Uit het kerkelijk leven.
Die ongebreidelde vrijzinnigheid!
Men houdt zich van den domme onder de modernen 1
Men neemt de allures aan met iets nieuws te komen en het is oude leugentaal die men opdischt. Men doet net of het recht der modernen in de Herv. Kerk zoo vast staat als een muur, zoodat men het zelfs niet behoeft te bewijzen, en men begrgpt heel goed, dat het modernisme, 'twelk in de ontkenning der heilsfeiten zoo ruw optreedt, steeds door onze Hervormde vaderen veroordeeld is en als niet-Hervormd buiten de deur een plaatsje is toegewezen.
Men is dan ook bang om de historieboeken op te slaan, want die Jezus Christus nieterkent als den Zaligmaker van zondaren, die met Zijn dierbaar bloed verlossing bracht — die wordt overal buiten de Hervormde Kerk gezet, die wordt geoordeeld als niet te behooren tot de Christenheid.
Want met de ontkenning van dat feit, zet men zich zelf bultende algemeene christelijke gemeenschap!
De acta van onze Synode kunnen daaromtrent ook nog wel wat leeren.
Want ook in de jaren, dat het modernisme 't felst woedde en 't schrikkelijkst verwoesting aanbracht, heeft de Synode, noodgedwongen, een oordeel moeten uitspreken over die beweging in onze Herv. Kerk; en of men wilde of niet, men moest in de reeks van redeneeringen altijd weer een veroordeelend vonnis strijken over het modernisme.
Neem b. v. het jaar 1854, bekend door de kwestie-Meyboom. Een storm van verontwaardiging stak op over hét beroep op hem uitgebracht door de gemeente van Amsterdam, toen hij het had aangenomen en door het Class. Bestuur het beroep was goedgekeurd.
Adres op adres kwam bij de Synode.
Men moest antwoorden, 't Ging wel niet van harte, 't Ging uit de hoogte, 't Ging in een antwoord, dat vol van hatelijkheden was en dwaze zelfgenoegzaamheid. Maar men moest toch een verklaring geven in déze zaak: of onze Herv. Kerk een belijdenis had, ja of neen? of die belijdenis te kennen was? of die belijdenis en waar het prediking ? moest worden gehandhaafd? vooral op aankwam bg de
Daar moest men op antwoorden. En de Synode heeft geantwoord, in welk antwoord de Synode waarschuwt tegen.... DE ONGEBREIDELDE VRIJZINNIGHEID.
't Is wel eens aardig om het Synodale rapport, dat uitgebracht werd bij monde van Prof. Dr. W. Muurling van Groningen, voor een gedeelte althans, hier over te nemen. We vinden het op blz. 99 van de Handelingen der Synode van 1853; (het gedeelte dat we hier overnemen staat op blz. 106 enz.) en het luidt aldus:
3o. Wij bedroeven er ons over, dat velen in den waan blijven verkeeren en nu bij vernieuwing, de meesten op het voorbeeld van het classicaal bestuur van Harderwijk, de klagt doen hooren, dat de handhaving van de leer der Herv. Kerk, zooals die, overeenkomstig Gods heilig Woord, vervat is in de formulieren van eenigheid onzer Kerk, eensdeels door de Kerkbesturen schandelijk verwaarloosd, anderdeels dat die leer door vrijheid van prediking, leervrijheid, gelijk zij het noemen, in onze Kerk ondermijnd wordt, zóo zelfs, dat sommige adressanten reden meenen te hebben, om over heerschende ongebondenheid in de leer te klagen.
Die waan rust op onkunde; op onkunde omtrent de geschiedenis van ons Kerkgenootschap in de laatste veertig jaren en omtrent den geest en de kracht van het Evangelie van Christus.
Wij gaan het ontvouwen:
Bij de organisatie der Herv. Kerk in 1816 werd de Algemeene Synode in het leven geroepen, niet, gelijk het bepaald werd uitgedrukt, „om leerstellige geschillen te besliseen", maar „om de Kerk te besturen", terwijl haar, als een van hare eerste pligten, „de handhaving van de leer der Herv. Kerk" werd opgelegd. Daaronder werd toen niet anders verstaan en kon ook niet wel iets anders verstaan worden, dan de leer, die overeenkomstig Gods Woord in de aangenomene formulieren van eenigheid der Hervormde Kerk was vervat, zooals het in de kerkelijke reglementen dan ook werd uitgedrukt.
