Uit het kerkelijk leven.
Adres aan de Synode.
Van een paar Kerkeraden vernamen wij dat zij geen verzoek hadden ontvangen om het bekende adres van een 60-tal predikanten mede aan de Synode te richten.
Dit moet berusten op een misverstand, aangezien dit verzoek volgens het Kerkelijk Handboek aan al de Kerkeraden verzonden is.
Mochten er soms meerdere Kerkeraden zijn die het niet ontvingen en die zich toch mede tot de Synode zouden willen wenden, dan kunnen zij dit nog berichten aan den Secretaris van de Commissie van uitvoering, Dr. G. Oorthuis te Amsterdam, die gaarne bereid is hun desgewenscht nog een exemplaar te doen toekomen.
Publieke afbraak.
't Is al een oude kwestie, die kwestie van Hemelvaartsdag.
Wie herinnert zich niet „de Hemelvaartsstorm in 1875?
Dat zat zóo: Ds. Domela Nieuwenhuis — de tegenwoordige socialistisch-anarchistische partijleider — was vroeger predikant bij de Evangelisch-Luthersche Kerk te Beverwijk.
Toen Hemelvaartsdag kwam moest hij preeken, maar hij ken niet en wilde niet. Hij geloofde niets van de hemelvaart van Jezus, evenmin als van Zijn lichamelijke opstanding. De Kerkeraad nam het nog al makkelijk op — want de broeders geloofden het zelf ook niet — en men schafte in kerkeraadsvergadering de Hemelvaartspreek af.
En zoo liep alles nog al kalm af. Maar in 1875 werd Ds, Domela Nieuwenhuis in Den Haag beroepen — wat natuurlijk dom was van de Haagsche Luthersche Gemeente — en moest toen ook juist op Hemelvaartsdag preeken.
't Spreekt van zelf, dat het voor Ds. Domela Nieuwenhuis onmogelijk was. Wat hij in Beverwijk niet kon doen, kon hij ook in Den Haag niet.
Hij vond er een middel op. Hij vroeg eenvoudig den Hervormden predikant Ds. Knottnerus om zijn beurt waar te nemen — wat ook geschied is — en meende er nu af te zijn.
Maar het was niet onopgemerkt gebleven in de Gemeente en er stak een storm van verontwaardiging op — „de Hemelvaartsstorm" geheeten.
„Door de groote mate van vrijheid, welke in die dagen in het Ev. Luthersch Kerkgenootschap aan een ieder werd verleend" — zooals Ds. Domela Nieuwenhuis later zelf schreef — kon hij het nog wat uithouden. Maar op den duur werd het voor hem onhoudbaar in een Kerk, welker geloofsovertuiging hij niet deelde en in Maart 1879 legde hij zijn ambt neer, getuigende: „had ik meer met de waarheid kunnen sollen, dan zou ik gebleven zi'n, maar dat kon en wilde ik niet."
Een dergelijke kwestie doet zich al lang voor in onze Herv. Kerk. Alleen daar is geen roering in de gelederen, naar 't schijnt; en er is dan ook geen sprake van een „storm" van verontwaardiging, 't Is bladstil onder ons.
Zal het zoo blijven? Ook nu er meer in het publiek opgewezen wordt door vrijzinnigen, dat het maar tot afschaffen van den Hemelvaartsdag en althans tot afschaffing van de Hemelvaartspreek moet komen?
Men heeft het toch gelezen, dat Ds. K. Vos Doopsgezind predikant te Middelstum. van den Hemelvaartsdag zegt, dat het een Roomsche feestdag is; terwijl hij het betreurt dat onder de Protestanten het bijgeloof zoo taai is.
Ook de redactie van „de Hervorming" vindt, „dat de schijn worde vermeden, dat de vrijzinnigen nog aan den Hemelvaartsdag als godsdienstigen feestdag, blijven hangen."
Weg dus met dien dag als „godsdienstige feestdag."
