De Belijdenisvragen.
In 1816 zijn de volgende belijdenisvragen voorgeschreven geworden voor héél de Kerk, te vinden in art. 43 Reglement op het Godsdienstig onderwijs in de Nederlandsche Hervormde Kerk (goedgekeurd bij Kon. Besluit van 30 Jaly 1816):
»De bevestiging van Ledematen zal van nu aan overal in het openbaar moeten geschieden en dezelve zal daarin bestaan, dat de Predikant of éen der Predikanten, in tegenwoordigheid der gemeente, van den predikstoel de navolgende vragen aan de aangenomenen voorstelle:
ie. of zij van harte gelooven de leer, die zij hebben beleden;
2e. of zij ook voorgenomen hebben bij deze leer, door Gods genade te blijven, de zonden te verzaken en een christelijk leven te leiden;
3e. of zij zich onderwerpen aan het Kerkelijk opzigt, en in geval zij zich mogen misgaan aan de Kerkelijlce tucht?
Waarop de bevestiging zelve plegtiglijk en met gepaste aanspraken geschiedt".
Door ieder, die als lidmaat tot de Gemeente toetrad werd dus belijdenis afgelegd aangaande zijn godsdienstige overtuiging en zijn geloof aangaande den weg der zaligheid, zooals deze door de Herv. Kerk steeds was aangewezen en aangeprezen in het midden van ons volk.
Hartelijk stemde men in met hetgeen de Kerk als waarheid beleed en men beloofde in dien weg te zullen wandelen.
Bovendien beantwoordde.ieder die belijdenis gedaan had en aan het Avondmaal wenschte te gaan vier maal in een jaar de Avondmaalsvragen in het midden van de Kerk voorgelezen.
Zoo werd men telkens aan z'n belijdenis herinnerd en zoo vernieuwde men telkens z'n belijdenis.
't Waren déze vier vragen:1. of gij van harte gelooft, dat de waarachtige en volkomene leer der zaligheid, ons van Gods wege geopenbaard, vervat is in de boeken des O. en N. Verbonds?
2. of gij van harte gelooft, dat gij door uwe zonden diep bedorven en voor God strafwaardig zijt en u zelven deswege mishaagt met ootmoed en berouw?
3. of gij van harte gelooft, dat God, uit loutere genade, ons Zijnen eeniggeboren Zoon, Jezus Christus, heeft geschonken tot onzen eenigen en volkomenen Zaligmaker, wiens ligchaam voor ons verbroken en wiens bloed voor ons vergoten is tot vergeving der zonden; en of gij Hem, voor u zelven, met een geloovig harte aanneemt tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing?
4. of gij overeenkomstig de verpligting, die door uwen Doop op U gelegd is, een opregt voornemen hebt, om, door de kracht des Heiligen Geestes, bij deze belijdenis te volharden, uw geloof te sterken, uw leven te beteren, in ware liefde en eenigheid met uwen naaste te .leven, en alzoo Gode waarachtige dankbaarheid voor Zijne genade te bewijzen".
Het was dus — men voelt het aanstonds — de practijk van onze Herv. Kerk, ook na 1816, om als belijdende Kerk op te treden.
Om telkens naar voren te komen met „de leer der Kerk", instemming met „die leer der Kerk" te vragen en als middelpunt van haar geloof te stellen: de verzoenende kracht van des Middelaars bloed, op Golgotha uitgestort als losprijs voor een arm zondaarsvolk.
Zoo hebben mannen als Prof. Royaards, Ds. Dermout en Prof. Muurling het ook opgevat, gelijk b.v. uit het woord van Ds. Dermout, in het bekende jaar 1841 gesproken, wel blijkt, toen hij sprak:
»Ten einde den kenmerken den geest der in de Nederlandsche Kerk aangenomen belijdenis duurzaam te bewaren, verordende de Synode, dat telkens, vóór of bij de bediening des H. Avondmaals, aan de leden der Gemeente statig en' nadrukkelijk ter beantwoording zouden worden voorgehouden, vragen, waarin, voor zoover de aard der plechtigheid dit medebrengt, het wezen en de kern dier belijdenis is uitgedrukt, en wilde daardoor, in eerbiediging van het Goddelijk gezag der H. Schrift, een ootmoedig, vertroostend en reinigend geloof in den eenigen Zaligmaker van zondaren steeds helpen bevorderen.»