Heeft nu de Synode dien eersten en heiligen plicht, om deze leer te handhaven, geschonden, gelijk men haar verwijt?
Integendeel, zij heeft hem ten allen tijde ijverig en trouw zoeken te vervullen. Maar hoe?
Niet op eene wijze, zooals sommigen meenen, dat zij had moeten doen. Niet door aan de letter der bestaande formulieren van eenigheid te binden; ook niet door eene herziening van de bestaande belijdenisschriften of het samenstellen van nieuwe te beproeven: eene onderneming, toen even weinig verlangd, als zoo ook nu niet ligt uitvoerbaar zou worden bevonden; rnaar zij heeft dit gedaan daardoor vooral, dat zij, onder veel bijval der Kerk, den hoofdinhoud dier belijdenisschriften in de vragen bij de Avondmaalsviering aan de gemeente ter gedurige herinnering en beantwoording gaf (volledigheidshalve voegen wij, Red. van de Waarheidsvriend, die vragen hier even tusschen. De leeraar moest sedert 1817 't volgende zeggen: „De leden der Christelijke Gemeente, welke eerlang hét H. Avondmaal wenschen te vieren, gelieven op te staan en in tegenwoordigheid van God, den kenner der harten, met mij te antwoorden op de vier volgende vragen:
Of gij van harte gelooft, dat de waarachtige en volkomene leer der zaligheid, ons van Godswege geopenbaard, vervat is in de boeken des O. en N. Verbonds?
Of gij van harte gelooft, dat gij door uwe zonde diep bedorven en voor God strafwaardig zijt en uzelven deswege mishaagt met ootmoed en berouw?
Of gij van harte gelooft, dat God, uit loutere genade, ons Zijnen eeniggeboren Zoon Jezus Christus heeft geschonken tot onzen eenigen en volkomen Zaligmaker, Wiens lichaam voor ons verbroken en Wiens bloed voor ons vergoten is tot vergeving der zonden : en of gij Hem voor uzelven met een geloovig hart aanneemt tot wijsheid, regtvaardigheid, heiligmaking en verlossing?
Of gij overeenkomstig de verpligting, die door uwen Doop op u gelegd is, een oprecht voornemen hebt, om, door de kracht des Heiligen Geestes, bij deze belijdenis te volharden, uw geloof te sterken, uw leven te beteren, in ware liefde en eenigheid met uwen naaste te leven en alzoo Gode waarachtige dankbaarheid voor Zijne genade te bewijzen." Telkens moesten zij die dat gelooven en voornemens zijn met den Leeraar evenals hij zelf zeggen: ja); dat zij de toekomstige Evangeliedienaren in de Kerk aan een getrouwe prediking harer leer overeenkomstig Gods Woord heeft verbonden; dat zij, zooveel in haar vermogen was, voor eene vrije Evangelieprediking zorgde, niet naar de letter, maar naar den inhoud en den geest der Hervormde belijdenis, en dat zij tevens een geregeld godsdienstonderwijs in dienzelfden geest overal heeft zoeken te verkrijgen en te bewaren.
Zóo heeft de Synode al dadelijk, van den eersten tijd van haar bestaan af, getracht te handhaven, en niet alleen zich zelve aan dien pligt gebonden, maar zij heeft dien pligt evenzeer, bij onderscheidene Kerkelijke Reglementen: op het Examen ter toelating tot het leeraarsambt, op het Godsd.onderwijs, op de Kerkvisitatie en in het reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht opgelegd aan allen, die in eenige betrekking van onderwijs of bestuur in de Kerk werkzaam zijn.
Wat heeft de Synode verder gedaan?
Toen gedurende de eerste 25 jaren der tegenwoordige organisatie onzer Kerk de vraag allengs ernstiger en de twist heviger werd over 'tgeen al of niet voor hoofdleer in de Hervormde Kerk moest gehouden worden en hoe los of nauw de band was, die aan de formulieren van eenigheid bond, heeft de Synode, in het gedenkwaardige jaar van 1841, blijkens hare Handelingen van dat jaar, openlijk en duidelijk verklaard:
dat de Nederl. Herv. Kerk van hare leer-aren niet vordert de overeenstemming met al de stukken en artikelen der leer, in de Symbolische schriften voorkomende, zoodat het naar ontrouw zweemen zoude, van die schriften te verschillen waar derzelver feilbare opstellers zich vergist, min helder gedacht of zich niet gelukkig uitgedrukt hebben; dat zij zich echter ook niet vergenoegt met de aankleving van deze of gene waarheid in die schriften vervat; maar dat zij, in het algemeen, de leer, die in dezelve voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Herv. Kerk, door hare leeraars wil aangenomen hebben."