Golgotha heeft het laatste woord in de geschiedenis van Jezus. En alles wat men er verder bij gemaakt heeft is bijgeloof, legende, leugen, opsmukkerij en bedrog.
Men wil nu maar overgaan tot publieke afbraak en het alles opruimen.
Het terrein kan dan meer vrij komen voor de echt moderne ideeën.
Zal het stil blijven onder ons? Bladstil?
Zal men zich niet verroeren noch bewegen, als men den Christus aantast in Zijn goddelijke eere en als naar 't geen onze Kerk . steeds dierbaar was als oude rommel voor een duit op de markt wil verkoopen, roepende: alles moet weg ! liever vandaag dan morgen.
Moet het bladstil blijven onder ons? Ook als voor legende wordt uitgekreten wat goddelijke, heilige, heerlijke waarheid is? Dat er eens een krachtig protest mocht uitgaan tegen het vandalisme van de moderne ongodisterij, die geen rekening belieft te houden met Gods Woord, met de belijdenis der Kerk, met de overtuiging van duizenden en duizenden, brutaal en ruw optredend op een terrein waar men als indringster is binnengekomen en waar men zich aanstelt als meesteresse.
Kerkvorm en Kerkleer.
„Onze Herv. Kerk dagteekent niet van 1816, evenmin als van 1618, maar van de Hervorming en hare vestiging. Doch onze tegenwoordige 'Kerkvorm is in 1816 in het leven geroepen."
Syn. acta 1847 blz. 111.
„Zóo ver is het er van daan, alsof door het veranderd of gewijzigd Kerkbestuur in 1816, de Nederlandsche Herv. Kerk van hare oude en vaste grondslagen losgerukt en daardoor in aard en wezen veranderd zou zijn, dat zelfs de Kerkelijke Verordeningen en Reglementen tot inscherping en handhaving onzer Geloofsbelijdenis zijn ingerigt.
Reeds in hare eerste bijeenkomst, tenjöre 1816, heeft de Synode hare zorg om geen Godsdienstig geschrift, met de aangenomen leer in strijd, door Kerkelijk gezag te wettigen, aan den dag gelegd.
De last, om, gelijk van ouds en tot dien tijd toe, over den Heidelb. Catechismus, éen van onze aangenomen Formulieren van Eenigheid, te prediken, is van de Synode in 1822 aan alle leeraren uitgegaan, en naar de opvolging van dien last wordt jaarlijks in elke gemeente, bij de Kerkvisitatie, harentwege onderzoek gedaan."
„Niets strookte derhalve ooit minder met hare (d.i. der Synode) bedoelingen, ja, niets is regtstreeks méér gekant tegen haren toeleg, dan het drijven en voorstaan van eene onge breidelde vrijzinnigheid, die de grondslagen van ons gezegend Christendom in het gemeen en die van onze Hervormde Kerk in het bijzonder ondermijnt en zij (de Synode) houdt het voor een der duurste pligtën van eiken Leeraar, om, waar zich de sporen van zoodanige vrijzinnigheid opdoen, daartegen te waken en de gemeenten aan hunne zorg toevertrouwd, door gepast en grondig onderwijs, naar gelang der omstandigheden, te wapenen."
Uit het Rapport van den secretaris der Synode, den heer Dermout. Syn. acta 1841 blz. 132 etc.
„De verwisseling, eindelijk, van het nieuwe (formulier van 1816) met het oude formulier (van 1619) is geheel noodeloos, daar in het tegenwoordige juist dit is begrepen, wat de adressanten met zooveel drift begeeren.
Of waarom komen de Formulieren van Eenigheid onder den naam van aangenomen Formulieren daarin voor (in de prop. formule van 1816 n.l.) dan omdat zij de kenmerkende leerstukken der Hervormde Kerk bevatten ?