En gelijk ook wel uitkomt in 't geen Prof. Muurling in het jaar 1853 in de Synode sprak, zeggende:
»Heeft de Synode dien eersten en heiligen pligt, om deze leer te handhaven, geschonden, gelijk men haar verwijt?
Integendeel, zij heeft hem ten allen tijde ijverig en trouw zoeken te vervullen.
Zij heeft dit gedaan daardoor vooral, dat zij, onder veel bijval der Kerk, den hoofdinhoud der belijdenisschriften in de vragen bij de Avondmaalsviering aan de gemeente ter gedurige herinnering en beantwoording gaf.
Vanaf 1816 is dus niemand tot de Herv. Kerk toegetreden als lidmaat, of hij moest eerst instemming betuigen met de leer der Kerk en niemand kon ten Avondmaal gaan of hij moest zijn belijdenis vernieuwen en Jezus Christus erkennen als Sions Borg en Middelaar, door Wiens bloed verzoening was aangebracht voor arme zondaren...
Voor modernen of vrijgeesten, die de belijdenis der Herv. Kerk. uitgedrukt in hare belijdenisschriften, verachtten of loochenden of tegenspraken, was geen plaats in de Herv. Kerk.
De lidmaten moesten „de leer der Kerk" aannemen en toestemmen en in den weg daar voorgesteld den troost kennen voor leven en sterven beide, Jezus Christus erkennend als Zaligmaker en Koning.
Al de vrijgeesten, die toch tot de Herv. Kerk toetraden, moesten veinzen het met „de leer der Kerk" ééns te zijn; moesten een oneerlijk spel spelen, wat zij elke drie maanden moesten herhalen.
En elke predikant dié niet met de leer der Kerk instemde moest bij zijn toetreden als lidmaat; bij zijn examen, bij zijn intrede en bevestiging den schijn aannemen rechtzinnig te zijn, om elke 3 maanden bij het stellen van de vragen en het beantwoorden daarvan die rechtzinnigheid weer te toonen, staand met een masker voor zijn aangezicht.
Terwijl iedere predikant gehouden was om alzoo bij de gemeente de leer der Kerk te bevestigen en te handhaven — wat ook de vrijzinnigen beloofden te zullen doen.
Komen zoo de vrijzinnige lidmaten en de vrijzinnige predikanten, die .nè 1816 tot onze Herv. Kerk toetraden en daarin arbeidden niet in een eigenaardig licht te staan?
Van 1816—1862 zijn de belijdenisvragen dezelfde gebleven. Steeds werd geëischt instemming te betoonen met „de leer der Kerk" en bij deze leer door Gods genade te zullen blijven.
Maar in 1862 zijn de belijdenisvragen veranderd.
Men vond ze te intellectualistisch, te verstandelijk.
't Ging te veel om een leerstellige overtuiging.
Men wilde meer hooren van een geloof des harten.
En toen heeft men de vragen ingevoerd die wij nu nóg hebben:
1. belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, en in den Heiligen Geest?
2. Zijt gij des zins en willens, bij deze belijdenis door Gods genade te volharden, de zonde te verzaken, te streven naar heiligmaking en uwen Heiland in voorspoed en tegenspoed, in leven en in sterven getrouw te volgen, gelijk aan Zijne ware belijders betaamt?
3. belooft gij, tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig mede te werken?
Dat was dus een heel ander stel vragen.
Het ging nu meer om 't geloof in God drieëenig.
Maar om dan ook met die belijdenis hartelijk instemming te betuigen en te verklaren bij die belijdenis te zullen blijven.
Een klein kind kan voelen, dat een modern mensch die vragen niet bevestigend kan beantwoorden.
Want de Kerk die deze vragen stelt heeft in haar belijdenisschriften uiteengezet, wat zij belijdt te gelooven aangaande God den Vader, God den Zoon en God den Heiligen Geest.
Bovendien wordt in de vragen zelf kort en krachtig die belijdenis naar voren gebracht.
En in de plechtige ure van belijdenis-doen staat men niet te practiseeren hoe men met holle woorden juist precies 't omgekeerde kan zeggen van 'tgeen men in waarheid gelooft..
