Uit het kerkelijk leven.
Bennekom.
Gelijk ieder nu wel weet is de Kerkeraad te Bennekom voor 2 maanden geschorst, welke schorsing 2 Juni jl. is ingegaan. In het voorjaar van 1913 werden twee jonge menschen uit Bennekom in de moderne gemeente Tiel aangenomen en bevestigd. Bizonderheden weten we niet. Maar het kwam er toe, dat de Kerkeraad van Bennekom, die van de bevestiging bericht kreeg, hen weigerde in te schrijven in de lidmatenboeken.
Daarmee was de zaak natuurlijk niet uit, maar werd door de zich bezwaard gevoelende jonge menschen uit Bennekom voor het Classicaal Bestuur van Arnhem gebracht, welk Kerkbestuur den Kerkeraad in het ongelijk stelde en ten slotte voor enkele weken schorste.
De Kerkeraad legde zich hierbij niet neer, maar ging in hooger beroep bij het Provinciaal Kerkbestuur van Gelderland.
Dit Bestuur heeft de uitspraak van het Classicaal Bestuur wegens een gebrek in den vorm vernietigd, maar het vonnis toch bekrachtigd. Het heeft met ingang van 2 Juni den Kerkeraad van Bennekom voor den tijd van twee maanden geschorst in de waarneming van kerkelijke betrekkingen en ambten.
Van deze uitspraak heeft de Kerkeraad vernietiging aangevraagd bij de Synodale Commissie, welke evenwel het vonnis heeft bekrachtigd.
En zoo is de schorsing Dinsdag jl. ingegaan en heeft Bennekom gedurende twee maanden geen predikant, geen ouderlingen en geen diakenen, terwijl het Classicaal Bestuur nu doet wat anders de Kerkeraad doen moest.
De Ringpredikanten moeten nu den predikdienst vervullen. En dus Ede, Hoevelaken, Lunteren, Otterloo, Renkum, Scherpenzeel en Wageningen zullen helpen. Terwijl het Classicaal Bestuur de namen der bevestigde jonge menschen zal inschrijven.
Is het niet in-droevig dat zooiets gebeuren kan in onze Herv. Kerk, dat een predikant, ouderlingen en diakenen worden geschorst door het drijven, sarren en knoeien van de modernen? Is het niet een aanklacht tegen onze Kerk?
Zeker — wij gelooven óok, dat formeel genomen Ds. Paauwe en de Kerkeraad schuldig staan, door eigenmachtig op te treden tegenover een Kerkeraad van een andere Gemeente. Dat is niet Bijbelsch en niet naar ons Gereformeerd Kerkrecht. Een verschil tusschen twee mag niet door één beslist worden, maar door de gemeenten saam in kerkelijke vergadering, gelijk vroeger op de Class. Vergadering zulks behandeld werd.
De Kerkeraad van Bennekom had met deze zaak naar het Class. Bestuur van Arnhem moeten gaan, opdat men daar zou onderzoeken of te Tiel naar art. 39 Regl. op het godsdienstonderwijs is gehandeld en vragen gesteld zijn die in geest en hoofdzaak met de vragen in art. 39 voornoemd overeenstemmen.'
Inderdaad heeft Ds. Paauwe en de Kerkeraad van Bennekom —voor zoover wij zien kunnen — niet gehandeld naar ons kerkelijk reglement.
Men heeft z'n eigen rechter willen zijn. En al heeft men zakelijk dan het volste recht, dóór zelf als rechter op te treden bederft men het en loopt men er tegen.
Maar dat doet niets af aan het feit, dat de toestanden in onze Herv. Kerk allertreurigst zijn en het bewijs bij vernieuwing geleverd is, dat onze Kerk onder een juk gekneld zit en de leugen tegen de waarheid strijdt. Alles is zóo geregeld, dat de onbijbelsche, onchristelijke, goddelooze leeringen van de modernen heel dikwijls vrij spel hebben. En het moet allen, die onze Geref. Kerk liefhebben en de Waarheid Gods beminnen, wel een zaak van veel verdriet zijn, dat het alzoo gesteld is onder ons.
Wat Ds. Paauwe en de Kerkeraad van Bennekom nu doen zullen?