Daar toch door het 9de Artikel van het Algemeen Reglement de handhaving van de leer der Hervormde Kerk aan allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk Bestuur belast zijn, ia voorgeschreven, heeft het Reglement op het Examen, art. 29, bepaald, dat over genoemde leerstukken de ondervraging zal moeten geschied zijn, eer een geëxamineerde zal kunnen worden toegelaten en hem, naar art. 38, de ver bind tenis, waarvan hier sprake is, ter onderteekening wordt aangeboden.
Zoo zijn dan ook die Formulieren als zoodanig, wel verre van buiten kracht en waarde te zijn gesteld, bij de nieuwe Kerke-orde (in 1816) in der zelver eigen karakter aangenomen en gehandhaafd."
Rapport Dermout 1841.
„Wij bedroeven ons er over, dat velen in den waan blijven verkeeren en de klagt doen hooren, dat de handhaving van de leer der Herv, Kerk, eensdeels door de Kerkbesturen schandelijk verwaarloosd is, anderdeels dat die leer door vrijheid van prediking — leervrijheid, gelijk adressanten het noemen — in onze Kerk ondermijnd wordt.
Die waan rust op onkunde.
Heeft de Synode dien eersten en heiligen pligt, om deze leer te handhaven, geschonden, gelijk men haar verwijt?
Integendeel, zij heeft hem ten allen tijde ijverig en trouw zoeken te vervullen. - Zij heeft dit gedaan daardoor vooral, 'dat zij, onder veel bijval der Kerk, den hoofd inhoud dier belijdenisschriften in de vragen bij de Avondmaalsviering aan de gemeente ter gedurige herinnering en beantwoording gaf.
„Zoo heeft de Synode al dadelijk, van den eersten tijd van haar bestaan af, getracht de leer te handhaven, en niet alleen zich zelve aan dien pligt gebonden, maar zij heeft dien pligt evenzeer, bij onderscheidene kerkelijke Reglementen: op het Examen, op het Godsd. onderwijs, op de Kerkvisitatie en in het Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht, opgelegd aan allen, die in eenige betrekking van onderwijs of bestuur in de Kerk werkzaam zijn."
Uit het Rapport van Prof. W. Muurling in de Synode van het jaar 1853.
„ ... dat met de woorden „leer der Herv. Kerk" niets anders kan bedoeld zijn, dan de leer die begrepen is in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Leerregels der Synode van Dordrecht, dat is: de leer, welke in de aangenome Formulieren van Eenigheid der Nederlandsch Hervormde Kerk begrepen is."
„Dat deze de ware beteekenis van de woorden „de leer der Hervormde Kerk" is, volgt reeds daaruit, dat er nooit eene andere kerkelijk geijkte leer der Hervormde Kerk is geweest. Het blijkt ook uit art. 27 Regl. op het Examen en uit art. 19 Regl. op het Godsd. onderwijs.
In dien zin heeft dan ook de Synode van 31 Juli 1861 in eene „Inlichting omtrent de beteekenis der vraag naar onberispelijkheid in de belijdenis" over de leer gesproken „welke begrepen is in de belijdenisschriften onzer Nederlandsche Hervormde Kerk, die rechtens nooit zijn afgeschaft".
„Kan en mag aan die woorden „de leer der Herv. Kerk" in art. 11 geen andere zin dan de genoemde gehecht worden — aan het woord „handhaving" van die leer kan en mag geen andere beteekenis worden gegeven dan deze, dat allen die in onderscheidene betrekkingen met het Kerkelijk Bestuur belast zijn, die leer der Herv. Kerk — en dat wel zooals zij luidt in haar geheel — moeten handhaven, zoowel door zelven die leer van harte te belijden en aan te bevelen, als door te waken, dat die leer gekend en beleden worde door allen, die aan hun bestuur onderworpen zijn."
Uit het Rapport van Prof. Dr. F. W. B. Bell in de verg. van de Synode van 1874 acta blz. 140 etc.