Dus — we voelen het — de vragen van 1862 waren er op ingericht, om een eenvoudige, hartelijke belijdenis uit te lokken bij de jeugdige lidmaten, waarin de. hoofdzaak van ons christelijk geloof was uitgedrukt.
Voor modernen geen plaats. Moderne dominees konden die vragen niet stellen eu moderne gemeenteleden konden die vragen niet bevestigend beantwoorden.
En daarom ook zij die van 1862—1880 van moderne, vrijzinnige belijdenis waren, loochenend wat de Kerk van Christus alle eeuwen door had beleden en wat ook onze Herv. Kerk volgens hare belijdenisschriften beleed, — zij zijn in onze Herv. Kerk binnengekomen en in onze Herv. Kerk gebleven, veinzende een andere geloofsovertuiging te bezitten dan in werkelijkheid 't geval was.
Zij hebben telkens een masker voorgedaan. Zij hebben telkens beleden wat zij niet geloofden; beloofd wat zij niet meenden.
En daarom wat komen de vrijzinnigen, die van 1816—1862 in onze Kerk werden gevonden en die van 1862—1880 in onze Herv. Kerk waren, in een eigenaardig licht te staan.
Eerlijk en oprecht te handelen is iets anders dan zij hebben gedaan!
't Bleek wel, dat men voelde niet eerlijk te zijn. Men had er telkens moeite mee, dat de leden der Gemeente, van vrijzinnigen geest zijnde, de vragen niet wilden beantwoorden, omdat men het met die belijdenisvragen niet eens was.
En zeker, dan waren er wel predikanten die zeiden, dat ze het niet zoo ernstig moesten nemen en dat ze niet zoo consciëntieus moesten zijn. Maar dat hielp niet, want er waren er velen, ^ie volhielden, dat zij niet den schijn mochten aannemen in de plechtige ure van bevestiging, het eens te zijn met de vragen, terwijl zij in werkelijkheid heel iets anders geloofden en voor waar hielden.
Vandaar dat er tal van pogingen gedaan zijij na 1862 om in die belijdenisvragen verandering te brengen.
Men heeft er op gevonden „elke predikant heeft het recht zijn eigen aannemelingen te bevestigen.'''
Men kon dan gaan bij welken predikant men wilde.
Men was alzoo weer wat vrijer geworden. Maar als dan elke predikant toch weer dezelfde vragen moest stellen, hielp het nog niet veel. Dan was men toch nog gebonden aan de vragen, die men niet kon beantwoorden, omdat men niet instemde met de belijdenis daarin vervat.
En toen heeft men gezegd: laat ieder der predikanten dan vrijheid bekomen om zélf de vragen te formuleeren en ze te stellen zooals hij 't beste vindt.
Hoe nu? Zou men dan mogen vragen wat men wilde? Zou men dan mogen ontkennen en loochenen wat de Herv. Kerk belijdt en zou men dan mogen laten belijden en verklaren en beloven wat de Herv. Kerk verwerpt en veroordeelt?
Zou ieder kunnen handelen zooals men zelf wilde?
Wel neen! Men voelde wel, dat de belijdenis der Christelijke Kerk niet door een anti-christelijke belijdenis mocht vervangen worden en dat in de Herv. Kerk de Hervormde belijdenis en niet de Luthersche, Roomsche of Doopsgezinde belijdenis thuis hoorde.
En daarom toen in 1880 door het drijven van velen — die niet veel goeds in 't schild voerden — vrijheid gegeven werd aan de predikanten om de vragen te formuleeren zooals men zelf wilde, werd er ernstig en nadrukkelijk bijgevoegd, dat niet elke belijdenis en elk leerbegrip in de Herv. Kerk toelaatbaar was en geoorloofd, maar dat wel degelijk bij het formuleeren van de vragen er op gelet moest worden, dat de geest en de hoofdzaak van de in de 3 bestaande belijdenisvragen vervatte belijdenis moest worden gehandhaafd en moest worden bewaard.
Dat is ook eigenlijk zoo duidelijk als glas. Of had de Secretaris der Synode, de heer Dermout in 1841 niet reeds verklaard, dat men de Herv. Kerk niet mocht maken tot een vereeniging van "elk wat wils" toen hij plechtig sprak:
«Indien de Synode iets veroordeelt, dan is het de onverschilligheid omtrent geschiedkundige en godsdienstige waarheid op het gebied des christendoms; dan is het de vermenging van allerlei leerbegrip en de gelijkschatting van ieder stelsel, als waardoor de weg gebaand wordt tot ongeloof en geheele verzaking van het Evangelie.