Verder wees de Synode op de vragen bij het Avondmaal, als waarin, voor zooverre de aard dier plegtigheid het medebrengt „het wezen en de kern dier belijdenis" is uitgedrukt in „eerbiediging van het Goddelijk gezag der Heilige Schriften" en „een ootmoedig, vertroostend en reinigend geloof in den eenigen Zaligmaker van zondaren", terwijl zij in 1842, zooals de Handelingen van dit jaar berigten, op herhaalden aandrang alsnog ten overvloede heeft verklaard „dat zij, - ten vorigen jare haar gevoelen omtrent de waarde en het verbindend gezag van de Symbolische boeken der Hervormde Kerk duidelijk en volledig hebbende uitgedrukt, bij die verklaring bleef volharden; dat zij uit dien hoofde elk gevoelen afkeurt en blijft afkeuren, waardoor het gezag van Gods onfeilbaar Woord, begrepen in de schriften des Ouden en Nieuwen Testaments, en de wezenlijke leer der Hervormde Kerk wordt ondermijnd en bestreden; doch dat zij gehouden is, geene uitspraak over iemands gezondheid in de leer te doen, dan wanneer de zaak langs den wettigen weg der kerkelijke reglementen tot haar gebragt is."
Ook heeft de Synode tegelijkertijd aan de provinciale Kerkbesturen hunne verpligting herinnerd, om geene candidaten tot het leeraarsambt, insgelijks aan classicale besturen om geene Godsdienstonderwijzers toe te laten, die niet, aan de overige vereischten voldoende, tevens getoond hebben, de leer, die in de Symbolische boeken def Herv. Kerk voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk, te zijn toegedaan.
En nog ten overvloede heeft toen de Synode dieiüelfde besturen opgewekt „om té doen, wat zij in hunne betrekking vermogen, ten einde de eerbiediging van het Goddelijk gezag der Heilige Schriften en het ootmoedig, vertroostend en heiligend geloof in den eenigen Zaligmaker van zondaren te bevorderen en met allen ijver te waken tegen het voorstaan endrijven van zoodanige ongebreidelde vrijzinnigheid, welke de grondslagen van ons gezegend Christendom in het algemeen en die van onze Hervormde Kerk in het bijzonder zoude ondermijnen "
Wij herhalen het, Broeders ! onkunde aangaande de gedragslijn der Synode kan alleen in den waan dóen verkeeren, dat zij, zelfs onder de moeijelijkste omstandigheden, haren pligt in de handhaving van de leer der Herv. Kerk verwaarloosd heeft; terwijl het ook niemand, die over hare, door ons herinnerde woorden nadenkt, meer donker of raadselachtig behoeft te wezen, wat, naar de overtuiging der Synode, in de Hervormde Kerk gelden moet als de hoofdzaak van hare belijdenis, en dat die geene andere is dan „de hoofdinhoud van het eeuwige Evangelie."
* Verder zegt het Rapport dan (blz. 109): „Die grondslag is niet, gelijk vele adressanten meenen, de leer, door menschen saamgesteld en tot kerkleer aangenomen.
Die grondslag is Gods Woord zelf, dat onfeilbaar en onveranderlijk is, het Evangelie van Christus, den Zone Gods, den Zaligmaker van zondaren; en het middel, om de gemeente, die op dien grondslag rust, te doen opwassen in Hem, die haar Hoofd is, is niet de beperking van de vrijheid om dat Evangelie te prediken, zooals de Geest het aan een iegelijk geeft uit te spreken, is niet het aan banden leggen van het vrije geweten; maar het is de onbelemmerde, krachtvolle, door den H. Geest bezielde, echte Evangelische verkondiging van Christus, den gekruisigde, en van Gods genade in Hem.
Waar zoodanige Evangelieverkondiging bevorderd, gevoed, beschermd, gaarne gehoord en alzoo gehandhaafd wordt, daar wordt de leer der Hervormde Kerk op de eenig goede wijze gehandhaafd, geheel in den geest onzer Vaderen en der Hervorming zelve.
