De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

14 minuten leestijd

50-jarig jubileum.

De Confessioneele Vereeniging heeft deze week herdacht, dat zij voor 50 jaar is gesticht geworden. 't Was toen — in 1864 — dat de kwestie-Zaalberg de gemoederen in beweging bracht.

Eerst had men in 1854 de kwestie-Meijboom gehad en toen in 1864 het brutale optreden van de vrijzinnigen en de Kerkelijke Besturen, om allen band aan de belijdenis der Kerk als door te snijden —. wat bij de Vrienden der Waarh|id het plan deed geboren worden om zich saam te vereenigen rondom de belijdenisschriften der Kerk en te doen wat de hand vond om te doen tot verbreiding en verdediging van hetgeen door de Vaderen was overgeleverd aan hunne kinderen.

Mannen als Ds. Tinholt, Dr. Barger, Ds. Pelix, Ds. Heldring en anderen traden hierby op den voorgrond.

Wij hebben geen geschiedenis van de Confessioneele Vereeniging te schrijven. Ook hebben we hare beginselen niet uiteen te zetten^ te becritiseeren of te verdedigen.

We gedenken alleen wat zij gedurende nu 50 jaar in het midden van onze Herv. Kerk gedaan heeft, om het kerkelijk bewustzijn bij onze Hervormde menschen te doen ontwaken en naar de lijnen van onze belijdenisschriften handelend op te treden op menig terrein.

Zelve zal zij te klagen hebben, dat zij zoo weinig gedaan heeft, zoo weinig in vergelijk van 'tgeen er te doen was, maar die zijn hand in eigen boezem heeft leeren steken zal hoe langer hoe voorzichtiger worden in het becritiseeren van anderen.

En niet gedenkend in dezen oogenblik aan 'tgeen ons scheidt, maar aan datgene wat ons gemeen is, wenschen wij onze Zuster-Vereeniging hartelijk geluk met haar gouden jubileum en wij bidden haar toe, dat de Heere zelve haar leiden mag in het effen pad van Zijne geboden, in het spoor Zijner waarheid, om haar arbeid nog zóo te richten, dat de waarheid Gods in onze Herv. Kerk mag worden verbreid en verdedigd en met troffel en zwaard mag worden gewerkt om de vervallen muren onzer Kerk, onder de gunste Gods, mede te mogen herstellen en oprichten.

De opleiding onzer predikanten.

Het gevaar is groot dat onze a.s. herders en leeraars onderwezen worden door mannen, die in hun geloofsovertuiging geheel verschillen met de belijdenis onzer Herv. Kerk.

De Regeering benoemt maar, en de Kerk staat er buiten. Er is volstrekt geen peil op te trekken wie er aan onze Rijks-universiteiten Hoogleeraar worden zal.

Nu heeft onze Kerk ook aan elke Universiteit (Leiden, Utrecht en Groningen) 2 kerkelijke Hoogleeraren, die door de Synode worden benoemd, op voordracht van een Commissie van elf leden, die door de Prov. Kerkbesturen en de Waalsche Commissie worden gekozen.

Bedoelde Commissie geeft voor elke Vacature een drietal, in alfabetische volgorde opgesteld, en de Algemeene Synode kiest dan uit dat drietal.

Natuurlijk dat het drietal orthodox is, als de Commissie in meerderheid orthodox is en modern als de Commissie modern is.

Waarborg is er ook in deze niet. Daarom zou het we wenschelijk zijn, dat ook het Hooger Onderwijs, van de Kerk uitgaande, gebonden werd aan het beginsel van onze kerkelijke belijdenisschriften.

Dat zou kunnen door in art. 1 van het Reglement op het Hooger Onderwijs in de Godgeleerdheid een kleine omschrijving tusschen te voegen. Er staat nu:

„In de steden Leiden, Utrecht en Groningen wordt, tot aanvulling van het aan de daar gevestigde Universiteiten gegeven onderwijs in de Godgeleerdheid, vanwege de Ned. Herv. Kerk Hooger Onderwijs in de Godgeleerdheid gegeven tot vorming van hare aanstaande Evangeliedienaren."