„Deze Formulieren van Eenigheid zijn accoord van kerkelijke gemeenschap d. w. z. zij die in onze Kerken saam willen bidden, leven, lieven, loven, behooren in de belijdenis van hetgeen deze drie Formulieren van Eenigheid behelzen, overeen te stemmen".
„Ze zijn goedgekeurd door alle Gereformeerde Kerken, die op de Synode vertegenwoordigd waren; dus niet alleen door ónze Kerken, maar ook die van Geneve, Nassau, Hessen, den Paltz, Engeland enz.
En in 1815—'16 zijn ze kerkelijk accoord gebleven en tot op dezen oogenblik nog altoos de alleen officieele en eenig geldende belijdenis van deze leerstukken, die onze Kerken bestaat.
Dr. A. Kuyper in het jaar 1880; vóór de Doleantie, Herv. predikant zijnde.
„Het was de bedoeling der Synode (van 1841) niet, om met de woorden aard en geest, wezen en - hoofdzaak, de deur voor subjectieve willekeur te openen, zoodat het aan ieder zou vrij staan voor wezen en hoofdzaak te doen gelden, wat hem goed dacht — maar wel degelijk om hetgeen naar den geest en de beginselen der opstellers als liet wezen en hoofdzaak der Formulieren behoort aangemer te worden.
Prof. Scholten „Leer der Hervormde Kerk" blz. 39.
„Geen Kerk zonder belijdenis".
„Hare overtuiging uit te spreken en de beginselen vast te stellen tot wier erkenning ieder lid gehouden is, is een recht, dat aan elke maatschappij behoort, en met de verloochening daarvan zou de Kerk haar karakter., als godsdienstige vereeniging met de daad opheffen.
Meent iemand, dat het algemeene en formeele beginsel, dat in het gemeenschappelijke streven naar waarheid gelegen is, voldoende kan zijn ter vestiging van den kerkdijken band, ook zonder dat eenig resultaat uitgeproken wordt, hij vergeet, dat de Gereformeerde Kerk eene Christelijke Kerk is, die met de erkenning of verwerping van zekere positieve grondwaarheden staat of valt."
„De Gereformeerde Kerk heeft dus als Christelijke en zoo ook als Protestantsche en nog engeren zin als Gereformeerde Kerk bepaalde grondbeginselen, waardoor zij zich van andere, zoowel godsdienstige als maatschappelijke vereenigingen, kenmerkend onderscheidt.
- Het recht haar te betwisten om die grondwaarheden uit te spreken en van de getrouw belijdenis ervan de toetreding harer leden afhankelijk te stellen, ware ongerijmd."
" Prof. Dr. J. H. Scholten „de Leer der Herv. Kerk" blz. 15.
„Wij geven toe, dat geene instemming met eenige geloofsbelijdenis iets beteekenen kan zonder eene geheele instemming met haren inhoud, zonder voorbehoud".
Prof. Dr. Scholten „de Leer der Herv. Kerk" blz. 23.
„Als de verbintenis der proponenten tot een eenvoudig quatenus (in zoover) beperkt wordt, dan moet zulk eene gereserveerde ver klaring van instemming met de Kerkleer genoemd worden „niets beduidend en als eene loutere formaliteit, als een holle klank, geenszins voegende in eene plechtige belofte".
Prof. H. J. Royaards, Hedendaagsch Kerkregt Deel II blz. 134.
„Het gevoelen van Arminius... was strijdig met het beginsel van Gods souvereiniteit en 'smenschen volstrekte afhankelijkheid , van God, zooals dit in alle symbolen der Kerk en bepaaldelijk in de Nederlandsche Geloofsbelijden en in den Heidelbergschen Catechismus te lezen stond."
„Het is onze overtuiging, dat de Remonstrantsche belijdenis, in de Vijf artikelen vervat en te Dordrecht door de gedaagde Remonstranten verdedigd, in beginsel gekant was tegen de Gereformeerde Kerk."