Wij weten het niet. Ons werd verteld, dat men van den kant der gescheidenen reeds bij Ds. Paauwe geweest was, zeggende: „Kom tot óns over"; waarop zijn antwoord moet geweest zijn: „Neen, want bij u is het nog treuriger gesteld dan bij ons."
Wat daarvan waar is, weten we niet. Maar de indruk werd bij ons versterkt, dat Ds. Paauwe en de Kerkeraad van Bennekom zich stil zullen bukken onder de straf hun opgelegd en onze Herv. Kerk niet zullen verlaten.
Wat ons zéér zou verheugen.
Want zeker! wij voelen van de diepe ellende onzer Kerk wél en wij weten tot onze smart, dat de breuke groot is. Maar wegloopen is de weg niet. Terwijl mede door deze dingen helderder gezien kan worden, hoe jammerlijk onze kerkelijke toestand is en hoe het dringend noodzakelijk is, dat allen die op den bodem der belijdenis staan, saê, m optrekken, om in den middellijken weg een einde te maken aan de ongebreidelde en verwoestende handelingen van de modernen.
Wat de vijanden ten kwade hebben bedacht, kan de Heere nog wel ten goede keeren!
Wat Hij uit genade onze Kerk schenke.
Ordelijk te handelen en naar de kerkelijke wetten te leven — is een heele kunst.
Zelfs de beste wettenkenners in onze Kerk tasten dikwijls mis.
Ten opzichte van de inschrijving van leerlingen, die in een moderne gemeente belijdenis deden, moet men daarom niet willekeurig handelen, maar naar den regel van art. 13 Algem. Regl. het Class. Bestuur in deze zaak kennen.
En wanneer dan moderne jongemenschen ingeschreven moeten worden, als aan art. 39 Regl. op het godsd. onderwijs is voldaan — dan kan de Kerkeraad verder met hen handelen naar men meent te moeten doen.
Die langs allerlei weg en met allerlei middel weten binnen te komen, moeten dan maar voelen, dat men onder opzicht en tucht staat van een Kerkeraad, die Gods Woord tot richtsnoer heeft en de belijdenis der Kerk van harte is toegedaan.
Zeker, het zou wel makkelijk zijn indringer te wezen, binnen te komen — en dan de bewoners er uit te zetten en weg te jagen.
Maar zóo makkelijk moet het den modernen, die wettelijk noch zedelijk recht hebben in de Kerk — en zich alleen door allerlei veinzerij en knoeierij kunnen staande houden — niet gemaakt worden.
Moet het door de diepte dan, de Heere is nabij degenen die op Zijn Naam betrouwen en Hij zal ze uithelpen, op Zijn tijd.
Ga er een gedurig gebed op tot God voor onze Kerk, dat de Heere haar genadig zij I
Het adres aan de Synode.
Het adres aan de Synode, waarvan wij verleden week melding hebben gemaakt, is deze week verzonden aan de Synode, aan alle Classicale Vergaderingen en aan alle Kerkeraden.
Het gaat, zooals men weet, over wijziging van proponentsformule, godsdienstonderwijzers-verklaring en belijdenisvragen, en is onderteekend door een 60-tal predikanten.