Gemakkelijk zou men dit aldus kunnen veranderen en aanvullen op deze wijze:

„In de steden Leiden, Utrecht en Groningen wordt, tot aanvulling van het aan de daar gevestigde Universiteiten gegeven onderwijs in de Godgeleerdheid, vanwege de Ned. Herv. Kerk, overeenkomstig haar beginselen en haar karakter, kenbaar uit haar belijdenisschriften, Hooger Onderwijs in de Godgeleerdheid gegeven tot vorming van hare aanstaande Evangeliedienaren."

Terwijl dan ook in art. 10 iets kon worden gewijzigd. Want daar staat nu:

Art. 10 al. 2: „Aan het houden van die rede gaat onmiddellijk vooraf eene door hem in handen van den president der Synode af te leggen belofte, dat hij zijn ambt met ijver en trouw overeenkomstig de bepalingen van dit reglement* zal waarnemen en de belangen der Nederlandsche Hervormde Kerk naar vermogen zal blijven behartigen."

In die Hoogleeraars-belofte, waarin nu met geen enkel woord over de belijdenis der Kerk en dus ook niet over Gods Woord gesproken wordt, kon gemakkelijk een kleine aanvulling plaats hebben.

Die belofte kon dan worden:

„Aan het houden van die rede gaat onmiddellijk vooraf eene door hém in handen van den president der Synode af te leggen belofte, dat hij zijn ambt met ijver en trouw overeenkomstig de bepalingen van dit reglement zal waarnemen, zijn onderwijs in alles zal inrichten overeenkomstig de beginse en het karakter der Ned. Herv. Kerk, kenbaar uit hare belijdenisschriften, en de belangen dier Kerk naar vermogen zal blijven behartigen."

Ónze Kerk trad dan ook hier als belijdende Kerk op, hebbende een eigen belijdenis met Gods Woord als hoogste regel voor leer en leven.

Er moet iets gedaan in deze.

Openlijk toch is het uitgesproken op de Haagsche Conferentie, dat onze Kerk haar leeraars zelf vrijzinnig maakt.

En daarom moet onze aandacht aan deze zaak worden gewijd.

In zake de benoeming door de Regeering kan de Kerk zelf weinig of niets doen voor 't oogenblik.

Maar in zake het benoemen van eigen Hoogleeraren wel.

En daarom, laat ons ddar beginnen waar wat te doen is.

Waarbij wij bovenstaande wijzigingen in art. 1 en art. 10 van het Regl. op het Hooger Onderwijs in de Godgeleerdheid aanbevelen.

Maar ook zonder die wijzigingen is reeds iets ten goede te verkrijgen door de voorgestelde wijziging van de proponentsformule. Immers, wanneer die wijziging mocht worden aangenomen — wat we hartelijk hopen — dan zullen dus alle predikanten hebben beloofd, dat zij het Evangelie van Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, zullen verkondigen, naar het beginsel van onze belijdenisschriften.

- En uit die predikanten, die dat beloofd hebben, zullen immers ook de Kerkelijke Hoogleeraren worden benoemd.

Zoo slaat de proponentsformule, ook ten slotte op de Kerkelijke Hoogleeraren en is het dus voor de opleiding van onze predikanten een stap in de goede richting als de wijziging van de proponentsformule wordt aangenomen.

Laten daarom alle Kerkeraden, die op een ordelijke reformatie van onze Herv. Kerk prijs stellen en onze Herv. Kerk weer gaarne als een belijdende Kerk zien optreden, zich tot de Synode wenden met het bekende verzoek, dan kunnen we op de meest eenvoudige manier twee dingen tegelijk bereiken: Meer beslistheid onder de predikanten en meer belijndheid onder de Kerkelijke Hoogleeraren.