Want — dat men toch niet langer in onkunde rondtaste en omdwale! — wat is de leer der Hervormde Kerk van den beginne af, in wezen en hoofdzaak, ooit anders geweest dan deze: dat Jezus Ghristus, de mensch geworden Zoon van God, de eenige en algenoegzame Zaligmaker is van een iegelijk die ootmoedig en waarachtig in Hem gelooft.
En in stede van zich te verontrusten of te bekommeren over verschil, van gevoelen, dat zich bij die vrije Christus-verkondiging noodwendig zal openbaren, kan men zich veilig en vast verlaten op de kracht dier goddelijke waarheid, zoo maar de Evangeliedienaren in hun onderwijs, in hunne prediking, maar vooral in hun leven en wandel getrouw blijven aan dit hoofdbeginsel der Herv. Kerk en des Christendoms tevens: Jezus Christus, de gekruisigde, de kracht Gods en de wijsheid Gods."
Adres aan de Synode.
Door een aantal predikanten is het volgende adres aan de Synode verzonden:
De ondergeteekenden richten zich tot U, Hoog Eerwaarde Synode, met het verzoek de Proponentsformule, de belofte van de aanstaande Godsdienstonderwijzers, en de bepaling aangaande de te stellen vragen bij de aflegging der geloofsbelijdenis in den volgenden zin te wijzigen, welk verzoek door U welwillend in overweging worde genomen en uwe goedkeuring moge wegdragen.
De in Art. 27 van hét Reglement op het Examen voorkomende belofte worde aldus gewijzigd:
Wij ondergeschrevenen, door het Provinciaal Kerkbestuur van .... (of door de Commissie tot de zaken der - Waalsche Kerken) tot de openbare Evangeliebediening in de Nederlandsche Hervormde Kerk toe gelaten, beloven in het diep besef van onze roeping en in vertrouwen op God, dat wij daarin met ijvftj en trouw zullen werkzaam zijn om, overeenkomstig de beginselen en het karakter der Hervormde Kerk hiet te lande, zooals deze gekend worden uit hare Belijdenisschriften, te verkondigen het Evangelie van Jezus Christus, «overgeleverd om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking» (Rom. 4:25), en de belangen van het Godsrijk en in overeenstemming hiermede die van de Nederlandsche Hervormde Kerk met opvolging van hare verordeningen, naar vermogen te behartigen.
De in Art. 19 van het Reglement op hetl Godsdienstonderwijs voorkomende belofte luide in het vervolg:
Wij ondergeteekenden, bij het Classicaal Bestuur van (de Waalsche Commissie}, geëxamineerd en toegelaten tot het geven van godsdienstonderwijs, beloven, dat wij in gehoorzaamheid aan onze roeping daarin met ijver en trouw zullen werkzaam zijn, om overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande, zooals deze gekend worden uit hare Belijdenisschriften, te onderwijzen en te verkondigen het Evangelie van Jezus Christus «overgeleverd om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking» (Rom. 4 : 25), en de belangen van het Godsrijk, en, in overeenstemming hiermede die der Nederlandsche Hervormde Kerk, met opvolging harer verordeningen, naar vermogen te behartigen,
Ten slotte luide Art. 39 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs aldus:
De bevestiging van lidmaten heeft plaats in eene daarvoor bepaalde godsdienstoefening, bij welke hun de volgende vragen ter beantwoording worden voorgesteld:
In tegenwoordigheid van God en van Zijne gemeente vraag ik u :
Vooreerst: Belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer, en in den Heiligen Geest.'
Vervolgens: Zijt gij des zins en willens, bij deze belijdenis door Gods genade te volharden, de zonde te verzaken, de heiligmaking na te jagen, en uwen Heiland in voorspoed en tegenspoed, in leven en sterven getrouw te volgen, gelijk aan Zijne ware belijders betaamt?
Eindelijk: Belooft gij, tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bijzonder, in gehoorzaamheid aan Gods Woord, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig mede te werken? Na de toestemmende beantwoording van deze vragen worden zij plechtig en met gepaste toespraak tot lidmaten verklaard.
Bovenbedoelde predikanten hebben een „Toelichting" bij dit adres gevoegd en tegelijk aan alle Kerkeraden en Class. Vergaderingen verzocht ditzelfde Adres in behandeling te nemen en het door te zenden naar de Synode.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's