„De Remonstrantie van 1610, in de Vijf bekende Artikelen vervat, is lijnrecht strijdig met het grondbeginsel der Zwingliaansche zoowel als der Calvinistische Reformatie, waarop de Gereformeerde Kerk gebouwd is.
„Het Arminianisme was op Gereformeerden bodem een vreemd element, dat door de vertegenwoordigers van alle Gereformeerde Kerken in en buiten ons Vaderland als ongereformeerd verworpen werd."
Prof. Dr. Scholten „Leer der Herv. Kerk" blz. 56, 57.
„De Symbolische Schriften of Formulieren van Eenigheid, gelijk men ze later naar het voorbeeld van de Lutersche zusterkerk noemde, moeten nog altijd uitwijzen of wij kinderen van het kerkelijk huisgezin zijn."
„De Symbolische Schriften behooren nog steeds te worden erkend als bevattende het criterium, waaraan de kinderen des huizes zijn te onderkennen."
„De kunst waarmede men menigmaal of den zin der Symbolische Schriften of Formulieren van Eenigheid heeft getracht te verwringen óf zich tegen haar wettig gebruik te verbergen ofte verweren, is wel het klaarste bewijs, dat zij op dit punt eene stem hebben, die niet te smoren is."
Prof. Dr. J. J. V. Toorenenbergen o.a. Symbolische Schriften 2de druk blz. IX.
In het bekende werk over de Nederl. Geloofsbelijdenis en den Heidelb. Catechismus zegt Prof. Dr. J. I. Doedes:
„ .... de Belijdenisschriften der iNed. Herv. Kerk, als zoodanig nog altijd óok in de 19de eeuw wettig erkend en te gebruiken"; „ .... degenen die de Formulieren van Eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk liefhebben";
„ .... de aangenomen of erkende Belijdenisschriften der Nederl. Herv. - Kerk". Voorrede Pag. VIII, IX, XIII, XXIV enz
„Uwe Commissie kan zich vereenigen met de bewering in de toelichting van den Gereformeerden Bond ter verbreiding en verdediging der Waarheid, dat noch in 1816 noch in latere jaren de Synode ooit heeft toegegeven dat er geen kerkelijke leer of kerkelijke belijdenis zou bestaan en dat de hoofd-de waarheden dier leer zouden mogen worden geloochend."
Syn. acta 1912 blz. 390.
„Onze kerk een belijdenis? — zonderlinge vraag, want onze Kerk heeft immers geen belijdenis!"
Dr. J. C. Niemeyer, Weekbl. voor de Vrijz. Hervormden 11 Febr. 1909.
Het leelijke Beest,
De Franschen spreken van une béte noire. Zij duiden daarmede iets of iemand aan, die van alle ongelukken de oorzaak is. Zoo iets wordt in de kerkelijke wereld in veler oog hoe langer hoe meer de Gereformeerde Bond. Niet enkel Prof. Eerdmans, die de vorige week den Bond tot zelfs in de Tweede Kamer ter sprake bracht; maar ook tal van orthodoxen meenen in hem de bron van alle kerkelijke verwarring te zien. Verloopen winter traden te Oldebroek op verzoek van den Kerkeraad eenige Gereformeerde predikanten in de week op. Grootendeels niet-leden van den Bond gingen er voor — maar nochtans schilderde do groote en kleine pers dit af als een heilloos drijven van den Geref. Bond. Middelburg en Gouda beriepen door de miserabele houding van enkele ethische orthodoxen achtereenvolgens een modern predikant, maar herhaaldelijk werd mij in mondelinge gesprekken verweten, dat deze beroepen de schuld van den Geref. Bond waren. Ja, zelfs hoewel voor elks oog zichtbaar, vele ethischen zich in den jongsten tijd met de modernen verbroederen en zoodoende deze niet weinig steunen, toch kan men gedurig lezen, dat de Gereformeerden de feitelijke oorzaak van de herleefde actie der modernen zijn.