't Eene of het andere.

In het Maandblad der afd. 's Gravenhage van de Vereeniging voor Vrijz. Hervormden schreef onlangs Ds. B. W. Colenbrander over de krisis, die onze Herv. Kerk doormaakt.

En hij zegt dan o. a.: „De kwesties, die in zulke tijden van krisis aanhangig zijn, zijn kwesties van beginselen en daarom kwesties die alleen door het leveren van een beslissenden strijd uitgemaakt kunnen worden.

Getuigt dat van onvriendelijkheid, onwelwillendheid, onverdraagzaamheid of iets dergelijks?

Alleen de oppervlakkigheid kan zoo oordeelen.

Is hij, die als vredestichter geheel de beschaafde wereld door bekend staat, niet juist de man geweest, die gewaarschuwd heeft als volgt:

„Meent niet dat ik gekomen ben om vrede op de aarde te brengen; ik ben gekomen niet om vrede maar om het zwaard te brengen. Want ik ben gekomen om verdeeldheid te stichten tusschen een mensch en zijn vader, een dochter en haar moeder, een schoondochter en haar schoonmoeder en 's menschen huisgenooten zullen zijne vijanden zijn."

Drukt de geschiedenis van het Christendom niet het zegel op die paradox? Op godsdien­stig, zedelijk gebied is vredeverstoring het redmiddel tot vredestichting. En de gloeiende geestdrift, waarmee dan gestreden wordt, staat in de rechte verhouding tot de waarde van datgene waarover de strijd loopt. Eene leeuwin is niet gewoon te kwispelstaarten wanneer zij verdedigen moet wat haar het liefst is."

En Ds. C. vervolgt dan: „Strijd, felle strijd zelfs, is in onze dagen niet te vermijden. Dit toch is de vraag: zal de Ned, Herv. Kerk een protestantsche instelling blijven; ja, dan neen?

Zoo neen: laat dan het belijdend karakter zoo scherp mogelijk geformuleerd en zoo streng mogelijk gehandhaafd worden.

Zoo ja: laat dan al wat belijdenis is en wat met belijdenis samenhangt uit de reglementen verwijderd worden."

Het oordeel van Ds. Colenbrander is dus ook, evenals onlangs Dr. Hooykaas schreef, dat het onwaarachtig schipperen van vrijzinnige menschen is wanneer ze zooiets van „de leer der Herv. Kerk" in de Reglementen willen houden.

Dat is dan van die modernen maar boerenbedrog.

Het is hen er toch om te doen om alle formuleering en alles wat met de belijdenis samenhangt weg te krijgen.

Welnu — laten ze dan eerlijk zijn en er eerlijk voor uitkomen dat ze onze Herv. Kerk willen maken tot een Kerk zonder belijdenis. Geen „geest en hoofdzaak" of zoo iets.

Dat is een schipper-politiek, die een vrijzinnig mensch van karakter onwaardig is.

Wat is de bedoeling geweest?

Die woorden „geest en hoofdzaak" in onze kerkelijke Reglementen voorkomend, hebben natuurlijk een geschiedenis.

Wilt ge even achter de schermen kijken en zien wat men er mee voorhad toen men die woorden ging invoegen ?

Luister dan naar 'tgeen Prof. Dr. H. U. Meyboom verklaart.

Hij zegt: „De uitvinding van den term „geest en hoofdzaak" was vrucht van het pogen, om het vereenigd voortbestaan van de elkaar uitsluitende confessioneele en anticonfessioneele richtingen in het traditioneele Kerkverband mogelijk te maken." Nu, dat is duidelijk.

Men wilde in de aloude Herv. Kerk bij elkaar houden wat niet bij elkaar hoort; wat elkaar uitsluit.

Iets, dat natuurlijk onmogelijk is. Wat een principieel mensch een verachtelijk gedoe noemt.

