De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

6 minuten leestijd

Van de Haagsche vergadering van 16 April j. l. willen we nog iets meedeelen. En wel in dit No. de eerste helft van

de Rede van dr. C. J. Niemeijer.

Deze sprak aldus:

»Gij zult liethebben den Heer uwen God met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met al uwe kracht. Dit is het eerste gebod. En het tweede daaraan gelijk, is dit: Gij zult uwen naaste liefhebben als u zelf. Er is geen ander gebod grooter dan deze.

Wie zich niet plaatsen wil tegenover deze woorden van Hem, tot wien wij allen opzien met diepen eerbied en dankbare bewondering, moet erkennen, dat in het Christendom het niet bovenal aankomt op een leerstellige overtuiging, maar op de innerlijke gesteldheid, op den toestand, de gezindheid van het hart. Het schijnt mij overbodig, voor de waarheid van die stelling meer gronden aan te voeren.

Wie echter nadenkt over wat noodig is, om die gezindheid te verkrijgen, welke den mensch tot Christen maakt, moet óók erkennen, dat een bepaalde leerstellige overtuiging daarvoor onmisbaar is.

Natuurlijk gaat het niet zonder een hart, dat tot liefhebben in staat is. Maar het gaat ook niet zonder een voorstelling, een leer, omtrent God en den naaste, die liefde kan wekken.

Immers, wat iemand ziet, kan hij liefhebben om den indruk, dien hij er van ontvangt. Maar wat hij niet ziet, kan hij alleen liefhebben op grond van de voorstelling, die hij er zich van gevormd heeft.

Is God voor iemand niet meer dan een begrip, en geen levende Persoonlijkheid, dan is liefde tot Hem onmogelijk.

En stelt iemand zich God voor als een willekeurig, jaloersch en wraakgierig Heerscher, dan kan zijn hart voor Hem vrees gaan gevoelen of iets anders, doch zeker geen liefde.

Liefde tot God kan slechts ontstaan bij wie Hem erkent als den Vader.

Die erkenning is niet het voornaamste, want zij kan bloot verstandelijk zijn, en het hart onbewogen laten. Maar zij heeft toch stellig beteekenis, omdat zij voor het ontstaan van liefde tot God onmisbaar is.

Op soortgelijke wijze — ik onthoud mij kortheidshalve van verdere uitwerking — is liefde tot den naaste, tot iederen naaste, slechts mogelijk bij erkenning van den mensch als Gods kind.

Nu spreekt het vanzelf, dat de Kerk de meeste aandacht moet schenken aan het voornaamste, dus aan het verbreiden, onderhouden en verlevendigen van de Christelijke gezindheid. Maar wegens het verband, dat er is tusschen leer en gezindheid, kan zij de leer ook niet behandelen als een onverschillige zaak.

Zij moet bedenken, dat een leer ook zonder invloed op het hart kan blijven, en dan geen werkelijken godsdienst vormt. Tegen overschatting van de leer moet zij daarom zorgvuldig waken. Maar zij mag dè beteekenis ervan toch niet voorbijzien.

Hieruit volgt, meen ik, met noodwendigheid, dat zij van hen, die zich aan haar willen verbinden als predikanten, godsdienstonderwijzers of lidmaten, een verklaring vraagt, zoowel ten aanzien van hun gezindheid als van hun leerstellige overtuiging.

Er is gezegd, dat de toegang open moet staan voor allen zonder onderscheid. Maar dat lijkt mij zóó zonderling, dat ik geneigd ben aan een misverstand te denken, en te vermoeden, dat zij, die zoo spreken, iets anders bedoelen dan zij zeggen.

Er is geen enkele vereeniging van eenige beteekenis, die allen zonder onderscheid toelaat.

Gewoonlijk omschrijft een vereeniging in de statuten haar doel, en vraagt zij van hen, die lid wenschentc worden, instemming daarmee.

Het is toch niet meer dan natuurlijk, dat de Kerk iets soortgelijks doet, en geen personen opneemt, die tegenover haar doel neutraal of vijandig staan.

