De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

De Haagsche Vergadering.

Het 2de gedeelte van de Rede van Dr. C. J. Niemeyer luidt aldus:

»Vooreerst zie ik geen reden om een betrekkelijk groot onderscheid te maken tusschen de verklaring, die van predikanten (en godsdienstonderwijzers) en die, welke van lidmaten wordt gevraagd. Men kan de eersten desnoods ook laten beloven, dat zij met ijver en trouw hun dienstwerk zullen verrichten, maar ten aanzien van de gezindheid en de leerstellige overtuiging schijnt het maken van onderscheid mij onlogisch Daarom zou ik het grootendeels willen opheffen.

En verder schijnt het mij nuttig, verandering te brengen in de bepaling, dat aan de lidmaten zekere vragen worden voorgelegd, althans naar geest en hoofdzaak.

Een dergelijke toevoeging is onmisbaar, wanneer leerstellige vragen en enigermate afdalen in bijzonderheden, omdat anders geen plaats wordt gelaten voor de vereischte verscheidenheid, en de leerstellige overtuiging licht ten koste van de gezindheid op den voorgrond treedt.

Toch heeft zij ook dan bezwaren.

Hei is ieders werk niet, den geest van een leerstellige formtde aan te wijzen. "Want dat is niet, gelijk het bepalen van de hoofdzaak, een kwestie van persoonlijke waardeering. Het kan slechts geschieden op grond van wetenschappelijk dogmen-historisch onderzoek. En zelfs predikanten, die toch altijd iets, maar dikwijls zeer weinig, aan dogmengeschiedenis hebben gedaan, blijken niet steeds in staat te zijn, den geest op te sporen, die aan een altijd gebrekkige formuleering ten grondslag ligt. Zij schijnen soms niet eens te beseffen, dat achter de formule geest ligt.

Bovendien leert. de practijk, dat er verschillende moeilijkheden kunnen voorkomen, wanneer niet bijzonder duidelijk is aangewezen, wie te beslissen heeft, wat als geest en hoofdzaak moet worden beschouwd. Daarom schijnt het mij beter, in plaats van door zulk een toevoeging, de noodige ruimte voor verscheidenheid te verkrijgen, door alle bijzonderheden) die gemist kunnen worden, weg te laten, en alleen te vragen naar de onmisbare hoofdzaak. Dan is een toevoeging overbodig, gelijk zij overbodig is in de bestaande proponentsformule.

Die proponentsformule komt mij voor, een zeer gelukkige te zijn. Betrekkelijk sober van vorm, is zij toch rijk van inhoud. Aanstaande predikanten immers verklaren, dat zij overeenkomstig de beginselen en het karakter der Hervormde Kerk hier te lande, het Evangelie van Jezus Christus zullen verkondigen, en de belangen van het Godsrijk en in overeenstemming hiermede die van de Ned. Herv. Kerk naar vermogen zullen behartigen. Wat gemist kan worden, wordt hier gemist, en wat gezegd moet worden, wordt hier gezegd. De leerstellige overtuiging van Gods liefde en 's menschen kindschap van Hem ligt opgesloten in het verkondigen van het Evangelie, en de vereischte gezindheid in het behartigen van de belangen van het Godsrijk en van de Kerk.

In aansluiting daarmee zou ik aan de lidmaten willen vragen, voor de duidelijkheid wegens hun geringere kennis iets minder beknopt:

1e. Erkent gij, overeenkomstig het Evangelie van Jezus Christus, God als aller menschen Vader en hen als Zijn kinderen?

2e. Begeert gij ernstig, Jezus Christus na te volgen als uw Leidsman, en de gezindheid, die hij boven alles stelde, in uw hart en leven tot heerschappij te brengen?

3e. Wilt gij beloven, de belangen van het Godsrijk en in overeenstemming hiermee die van de Ned. Herv. Kerk, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen te behartigen?

Met bestendiging van de thans geldende bepalingen zou ik mij ook wel kunnen vereenigen, maar het anbrengen van die wijziging kan naar mijn overtuiing heilzaam op ons kerkelijk leven inwerken.

Gij zult dat niet allen met mij eens zijn. Toch verzoek ik u dringend, het voorgestelde niet aanstonds te verwerpen, maar ernstig te overwegen, of niet aardoor aan onze Kerk de innerlijke rust kan woren geschonken, waaraan zij zoo groote behoefte heeft.

Aan die behoefte twijfelt immers onder ons niemand? Er gebeuren tegenwoordig dingen, die het aanzien der Kerk ondermijnen, en haar verhinderen, haar taak naar behooren te vervullen.