We laten de namen — alfabetisch gesteld — hier even volgen:
B. Batelaan, Ouderkerk a/d IJsel; N. A. Becht Jr., Arnhem; G. H. Beekenkamp, Delft; H. D. J. Boissevain, Gelselaar; D. Boonstra, Schoonhoven; H. O. Briët, Utrecht; J. de Bruin, Rijssen; K. P. Datema, Muiden; J. L. Dippel, Groningen; S. van Dorp, Bodegraven; G. van Dorssen, Oudega; J. van Duyvenbooden, Vlaardingen; J. Eringa, Woerden ; J. P. Eringa, Amsterdam; H. van Eyck van Heslinga, Berlikum; A. J. Eykman, Amsterdam; H. A. de Geus, Wezep (Geld.), J. C. G. Gobius du Sart, Wijk bij Heusden; J. W. F. Gobius du Sart, Woudrichem; J. Goslinga, Utrecht; M. van Grieken, Delft; H. J. de Groot, Voorst; J. W. Groot Enzerink, Leeuwarden; J. H. Gunning E.Bzn., Schoonrewoerd; C. Heemskerk, Dordrecht; J. J. van Ingen, Harderwijk; M. Jongebreur, Veénendaal; J. C. Klomp, Hillegersberg; J. G. Klomp, Wassenaar; T. Kloosterman, Alkmaar; J. Kraay, Hasselt; P. J. Kromsigt, Amsterdam; J. Ch, Kromsigt, Oostwold; F. J. Krop, Rotterdam; J. Laurense, Oost-Kapelle; C. J. Leenmans, Utrecht; N. M. de Ligt, Middelburg; C. A. Lingbeek, Spijk; J. C. S. Locher, Waspik; H. A. J. Lütge, Amsterdam; J. Luuring, Gorinchem; L., van Mastrigt, Barneveld; C. H. Nolke, Hattum; E. J. W. Posthumus Meyes, 's Gravenhage; C. B. Oorthuys, Rotterdam; G. Oorthuys, Amsterdam; J. H. F. Remme, Óud-Beyerland; J. M. Pb. Schippers, Ede; C. J. Six Dijkstra, Oud-Alblas; N, v. d. Snoek, Vlaardingen; T. Stigter, Berkel en Rodenrijs; L. B. Tjebbes, Middelburg; P. van Toorn, Rotterdam; A. Troelstra, 's Gravenhage; J. W. Verschoor, Bleiswijk; J. W. C. Vunderink, Haarlem; J. Wieten, Amsterdam; J. Willemze, Groningen; A.'B. te Winkel, Arnhem; H. K. Wolfensberger, Noordeloos; M. Woudstra, Utrecht; J. Zweedijk, Fijnaart.
Men begrijpt, dat dit maar een klein gedeelte is van de predikanten, die met dit adres meegaan. Dit 60-tal heeft alleen den stoot aan deze zaak willen geven. En nu is het de bedoeling dat alle Kerkeraden, die maar eenigszins sympathie hebben voor deze zaak, zich elk afzonderlijk tot de Synode zullen richten.
Dat kan héél eenvoudig door het adres, dat aan eiken Kerkeraad werd toegezonden, in een enveloppe te doen en daarbij een brief (groot formaat papier) in te sluiten, ongeveer van dezen inhoud:
Aan de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk.
WelEerw. en Eerw. Heeren.
De Kerkeraad der Nederlandsch Hervormde Gemeente te , classis , komt beleefd tot U met het vriendelijk verzoek, dat bijgaand adres door U welwillend in overweging worde genomen, van harte hopende dat het Uwe goedkeuring mag wegdragen.
De Geest des Heeren wone in Uw midden!
De Kerkeraad voornoemd:
, Voorzitter. , Ouderling.
... Juni 1914.
Adres èn Brief moet dan toegezonden worden aan het Classicaal Bestuur, met een begeleidend schrijven om Adres en Brief wel te willen doorzenden.
Er is dus weinig of geen werk aan, om deze zaak als Kerkeraad te steunen.
Laat nu ook overal dit adres gesteund worden, opdat de Synode wete dat het in ons aller hart leeft, dat er verandering kome in onze Ned. Herv. Kerk.
De leer der Herv, Kerk.
Zooals men weet staat in Art, XI van het Algemeen Reglement onzer Kerk dat „de handhaving harer leer aan allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn, is opgedragen.
Dat heeft er altijd gestaan.
Vroeger in art. 9, . later in art. 11. En de Commissaris-Generaal heeft 28 Maart 1816 vanwege Z. M. Koning Willem I o. a. dit gezegd, ter geruststelling van de classis Amsterdam, die vreesde voor invoering van andere leefingen: „dat de geheele verandering (van Kerkbestuur) slechts het uitwendig Kerkbestuur betreft en „wat de leer betreft, zijn de verplichtingen van de leden der Synode en die van alle andere Kerkbesturen, begrepen in het 9de Artikel (tegenwoordig het 11de) van het Algemeen Reglement, hetwelk met ronde woorden van hen vordert, de handhaving van de leer der Hervormde Kerk."
De Herv. Kerk is dus een belijdende Kerk. Zg heeft hare eigene leer, hare Hervormde belijdenis.
Wat velen dikwijls tot een aanstoot is geweest — waarbij men niet zelden beproefd heeft om heel die „leer" en heel die „handhaving der leer" maar weg te doezelen en uit de Reglementen uit te lichten.
