Stichtelijke overdenking.
En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen en zij werden allen vervuld met den H. Geest en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid. En de menigte van degenen, die geloofden was één hart en ééne ziel. Hand. 4:31—32a.
En zij werden allen vervuld mat den Heiligen Geest.
Wanneer we in enkele woorden zouden moeten weergeven wat er op den Pinksterdag en vlak daarna werd gezien bij de discipelen des Heeren, zoo zou het dit zijn: de Geest des Heeren wordt uitgestort als het gebed zich vermenigvuldigt. Daar komt roering van buiten en stilheid van binnen. De discipelen ontvangen vrijmoedigheid in het getuigen en zijn eens willend.
Zij waren allen volhardend in het bidden en smeeken. Ze hadden den Heere noodig. Daar was slechts éêne vraag in aller harte: hoe zal de Geest Gods op ons nederdalen ? En nu is er maar ééne voorwaarde. Of, waar het beter is van voorwaarden niet te spreken, immers de Heere blijft de vrijmachtige, de souvereine Gebieder, die met het Zijne kan en zal doen naar Zijn welbehagen — daar is aan Zijne belofte een eisch verbonden: bid en u zal gegeven worden. Klop en u zal worden opengedaan.
Opent uwen mond, Eiseht van Mij vrijmoedig. AI wat u ontbreekt.
De Vrijmacbtige wil er om gebeden zijn. De Geest des Heeren wordt vergeleken bij den wind. „De wind, zoo getuigt de Heere, blaast waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij henengaat, alzoo is een iegelijk die uit den Geest geboren is."
't Is een wondervolle werking des Geestes, Gelijk ge van den ademtocht des winds niet zeggen kunt waar hij begint en waar bij henengaat, alzoo zijn ook de gangen des Geestes voor u verborgen, of liever, te hoog : ge kunt er niet bij.
Is dit ééne waarheid, een tweede staat even vast, dat diezelfde Geest met zijn verborgene gangen zoo gereedelijk intrek neemt in het meest verborgen deel van den Tempel, in de binnenkamer, in het biddende hart. Het beeld van de Kerk des Heeren zooals Gods Woord haar ons teekent is aldus: het Hoofd Christus staat ter rechterhand Gods als voorspreker voor een arm volk, maar Zijne Gemeente ligt geknield.
't Is ten allen tijde zoo geweest en 't zal zoo ten alle tijde blijven, de Geest des Heeren daalt niet in, dan in een tempel waar smeekelingen voor den troon zijn geschaard, niet dan in 't hart, dat schreiend tot den Heere roept.
Daar zijn weinig gedeelten in het Woord, die zoo duidelijk spreken als Luc. 11 over de gaven des Geestes. „Wat vader onder u, dien de zoon een brood vraagt, zal hem een steen geven, of ook om een visch, zal hem een slang geven, of om een ei, zal hem een schorpioen geven. Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de Hemelsche Vader den H. Geest geven, dengenen, die Hem bidden."
Ge zult me schuldig blijven het eerste voorbeeld, dat een oprechte bedelaar voor den Troon werd afgewezen, we zeggen niet „bede", want het zou al wonderlijk zijn, dat onze tijd met Gods tijd samenstemde. Om het eens heel gewoon te zeggen: „onze klok gaat gewoonlijk voor."
De Heere helpt ter bekwamer tijd, .d. w. z. op het oogenblik, dat geholpen moet worden.
Als er een bidden en smeeken opgaat uit de gemeente Gods, houdt de hemel zijne zegeningen niet in.
De geheele Pinkstergeschiedenis is een voorbeeld, dat de Geest des Heeren als 't ware drijft op de vleugelen des gebeds. Zij behooren tezaam.
In onzen tegenwoordigen tijd wordt er — wie zou het durven ontkennen — veel te weinig gebeden in oprechtheid. Men kan het zoo goed buiten den Heerè stellen. De gevolgen blijven niet uit. Een geesteloosheid en dorheid, waaronder de gansche gemeente zucht. Als de wind niet blaast, ligt het scheepke stil. De Geest des Heeren moet opwaken. Waar de Geest is, is leven, maar waar Deze Zich verre houdt, heerscht dé dood.
Als maar eens-mocht gevoeld worden het groote gemis in dezen, zoo zou de gemeenschappelijke - bede oprijzen: Heere, stort den Geest der gebeden uit. Iemand die arm is en het niet weet, is dubbel arm; daarentegen wie behoefte heeft en weet aan te kloppen aan de rechte deur, die zal van den honger niet sterven, maar leven.
Als zij gebeden hadden, zoo leest ge, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen en zij. werden allen vervuld met den Heiligen Geest
Wat de Heere deed was zóo machtig, dat niet alleen de saamvergaderden, maar ook de plaats zelve iu beroering kwam.
Waar de Heere werkt, komt roering. De discipelen waren op den Pinksterdag zóo, dat het spotters deed spotten; ze zijn dronken. Het leven golft naar buiten. Het zoekt een uitweg. Het moet zich openbaren.
