we wenschen ten opzichte van onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk.

En daarom doen we goed de eenvoudige omschrijving van de ware Kerk, ons door onze Vaderen in art. 29 van onze Ned. Gel. belijdenis gegeven, ons maar telkens in de herinnering te verlevendigen.

Zij luidt: „De merkteekenen om de ware Kerk te kennen, zijn deze: zoo de Kerk de reine prediking des Evangelies oefent; zoo zij gebruikt de reine bediening der Sacramenten, gelijk Christus dezelve ingesteld heeft; zoo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonden te straffen. Kortelijk, zoo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd. Hierdoor kan men zekerlijk de ware Kerk kennen; en het staat niemand vrij zich daarvan te scheiden."

De Synode van 1914,

De samenstelling van de Synode onzer Kerk zal dit jaar zijn als volgt:

Gelderland zendt 2, Z, - Holland 2, N.-Holland 2, Zeeland 1, Utrecht 2, Friesland 2, Overijsel 2, Groningen 2, N.-Brabant met Limburg 2, Drenthe 1 en de Waalsche Commissie 1 afgevaardigde; samen 19.

Daar N.-Brabant met Limburg 2 orthodoxe leden zal afvaardigen: Ds. A. M. Bloem van Chaam en Kr. Timmer, ouderling te Klundert, zal de verhouding waarschijnlyk dit jaar zijn:13 orthodoxen tegenover 6 modernen.

Evenwel weten we, dat verleden jaar van de broeders Weylandt van Veere en Schrieke van Enschedé weinig kracht is uitgegaan bij de bespreking van die dingen waar het orthodox tegenover modem stond.

Toch blijft de verhouding dit jaar dus gunstig te noemen.

Geve de Heere dat het voor onze Kerk, die onder een zwaar juk zuchtende is, tot voordeel en tot zegen mag zijn!

De Provinciale Kerkbesturen.

Van groot belang is de samenstelling der Provinciale Kerkbesturen,

Zooals de Prov. Besturen zijn, zoo zal ook de afgevaardigde naar de Synode wezen; en zooals de Synode is, zullen de beraadslagingen en de besluiten zijn.

Laat men dus op de Classicale Vergaderingen, waar de verkiezing van een lid voor het Prov. Kerkbestuur aan de orde is, toch goed uit de oogen zien en samen even overleggen, opdat alleen zulke mannen door ons gestemd worden die iets voelen van den nood der Kerk en die wdlen doen wat er naar uitwijzen van Gods Woord gedaan moet worden, opdat onze Kerk worde uitgeholpen uit het moeras, waarin we verzonken zitten.

Daar moeten we op letten. Deze zaak is van 't grootste gewicht.

De Classicale Besturen.

Ook op de Samenstelling van de Classicale Besturen moeten we meer acht gaan geven. De reformatie zal toch uit de Kerk zelve moeten voortkomen, door Gods Geest gewerkt. En dan zal er in den middelijken weg veel van afhangen wie er in de Bestuurscolleges zitten.

Daarom moeten we onze stem niet geven dan alleen aan die mannen, die iets van den nood der Kerk gevoelen en die er ooren naar hebben om te luisteren naar de klachten die uit de Kerk opstijgen.

Neen, zij kunnen van zelf niet zoo heel veel doen. Vooral niet wanneer zij weinigen zijn en alleen staan. Maar toch moeten onze mannen in de Bestuurscolleges om in een ordelijken weg van de Geref. beginselen getuigenis te geven en mede te werken dat onze Kerk spoedig een andere organisatie krijgt, naar de grondbeginselen der Schrift, tot zegen voor de kerk.

De weg is ons gewezen.

Op de Haagsche Vergadering was Dr. C. J. Niemeyer een van de woordvoerders. Als modern man zou men verwacht hebben, dat hij zou adviseeren: weg met alle formuleering! Vrijheid, blijheid!

Maar neen, hij sprak heel anders. Hij sprak ongeveer: Wij die allen met diepen eerbied en dankbare bewondering opzien tot Jezus, die eenmaal sprak: „Gij zult liefhebben den Heer uwen God met geheel uw hart enz." — wij moeten erkennen, dat in het Christendom het niet bovenal aankomt op een leerstellige overtuiging, maar op de innerlijke gesteldheid, op den toestand, de gezindheid des harten.

Wie echter nadenkt over wat noodig is, om die gezindheid te verkrijgen, welke den mensch tot Christen maakt, moet óok erkennen, dat een bepaalde leerstellige overtuiging daarvoor onmisbaar is.

Natuurlijk gaat het niet zonder een hart dat tot liefhebben in staat is. Maar het gaat óok niet zonder een voorstelling, een leer, omtrent God en den naaste, die liefde kan wekken."