Maar nu juist de-manier waarop men het ging doen, maakt het zoo dubbel verachtelijk. De woorden „geest en hoofdzaak" moesten er voor dienen.

En Prof. Meyboom zegt dan van het invoegen van die woorden:

„De schijn van een belijdende Kerk moest er door bewaard worden ten behoeve van de rechtzinnigen — en tevens voor de vrijzinnigen de vrijheid, zooal niet geproclameerd, dan toch tot op zekere hoogte gered worden."

Net precies wat wij ook altijd gezegd hebben. Dat geniepige en valsche, dat onoprechte en huichelachtige, om naar den eenen kant te zeggen: „de Herv. Kerk heeft en houdt haar belijdenis" — terwijl men naar den anderen kant roept: de Herv. Kerk een belijdenis? neen, hoor! die is afgeschaft en alle leeringen zijn geoorloofd, elk Evangelie is welkom; vrijheid, blijheid!"

Ziet, dat is een onwaardig gedoe, dat ook gelukkig door een groot deel van de vrijzinnigen gebrandmerkt wordt als een onwaarachtig schipperen, waaraan een eind moet komen.

Wat eerst?

Wij wenschen zoo vurig dat onze Herv. Kerk zich mag gaan openbaren als de* Gereformeerde Kerk van Nederland. Als Gereformeerde Kerk met gereformeerde belijdenis en gereformeerde Kerke-orde.

Hoe daartoe te komen? Als het land onder water staat en men wil gaan bouwen, loopt men dan maar door het water en graaft men dan maar in de plassen en legt men dan maar steenen in het moeras? Ons dacht dat afdammen en droogmaken wel zoo verstandig was.

En dan aan 't werk. Zoo ook met onze Herv. Kerk.

Die heeft haar belgdenis en zucht onder een ongereformeerde bestuursorganisatie. Met die belijdenis knoeit men tegen recht en wet in. Daarom is het een moeras vol kerkelijke ellende en de voeten zakken telkens weg, bij alles wat ondernomen wordt. Men loopt zoo vast als een muur.

Nu moet de reformatie middellijk gewerkt worden.

Daarom dacht ons dat alle man die in de kerkelijke besturen zitten en iets voelen van de diepe ellende van de Kerk des Heeren, in ordelijken weg, naar uitwijzen van de reglementen, alles moesten doen wat de eere van onze belijdenis verhoogen kan.

Er moet grens en perk gesteld worden aan het roekelooze spel dat men speelt met onze belijdenisschriften; door o.a. proponentsformule, godsdienstonderwijzersverklaring, belijdenisvragen enz. wat vasteren vorm te geven.

Zoo wordt er dan een dam opgeworpen. En zoo kan het water, dat aldoor maar onze kerkelijke erve tot een moeras maakt, tegengehouden worden, waarna wij, op den bodem van onze belijdenis staande met het werk kunnen voortvaren.

Zóo is voor óns de gang van het werk.

Onder controle.

De modernen staan niet gaarne onder controle. Ze hebben wel beloofd te zullen handelen naar de kerkelijke verordeningen, maar als ze eenmaal binnen zijn, dan weten ze er 't handje mee te lichten. Dat was vroeger zoo en dat is nog zoo. Anders waren ze ook al lang buiten onze Kerk komen staan, daar ze met de leer der Herv. Kerk vierkant in strijd zijn.

Daarom is het goed om de gangen van de modernen in het midden van onze belijdende Kerk na te gaan. Vooral bij „de aanneming en bevestiging der nieuwe lidmaten."

Wat is er al dikwijls tegen art. 39 Regl. op het Godsd.onderwijs gezondigd! Maar meestentijds liet men het maar over z'n kant gaan.

Alle orthodoxe Kerkeraden moesten nu de oogen eens opendoen en naar orde en plicht eens acht geven op 'tgeen de moderne predikanten en Kerkeraden doen.

Men zal dan verbaasd staan! 't Bleek verleden jaar en dit jaar in de gemeente Rijswijk.