Waarom maakt men op deze en op vele andere maniereu den Bond tot het leelijke Beest bij uitnemendheid? Waarom scheldt men hem leugenachtig voor „eene tweede Doleantie"? Waarom legt man hem allerlei ongerijmds ten laste? Waarom stelt men predikanten van den Bond veelal op allerlei vage geruchten zoo dwaas en ongereformeerd in hunne prediking voor? Men denke aan het laatste optreden van Dr. Slotemaker de Bruine.
Samuel Rethorfort schrijft in zijne brieven, dat men de waarheid nergens zoo mee kan afbreken dan met verdachtmaking.
Zoo staat het nu ook met zeer velen teu opzichte van den Geref. Bond. Men heeft wat is tegen hem of haat zijn streven. En nu tast men zijne beginselen en zijne statuten niet aan. Nu bestrijdt men hem niet ridderlijk met beginsel tegenover beginsel. Ach neen. Men maakt maar verdacht. Men schrijft en spreekt er wat op los.
Niet allen doen dit opzettelijk om zwart te maken. Volstrekt niet. Maar het is zoo algemeen geworden den Ger. Bond als iets raars en wonderlijks te achten, dat men klakkeloos alle verspreide geruchten maar aanneemt en goedgeloovig mede verbreidt.
De vijanden, die hem opzettelijk belasterden wisten wel wat zij deden. Nooit konden zij de Gereformeerden meer treffen dan op zulk eene wijze. Hier hebben helaas tal van lieden aan mede gedaan van wie men zulk allerminst had kunnen verwachten.
Och; dat men toch niet voetstoots allerlei praats over den Bond aanneme; dat men hem toch toetse aan zijne beginselen. Men roepe niet zoo maar „zij is de tweede Doleantie" en wat dies meer zij, maar men lette toch op zijn doel, verbreiding der waarheid.
Van tweeën één: men begeert dat de waarheid naar de belijdenis en schrift allerwege weder in de Ned. Herv. Kerk gepredikt wordt of men staat dat tegen. In het laatste geval verwondert het ons niet, dat men tegen den Bond is en hem liefst zoo mogelijk tegenwerkt. Maar is men voor verbreiding der waarheid, dan mogen wij ook billijkheidshalve verwachten, dat gij haar niet opzettelijk tegenwerkt, ja dat gij niet door allerlei persoonlijke sym-en anti-pathieën u laat weerhouden om tot zijn heerlijk doel samen te werken.
Och, versterkt de gelederen van hen, die optrekken voor de waarheid. Het is zoo hoognoodig dat allen, die het heil van Sion beminnen, schouder aan schouder staan. De Heere zelf trede aan de spits — en zoo Hij het doet — wat men den Bond ook lastere, alsdan zal het welgelukken. X.
Over den nood der Zending.
Hebben we onlangs een enkel woord geschreven over den tegenspoed die de Zending der Geref. Kerken ondervindt wat betreft hun arbeiders in lndië, we willen hier nog een stukje overnemen van 't geen Ds. Klaarhamer schreef in de Utrechtsche Kerkbode naar aanleiding van de weinige gezindheid die er bij de artsen blijkt te bestaan om zich aan den dienst der Zending te geven. Ds. Klaarhamer schrijft dan:
Nu ik toch over zendingszaken schrijf, moet me nog het volgende van het hart. De couranten melden ons, dat de Regeering de grootste moeite heeft, om geneeshéeren te vinden bereid om naar de door de pest bezochte streken op Java te gaan. Men denkt er zelfs aan, om in het buitenland hulp te gaan zoeken.
Eu zooals het de regeering gaat, gaat het ook ons in de Zending.
Er zijn bijna geen geneeshéeren te vinden, bereid en in staat naar Java te gaan en den Heere in de Zending te dienen.
Dit is niet alleen de ervaring der kerken maar evenzeer van de vereenigingen, die zich met medischen zendingsarbeid bezighouden. Wat heeft het den laatsten tijd niet een moeite gekost, om het hospitaal te Modjo Warno van een dokter te voorzien.