Dus een zekere voorstelling, een zekere leer is noodig, volgens Dr. Niemeyer.

Dat is al veel gewonnen. Maar nu gaat hij nog verder, door te zeggen: „Nu spreekt het van zelf, dat de Kerk de meeste aandacht moet schenken aan het voornaamste, dus aan het verbreiden, onderhouden en verkondigen van de christelijke gezindheid.

Maar wegens het verband, dat er is tusschen leer en gezindheid, kan zij de leer ook niet behandelen als een onverschillige zaak.

Tegen overschatting van de leer moet zij zorgvuldig waken.

Maar zij mag de beteekenis er van toch niet voorbijzien."

„Hieruit volgt" — zoo redeneneert Dr. Niemeyer dan verder — „hieruit volgt, meen ik, met noodwendigheid, dat de Kerk van hen, die zich aan haar willen verbinden als predikanten, godsdienstonderwijzers of lidmaten, een verklaring vraagt, zoowel ten aanzien van hun gezindheid als van hun leerstellige overtuiging.

Er is gezegd, dat de toegang open moest staan voor allen zonder onderscheid.

Maar dat lijkt mij zóo zonderling, dat ik geneigd ben aan een misverstand te denken en te vermoeden, dat rij, die zoo spreken, iets anders bedoelen dan zij zeggen.

Er is geen enkele vereeniging van eenige beteekenis, die allen zonder onderscheid toelaat.

Gewoonlijk omschrijft een vereeniging in de statuten haar doel en vraagt zij van hen, die lid wenschen te worden, instemming daarmee. Het is toch niet meer dan natuurlijk, dat de Kerk iets soortgelijks doet en geen personen opneemt, die tegenover haar doel neutraal of vijandig staan."

Tot zoover Dr. Niemeyer. Hier is ons alzoo de weg gewezen. , De Kerk moet dus van de proponenten, van de a.s. godsdienstonderwijzers en van hen die belijdenis des geloofs wenschen af te leggen, een verklaring vragen omtrent déze dingen: wat dunkt u van God; wat dunkt u van den mensch?

En natuurlijk óok: wat dunkt u van den Christus?

Dat ligt geheel in de lijn van de redeneering van Dr. Niemeyer, die nadrukkelijk zegt, dat ieder maar niet mag worden toegelaten.

Welnu, als we nu zoover samengaan — dan is ook hier het punt waar we uiteengaan.

De Kerk moet acht geven op de leerstellige overtuiging; de Kerk moet dus vragen: wat dunkt u van den Christus; de Kerk moet informeeren welk evangelie men zal verkondigen.

Welnu, laat de Ned. Herv. Kerk dat zoo eenvoudig mogelijk, doen aan alle proponenten; en laat zij overal, aan allen die belijdenis des geloofs wenschen af te leggen, dezelfde vragen voorleggen, dan zijn we klaar.

Want dan moet de Ned. Herv. Kerk naar haar aard, beginsel en karakter een verklaring vragen in protestantsch-christelijken geest en dus verlangen dat getuigd wordt: dat Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, de Zaligmaker is van zondaren, die met Zijn dierbaar bloed verlossing heeft teweeggebracht. Eenvoudiger kan het niet.

En dat kan en zal Dr. Niemeyer dan niet kunnen afkeuren.

Om ook heen te gaan. Want een dergelijke verklaring kan'het modernisme onmogelijk afleggen.

***

Mógen wij dus een voorstel doen? Laten we den weg van Dr. Niemeyer inslaan en laten we de Synode vragen, dal de Kerk acht geve op de leerstellige overtuiging van de proponenten; om dan aan al de proponenten te vragen of zij willen verkondigen het Evangelie van Jezus Christus, overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

Terwijl dan van gemeente tot gemeente acht moet worden gegeven op leer en leven van de a.s. lidmaten, om hen in betrekking tot het een zoowel als het ander overal déze vragen voor te leggen — in art. 39 Regl. op het Godsd.onderwijs reeds voorgeschreven: 1e belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, en in den Heiligen Geest?

2e, Zijt gij des zins en willens bij die belijdenis door Gods genade te volharden, de zonde te verzaken, de heiligmaking na te jagen en uwen Heiland in voorspoed en in tegenspoed, in leven en in sterven getrouw te volgen, gelijk het Zijnen waren belijders betaamt?

3e. belooft gij tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en tot dien van de Ned Herv. Kerk in het bizonder, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig mede te werken? — Eenvoudiger kan niet.

Minder mag niet. En dat is zakelijk geheel in de lijn van orthodox en modern, die immers, ieder voor zich, zeggen, dat de leerstellige overtuiging nauw saam valt met de christelijke gezindheid — om dan ook daar uit elkaar te gaan waar de scheidingslijn valt: wat dunkt u van den Christus ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's