Van uit Den Haag trok men naar Rijswijk en ook van uit Delft. En het moderne Rijswijk ging „aannemen" en „bevestigen".

't Bericht daarvan volgde 'aan de respectieve Kerkeraden — die op informatie uitgingen bij het Class. Bestuur van 's Gravenhage. Na onderzoek bleek, dat Rijswijk zich niet gehouden had aan art. 39 voornoemd. Inschrijven behoeft dus niet.

En te Hoogebeintum schijnt men er ook tegengeloopen te zijn.

Althans we lezen in de bladen, dat het Class. Bestuur van Dokkum bij besluit van 28 Mei 1914 de bevestiging van lidmaten op 5 April jl. te Hoogebeintum (pred. Ds. H. J. Engelkes) vopr ongeldig verklaard heeft, omdat het de bij die gelegenheid afgelegde belijdenis niet in overeenstemming achtte met den geest en de hoofdzaak van de vragen, zooals zij geformuleerd zijn in art. 39 Regl. op het Godsd. onderwijs.

We maken ons sterk, dat wanneer alle orthodoxe Kerkeraden, zoodra zij bericht ontvangen van de bevestiging van nieuwe lidmaten in een moderne gemeente, op grond' van art. 13 Alg. Regl. zich wendden tot het Class. Bestuur met verzoek wel te willen onderzoeken of bij de bevestiging voldaan is aan art. 39 Regl. op het Godsd.onderwijs en vragen gesteld zijn die in geest en hoofdzaak met de aldaar voorgeschrevene overeenkomen — dat er dan nog eigenaardige dingen aan 't licht zouden komen en vele inschrijvingen niet behoefden te gebeuren.

Natuurlijk mag men zonder onderzoek zóo maar niet de inschrijving weigeren.

Het Formuleeren van Dr. Niemeyer.

De vrijzinnigen willen niet weten van het formuleeren der waarheid. Zij willen heel het confessionalistisch element uitbannen; en willen b. v. van belijdenis vragen niet weten. Dr. Niemeyer verzet zich daartegen. Hij wil wèl aan formules zich houden en ook anderen daaraan binden, — wat met de vrijzinnige idee vloekt.

Door mannen als Prof. Meyboom, Prof. Oort, Ds. de Haas, Ds. de Leeuw, Ds. Beversluis wordt hij dan ook niet weinig aangevallen.

Men verwijt hem, dat hij een Paus in 't klein is. Men zegt: gij hebt u bij de confessioneelen aangesloten. Men verwijt hem van de Herv. Kerk een Roomsche Kerk te willen maken.

Nu, we verstaan die beschuldigingen uit den mond van vrijzinnigen.

Want Dr. Niemeyer kan praten en schrijven wat hij wil, maar wanneer het gaan zal zooals hij voorschrijft, dan wordt weer het confessionalisme, formalisme en intellectualisme, al is 't in bescheidener vorm, in de Herv. Kerk ingevoerd of gehandhaafd en de deur I weer opengezet voor he, t geharrewar ovor termen en formules.

De fout van het Confessionalisme ligt toch niet in een te veel, een te beperkt formuleeren van „het geloof", maar in dat willen formuleeren zelf, zeggen de vrijzinnigen.

Het „geloof" te willen binden aan eene bepaalde formule, welke ook, doHs de kwaal, waartegen gestreden moet worden, zeggen de echte modernen.

En ziet, nu gaat Dr. Niemeyer met zijn formules en vragen weer werken. Om feitelijk dus aan de zijde van het confessionalisme te gaan staan.

En deswege vliegt men nu in het vrijzinnige kamp Dr. Niemeyer van alle kanten aan. Wat we goed begrijpen, want zijn standpunt is allesbehalve vrijzinnig.

Hij wil van twee wallen eten. Hij wil schipperen.

Maar zal, naar we vermoeden, van een slechte reis thuiskomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's