Op eene conferentie van zendende Kerken, onlangs te Amsterdam gehouden was men van gevoelen, dat de toestand van den Medischen hulpdienst waarlijk precair is door gebrek aan doktoren.
Hoe is dit toch? De positie van een missionair-arts is met er daad wat men noemt een mooie positie. De arbeid in zulk een hospitaal is, voor die liefde voor zijn arbeid heeft en daarbij begeert, den weg voor het Woord Gods te banen, een schoone en begeerlijke arbeid.
Ook kan de missionaire arts waarlijk zonder zorg uit den arbeid leven.
Het honorarium, dat Utrecht's kerkeraad aanbiedt, is toch: ƒ 4000.— per jaar, plus ƒ500.— jaarlijksche toelage voor het sluiten eener verzekering, plus drie vijfjaarlijksche verhoogingen elk van ƒ 500.—, plus kindergelden, plus vrije woning, plus de helft van hetgeen de particuliere praktijk opbrengt, plus ƒ 1500.— voor uitrusting, plus vrije overtocht, desgewenscht eerste klasse boot, en dan nog enkele gunstige bepalingen omtrent wachtgeld, en eventueel voor de weduwe. Zou er nu toch waarlijk niet een jonge arts te vinden zijn, bereid om voor dit honorarium een zoo schoonen arbeid in 's Heeren dienst te aanvaarden?
Indien Utrecht's kerkeraad niet nog dit jaar naar Indië kan berichten, dat een geneesheer is benoemd en dat dus welhaast tot den bouw van een hospitaal zal worden over gegaan, dan is voor ons de gelegenheid voorbij. Want dan zal de Régeering niet langer wachten, maar zelf een hospitaal bouwen. En dan wordt geen subsidie voor een hospitaal door ons opgericht, gegeven.
Overal waar de Javaan de keus heeft, verkiest hij het zendingshospitaal boven dat hetwelk van de Regeering uitgaat.
Zou het nu toch niet schrikkelijk zijn, indien we onze plannen moesten opgeven, alleen omdat er geen geneesheer te vinden is? Aan geld ontbreekt het ons niet. Wij kunnen bouwen.
En ook het vinden van een predikant gelukte ons tot heden niet. De pogingen, die wij deden, mislukten allen om verschillende redenen.
Tot een officiële beroeping voor den dienst op Java gaat een kerkeraad niet over, zonder voorafgaande onderzoeking. Hiervoor zijn verschillende redenen, die dringen, om zóó te handelen.
Het werk op ons terrein roept om een eigen Dienaar, Ds. van Dijk doet wat hij kan. Hij houdt op uitnemende wijze het werk gaande. Maar hij kan onmogelijk den eigen Dienaar vervangen. En in 't belang van zijn eigen terrein èn in 't belang van ons terrein is het zeer gewenscht, dat zoo spoedig mogelijk een Dienaar de ledige plaats vervulle. Het zou mij daarom ten zeerste verblijden, en het zou ook den kerkeraad hoogst welkom zijn, indien iemand, die dit leest, onze aandacht op eenigen Dienaar kon vestigen.
Beroepbaar zijn zij, die minstens 2 jaren bij een Gereformeerde Kerk hier te lande dienden, en niet ouder dan 30 jaren zijn. Een ongehuwden Dienaar uit te zenden, hoeft ernstige bezwaren. En natuurlijk moeten er geen organische gebreken zijn, die voor een verblijf in de tropen ongeschikt maken.
Door 's Heeren goedheid en door de offervaardigheid der Kerken in Utrecht en Gelderland ontbreekt het ons niet aan geld.
Maar waar zijn de mannen? Ik kan niet anders, dan ook nu weer herhalen, wat ik voor 14 dagen schreef:
„Voorwaar er is reden, om zeer ernstig het aangezicht des Heeren to zoeken met gebed en smeeking. Dit eerst en dit vooral."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's