Korten .tijd geleden brak het leven door, het baande zich een uitweg, doordat de Geest Gods het hart van een Zijner kinderendeed smelten ondtr de stralen van Zijn liefdezon. Het arme kind, dat langen tijd in duisternis had gewandeld, maar veel mocht roepen tot den Heere, mocht nu getuigen van Godes barmhartigheden. Zijne rijke vertroostingen. Zij sprak vrijmoediglijk, vol blijdachap des geJoofs. lemard die haar ontmoette, en dezen weg niet verstond sprak: ik zou maar liever niet zoo luid spreken. Hij beriep zich hierbij op het woord van den Psalmdichter: „Mijn ziel is immers stil tot God." Zwijgende zijn, was het antwoord, kan ik niet, ik moet Zijn lof vertellen.
'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht Zingen, daar ik Hem verwacht.
Daar komt vrijmoedigheid in het spreken en eensgezindheid in het willen.
Deze twee punten zijn voor Gods volk van het hoogste gewicht.
Hierop willen we nog bizonderlijk de aandacht vestigen.
Welke is n.l. de roeping van de Gemeente des Heeren?
Het Evangelie moet gepredikt. Hiertoe behoort vrijmoedigheid in het spreken. Het Woord Gods moet Zijn loop hebben. En vervolgens moet daar zijn eenswillendheid.
Een leger, dat geen moed heeft, wacht de nederlaag, maar evenzeer: waar de hoofden het onderling niet eens kunnen worden, wordt 't verslagen.
Het Woord moet uitgedragen. Prediken van het eeuwig Evangelie is het eenige wapen. Zoekt maar eens uit, uit de wapenrusting Gods. Efeze 6 geeft er geen ander: „het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord."
Dit zwaard moet den mensch in de hand gegeven. Hiertoe moet de Geest hem bekwaam maken, en getrouw.
Dat Evangelie van enkel genade, daarvan wil die hoogmoedige mensch niet weten. Vandaar komt van alle zijden verzet. Hij wil niet als een arme, jammerlijk naakte en blinde zondaar tot God komen. Dat vernedert hem te diep om zijn Rechter om genade te smeeken.
Vrijmoedigheid behoort er dus toe, om het Woord Gods te spreken.
Een heerlijke vrucht, die dit als werking des Geestes mag ontvangen.
De Geest des Heeren leert spreken en.... luisteren. Luisteren naar wat de Heere Zelf spreekt tot hunne ziele en luisteren naar wat Hij door anderen hen laat vertellen. Daar is een samensmelting, ze worden één hart en ééne ziel.
Wat een heerlijke gedachte dat er mogelijkheid is, dat een menigte, een veelheid van menschenkinderen één gezindheid en neiging openbaart. Dit is mede van het kostelijkste wat ge u denken kunt.
Neemt een huis vol geslacht vee en twist daarbij — ge hebt niets.
Neemt een kerk, een gemeente met nog zooveel uiterlijk schoone dingen, waar geem samenbinding wordt gevonden en ge stoot op klippen, waarvoor ge den boeg moet wenden.
Wat wordt deze zaak als een begeerlijk iets den mensch voorgehouden.
Hoe komt dat?
In het Paradijs ligt ook van dit geheim de sleutel. Daar was 't één hart en één ziel. Wij kunnen niet leven in een atmosfeer van twisting en tweespalt en toch ademt ge ze overal in. Ge kunt ze niet ontloopen. Al zoudt ge uwe tenten opslaan aan de einden der aarde, ge zoudt geen samenbinding vinden, dan alleen waar Gods Geest tot heerschappij komt.
Hier hebt ge de school, waarop het geleerd wordt in beginsel: één hart en één ziel.
De Pinksterdag geeft ook hierin zulk een schat van leering
Een iegelijk sprak al naar hem de Geest gaf uit te spreken, 't Was een veelheid, een mengeling van talen, maar ze hadden één ding te vertellen: de groote werken Gods.
Zie, als 't daarover gaat is 't alleen mogelijk dat de harmonie niet wordt verbroken. Wat hebt gij nu, lezer, te vertellen. Zijt ge reeds versmolten in die menigte, van hen die gelooven, die door de werking van Gods Geest in God hebben gevonden al hun heil en al hun eer. Zijt ge al zoo arm geworden voor den Heere, dat ge als een bedelaar Hem te voet zijt gevallen.
In den berijmden Psalm staat het zoo heerlijk:
Nooddruftigen zal Hij verschoonen,
Aan armen uit gene.
Zijn hulpe ter verlossing toonen.
Dat de Heere u maar recht arm moge maken. Immers voor dezen geldt: zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
De Pinkstergemeente heeft ons toch zooveel te vertellen.
Wat waren die discipelen, vóórdat de Geest uitgestort was?
Wat deed nu Petrus?
Wat was hun aller doel? Ze durfden niet eens te staan, als de vijand naar hen wijst,
Hoe is hun aanblik veranderd, als de Pinksterzegen op hen is nedergedaald.
Dit is het werk en de vrucht van Hem, Die voor den Troon staat.
Laat van uwe lippen niet wijken: „Stort uit van Uwen Heiligen Geest." Doe Hem van onze zijde niet wijken.
Dat 's Heeren volk maar saamgedreven worde tot de schaduw van Zyn tempel, opdat het gebed opstijge voor den Troon. Dan zal gezien worden de saambindende macht van den Heiligen Geest.
Dan zal gehoord worden: dit heeft de Heere gewrocht. Dit is Zijn werk. "We zullen vertellen Gods groote daden. Hier blijft het gebrekkig. Straks zal 't Boven in volmaaktheid wezen.
Daar is 't één hart en één ziel. Geve de Heere dat onder die schare ook gij niet moogt ontbreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's