Zij heeft dat tot nu toe gedaan in eenigszins anderen vorm. Daar zij haar doel niet in een wetsartikel heeft omschreven, en dus geen instemming met haar doel vragen kan, laat zij een bepaalde verklaring afleggen.

Naar den vorm is dat iets anders, maar zakelijk is het volkomen hetzelfde. En daar mij geen enkele reden bekend is, waarom het wenschelijk zou zijn, den vorm te wijzigen, schijnt het mij aangewezen, de bestaande methode te behouden.

De vraag is nu, wat zulk een verklaring behoort in te houden.

Zij moet in de eerste plaats betrekking hebben op de gezindheid. Mag dan liefde tot God en den naaste worden verlangd ? Dat kan slechts verdedigen wie de Kerk vereenzelvigt met het koninkrijk Gods. Die eisch is te zwaar. De verklaring mag niet meer inhouden dan dat men als volgeling van Jezus ernstig wil trachten, liefde tot God en den naaste in hart en leven tot heerschappij te brengen; maar dat moet zij ook inhouden.

Zij moet echter eveneens betrekking hebben op de leerstellige overtuiging. Zou het wenschelijk zijn, een uitvoeriger, meer in bijzonderheden afdalende belijdenis te vragen dan die van God als aller Vader en van 's menschen kindschap van Hem ?

Voordat ik deze vraag beantwoord, vestig ik uw aandacht op het volgende.

Waar leven is, is ook altijd verscheidenheid. Eenvormigheid is slechts daar, waar de dood heerscht.

Kunstbloemen, vervaardigd door menschenhanden, zijn aan elkaar gelijk. Levende bloemen, gegroeid naar de wijsheid Gods, vertoonen een eindeloos rijke verscheidenheid.

Zoo is het ook op geestelijk terrein. Eenvormigheid is daar slechts mogelijk, als menschen geestelijk dood zijn, en zich als poppen laten vormen naar een bepaald model. Als zij leven en de krachten gebruiken, die zij van God ontvingen, is verscheidenheid het natuurlijk gevolg, want het is waar, dat ieder van God zijn eigen gave heeft.

Blijkbaar is die verscheidenheid door God gewild, en gaan dus Kerken, die eenvormigheid wenschen, en geen verscheidenheid onder haar leden willen dulden, in tegen Gods beleid.

Zij belemmeren ook, dat godsdienst zich ontwikkelt tot zijn volle heerlijkheid. Want het verlangen naar eenvormigheid leidt tot geestelijke africhting en tot het pogen, om dwang uit te oefenen. En alleen een eigen, zelf doorleefd geloof schenkt bevrediging, en brengt wijding en verheffing.

Dezelfde denkbeelden en dezelfde 'plechtigheden kunnen nu eenmaal niet voldoen aan allen, die werktlijk leven.

Niet om te schipperen en te plooien, niet om bijeen te houden wat niet bijeen behoort, maar om den weg te volgen, door God gewezen, en aan ieder gelegenheid te geven eigen geloof te ontwikkelen, moet daarom de Kerk ruimte laten voor verscheidenheid. Eenvormigheid moet zij niet zoeken, doch schuwen. Natuurlijk dient er een zekere eenheid te zijn, doch daarnaast moet zij verscheidenheid eerbiedigen en waardeeren.

Daarom moet de verklaring, die zij vraagt, niet meer inhouden dan wat noodig is voor de zekerheid, dat allen staan op den bodem van het Christendom. Wil men een secte vormen, dan kan men enge grenzen trekken, en met kleinen kring zich afzonderen. Maar wenscht men te staan midden in het leven en een volkskerk te vormen, dan moet men geen uitgewerkte belijdenis vragen.

Die, welke God erkent als den Vader en den mensch als Zijn kind, waarborgt de vereischte éénheid, en geeft ook plaats voor de evenzeer vereischte verscheidenheid.

Op grond van deze beschouwingen kan ik de thans in onze Kerk geldende bepalingen niet beslist afkeuren, maar acht ik ze toch wel vatbaar voor verbetering.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's