Zoo heeft men o. a. in 1874 (zie b.v. Knottenbelt, Kerkelijk Wetboek, aanteekening bij art. 11) beproefd om een ander artikel 11 te fabriceeren.
Het oude artikel met die „leer" moest weg en men zou een nieuw maken, waarin dan b.v. sprake zou zijn van „handhaving van het Evangelie" of „van handhaving der beginselen van hel Protestantisme". Dan had de Herv. Kerk geen eigen leer meer, dan was alles veel ruimer, veel algemeener geworden en het specifiek Hervormde was weg.
Bijna is die 'toeleg in 1874 gelukt. Er werd door de Synode besloten art. XI te veranderen.
En dat voorloopig aangenomen artikel sprak er van, dat de historische grondslag der Herv. leer wel begrepen is in de Ned. Geloofsbelijdenis, den Heid. Catechismus en de Leerregels der Synode van Dordrecht — maar dat die leer door de gemeente nu niet meer met genoegzame eenstemmigheid werd beleden en dat men daarom het oude maar moest laten voor 't geen het was en iutusschen moest voortbouwen op christelijken grondslag en den christelijken godsdienst moest aankweeken enz.
En er werd bijgevoegd dat „niemand als lidmaat of leeraar geweerd zou kunnen worden, die, bij beantwoording aan de overige vereischten, verklaarde in zijn geweten overtuigd te zijn, dat hij, overeenkomstig bovengenoemde beginselen tot de Ned. Herv. Kerk mag behooren".
Zoo 'zou dus alles algemeen-christelijk worden gemaakt, en zoo zou de grondwet onzer Kerk openlijk verklaren, dat alles wat de leer betreft werd overgelaten aah ieders eigene conscientie.
Oordeelde iemand — van wat belijdenis hij ook was — dat hij als lidmaat of predikant in de Ned. Herv. Kerk thuis hoorde, dan mocht niemand hem eenigszins daarin bemoeilijken.
Vrijheid, blijheid!
Maar... hoewel het nieuwe artikel XI voorloopig was aangenomen door de Synode in 1874, de Synode van 1875 heeft echter, naar de . consideratiën van de overgroote meerderheid der Prov. Kerkbesturen en Class. Vergadei ingen, geoordeeld het artikel onveranderd te moeten laten.
Men voelt waar het om te doen was. Nu ligt er \VL de wet verplichting tot handhaving van de Herv. leer.
En men wilde de bestaande leervrijheid wettig maken; in de wet legitimeer en; zoodat het geheel wettig was te leeren wat men wilde.
Men wilde de leervrijheid boven eiken twijfel verheffen, zoo dat ieder moest getuigen : in de Herv. Kerk geldt geen bepaalde leer. »
Doch dat is niet gelukt! De Herv. Kerk had haar belijdenis en hield haar belijdenis.
En art. XI legt aan de bestuurders der erk op: de vleer der Kerk te handhaven.
Ook deze strijd van het jaar 1874—75 heeft medegewerkt ten goede.
Want toen is wéér — voor de zooveelste maal! — in de Synode en daarbuiten uitgesproken wat de leer der Herv. Kerk is.
Sla de handelingen van de Synode van 1874 bij blz. 140 en 141 maar op, en dan bemerkt gij dat b.v. Prof. Dr. F. W. B. Bell heeft verklaard, zonder dat iemand in de Synode dat tegengesproken heeft:
„dat met de woorden „leer der Herv. Kerk" niets anders kan bedoeld zijn, dan de leer die begrepen is in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en" de Leerregels der Synode van Dordrecht, dat is: de leer, welke in de aangenomen Formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk begrepen is."
Dat deze de ware beteekenis van de woorden „de leer der Hervormde Kerk" is, volgt reeds daaruit, dat er nooit eene andere kerkelijk geijkte leer der Hervormde Kerk is geweest. Het blijkt ook uit art. 27 Regl. op het Examen en uit art. 19 Regl. op het Godsd. onderwijs. In dien zin heeft dan ook fle Synode van ! 31 Juli 1861 in eene „Inlichting omtrent de beteekenis der vraag naar onberispelijkheid in de belijdenis" over de leer gesproken „welke begrepen is in de belijdenisschriften onzer Nederlandsche Hervormde Kerk, die rechtens nooit zijn afgeschaft."