Onze Kerk is langen tijd een zegen geweest voor ons volk, en heeft ook in deze dagen een hooge en heilige roeping. Maar als zij die volgen zal, moet zij zich-innerlijk niet laten verscheuren, moet er een einde komen aan het onderling wantrouwen, dat blind maakt voor het allerhoogste.

De nood der tijden is nu waarlijk wel zóo hoog geklommen, dat allen, die het Evangelie liefhebben en het leven met God onmisbaar achten, moeten zoeken naar wat hen vereenigt.

Wee ons, als wij door te hangen aan bijkomstigheden het werk verijdelen, waartoe God in onze dagen allen oproept, die zich door Hem gedrongen voelen en Zijn grooten naam willen verheerlijken!

Wee ons, als wij door onze kortzichtigheid en onze schijnwijsheid de Kerk beletten, te blijven wortelen in de liefde van geheel ons volk, van ons volk in zijn eenheid en zijn verscheidenheid!

Leve in ons allen de stemming die zich uit in de bede:

Blijf o God! in onze dagen Voortgaan met Uw heerlijk werk; Doe ons moedig steenen dragen Tot den opbouw Uwer Kerk.

Geef ons met een rein vertrouwen Op een vasten grond te bouwen; Niet van eigen doen en kracht, Slechts van U zij 't heil verwacht!

Dr. A. W. Bronsveld te Utrecht schrijft in de „Stemmen voor Waarheid en Vrede" over de Haagsche Vergadering:

»Wij hebben den indruk ontvangen, dat het een geweldig feit zou wezen, indien onze Kerk uiteen spatte en dat men wel zéér, zeer ernstig zich mag bezinnen voordat men daartoe gaat of blijft medewerken. Maar dat de tegenstellingen in de verschillende richtingen wel zeer groot zijn, is niet minder sterk uitgekomen De Kerk draagt Ezau's en Jakob's in haar schoot. Van weerskanten worden de uiterste consequenties getrokken, verder van elkander afwijken is, dunkt ons, haast niet mogelijk meer. Is dan het oogenblik niet aangebroken, om maar uiteen te gaan ?

»Wij durven niet uitspreken. Wij vragen: wat zal de scheidingslijn wezen, en wie zal de scheidingslijn trekken ? Zal men hier de hoogere kerkelijke besturen aan den arbeid zetten, terwijl men tegelijker tijd ontkent, dat zij de kerk wettig vertegenwoordigen ? Zal men prijs geven al die gelegenheden om invloed uit te oefenen op het openbare leven, op de huisgezinnen, die ons ontvangen willen, en op de kinderen, die men ons nog toevertrouwt? Aan wie geeft men hen over, die wij zullen uitbannen? — Gij wilt niet «uitbannen"? Maar wat wilt gij dan? Ach, hoe vele vragen kunnen wij hier doen, en doen wij, zonder tot klaarheid te komen! Maar volgt hier dan niet uit, dat de tijd om een scheiding te provoceeren nog niet is gekomen?

»Ik ben daarom dus op 't oogenblik tegen de wijziging van de belofte en de vragen, waarover de Synode de Kerk heeft gehoord, en laat het aan ieders geweten over te beslissen, of hij tegen onderschrijving en toestemmende beantwoording al dan niet onoverkomelijk bezwaar moet maken. Wel vind ik het jammer, dat wij daardoor menschen met een teer geweten in moeilijkheid brengen, en misschien weren, terwijl wij anderen, die minder ernstig zich rekenschap geven van hetgeen zij doen, onbekommerd doorlaten, om van opzettelijke «hypocrieten" niet te spreken. Maar iedereen toelaten zonder eenige beperking, dat kan toch ook niet, en dat wordt ook door betrekkelijk weinigen verlangd.

»Wat mij verwonderde is, dat niemand een lans gebroken heeft voor het afschaffen van dat ongelukkige "aannemen", in zoo vele gevallen niets gelijkend op «belijdenis doen". De oude gereformeerde practijk, dat niets wist van «aannemen", maar sprak van «toelaten tot het Avondmaal des Heeren", is, naar onze meening oneindig veel beter. Zij houdt rekening met de schoone verbondsleer; met den H. Doop; met de bedoeling van de katechizatie; zij is onvereenigbaar met het thans heerschend intellectualisme; met de samenkoppeling van een soort examen met een Geloofsbelijdenis; en is zoo oneindig veel ruimer dan de opvatting thans geldend bij vele «gereformeerden".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's