Kan en mag aan die woorden „de leer der Herv. Kerk" in art. 11 geen andere zin dan de genoendde gehecht worden — aan het woord „handhaving", van die leer lean en mag geene andere beteekenis worden gegeven dan deze, dat allen die in onderscheidene betrekkingen met het Kerkelijk Bestuur bolast zijn, die lemder Herv. Kerk — en dat wel zooals zij luidt; in haar geheel — moeten handhaven, zoowel door zelven die leer van harte te belijden en aan te bevelen, als door Ie waken, dat die leer gekend en beleden worde door allen, die aan hun bestuur onderworpen zijn."
Dit getuigenis van Prof. Bell is duidelijk. En men heeft dat ook wel gevoeld, want niet alleen dat men het niet tegensprak, maar in 1875 is art. XI weer hersteld en de leervrijheid is niet gewettigd; de woorden „handhaving harer leer" vielen niet uit. En zij staan er nog — toegelicht bovendien met de gegeven verklaring ter Synode!
De Bijbel Gods Woord.
Groot onderscheid is er tusschen hetgeen de een gelooft aangaande Gods Woord en wat de ander te dien opzichte belijdt.
Is de Bijbel Gods Woord?
Dat wil zeggen: nemen we den Bijbel als geheel, als canonische eenheid, als Gods Woord ?
Zoo doet onze Gereformeerde Kerk, gelijk onze Geloofsbelijdenis dat omschrijft.
Of zeggen we: de Bijbel in z'n kern genomen is Gods Woord?
Dan is de hoofdinhoud van den Bijbel Gods Woord.
Of zeggen we: de Bijbel bevat Woorden Gods?
Dan liggen hier en daar in den Bijbel Woorden Gods verspreid.
Men voelt dat maakt zoo groot verschil wat men ten opzichte van den Bijbel gelooft.
En in onze Herv. Kerk met haar belijdenisschriften, die in deze zoo duidelijk spreken, is alleen het eerste geoorloofd.'
De Bijbel is Gods Woord. De Bijbel van Genesis tot Openbaring. De Bijbel in z'n geheel genomen.
En de Bijbel is voor onzs geloofswaarheden de grond. De Heilige Schrift is voor onze belijdenis en voor ons boven de regel.
Zoo. oud.
In meer dan êén blad van moderne richting lazen we dat men zich daar er over verwonderd had, dat op de Haagsche vergadering door de Gereformeerden gesproken was zooals men dat in de 17de eeuw, op de Dordtsche Synode deed.
Men kwam wezenlijk aandragen met waarheden uit de 17de eeuw!
En dat in de 20ste eeuw. Wat bespottelijk!... .
Maar eilieve — veracht men ook de heerlijke stralen van het lentezonnetje, omdat die zon al zoo oud is?
Pleit dat tegen de zou, dat zij in de 17de eeuw ook scheen?
Niet? Welnu, pleit het dan tegen de waarheid, dat deze in de 17de eeuw ook werd beleden?
Laat men toch niet dwaas zijn.
Het Evangelie.
Ieder die in de Schrift thuis is weet, dat niet alles Evangelie mag genoemd worden wat als Evangelie wordt voorgesteld.
Het moet het Evangelie Gods zijn; het Evangelie dat Jezus Christus, den Gekruiste, tot inhoud heeft.
Wilt ge éen bewijs? Lees dan 1 Cor. 15 en dan b.v. van het 1ste tot en met het 4e vers.
Daar schrijft Paulus: „Voorts, broeders! ik maak u bekend het evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat;
Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zoodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij te vergeefs geloofd hebt.
Want ik hebgulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat hij is begraven en dat hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften enz." —
Daar hebt ge het! Het Evangelie dat Paulus van den Heere zelf ontvangen en geleerd had.
Dat overeenkwam met de getuigenis van de Apostelen.
Dat overeenkwam met de Schriften des Ouden Verbonds.
Dat tot inhoud had: Jezus Christus, gestorven om onze zouden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking!
Dat is het Evangelie. Het Evangelie der zaligheid voor een iegelijk die gelooft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juni 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's