In 1841 had dus niemand minder dan de heer Dermout uitgesproken, dat maar niet geleerd en beleden mag worden wat men zelf wil, maar dat men in de lijn van de belijdenis der Kerk moet blijven, daar de Kerk anders ontaardt en de verwarring in leerbegrip niets anders kan uitwerken dan onverschilligheid en ongeloof.
En dat ook anderen het zoo hebben opgevat blijkt uit hetgeen Prof. Scholten later schreef in „de leer der Herv. Kerk". (Deèl I blz. 39) zeggende:
»Het was de bedoeling der Synode niet om met de woorden aard en geest, wezen en hoofdzaak de deur voor subjectieve willekeur te openen, zoodat het aan ieder zou vrij staan voor wezen en hoofdzaak te doen gelden, wat hem goed dacht — maar wel degelijk om hetgeen naar den geest en de beginselen der opstellers als het wezen en de hoofdzaak der formulieren behoort aangemerkt te worden."
En dus — toen in het jaar 1880 in art. 39 Regl. op, het godsd.onderwijs de woorden:
„altlians wat betreft den geest en de hoofdzaak van . de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte" werden ingevoegd, was dit allerminst om van de Herv. Kerk een vereeniging van „elk wat wils" te maken; noch om elke subjectieve willekleur vrij spel te" geven; noch om allerlei leerbegrip toe te laten en ieder stelsel gelijk te schatten.
Neen — die nog een weinig historie kent, die nog een weinig lezen kan, die nog een weinig eerlijkheid bezit weet beter.
In een tijd van krachtige beweging om het belgdend karakter der Kerk weg te nemen heeft men juist de hoofdzaak en hot wezen van hare belijdenis onverbiddelijk gehandhaafd.
En waar men van moderne zijde schandelijk misbruik gemaakt heeft van de in 1880 verleende vrijheid, om tegen den zin der wet leeringen in te voeren die verboden zijn, die de grondslagen der Kerk ondermijnen, die voor Christus beleedigend zijn, die antichristelijk en. anti-Hervormd moeten worden genoemd — daar heeft de Synode van 1912 nog een circulaire verzonden aan de Kerkeraden, waarin is gezegd: dat de vragen tevoren moeten worden bekend gemaakt aan degenen die belijdenis doen en tevens, dat de Kerkeraden hebben toe te zien, dat geen, vragen worden gedaan, waarin van den geest en de hoofdzaak der vragen, in art. 39 voorgeschreven, niets meer te bespeuren valt.
Maar hoe duidelijk of deze dingen zijn voor een mensch met gewoon verstand, de moderne predikanten doen alsof ze niets weten en gaan brutaal voort om, in strijd met de wet, in strijd met hun belofte, in strijd met hun beroepsbrief allerlei leerbegrippen te verkondigen, die in de Herv. Kerk verboden zijn.
En hoewel het kerkgaand publiek bij zulke leeraars over 't algemeen heel gering is, worden er in tal van gemeenten velen gevonden, die in het drijven van de modernen om van de Herv. Kerk een vereeniging van „elk wat wils" te maken van harte instemmen, en wel uit vrees van overal orthodoxe predikanten te zullen krijgen, overal de macht kwijt te zullen raken en dan op elk terrein hoe langs hoe meer te zullen worden teruggedrongen, niet het minst op 't gebied van het onderwijs en van de politiek.
En belust op macht en op buit schaart men zich als één man rondom de vrijzinnige idee, om die in de Herv. Kerk te verdedigen en te verbreiden tegen de orde der Herv. Kerk in, die zulks niet toelaat volgens den zin van hare belijdenis.
, Neen — wat men prate of schrijve van moderne zijde, — het is niet te ontkennen, dat èn met de belijdenisvragen van 1816— 1862 èn met de belijdenisvragen van 1862— 1880 én met de redactie en wijziging van art. 39 Regl. Godsd. onderwijs sedert 1880 — vergeleken met de Avondmaalsvragen die geduriglijk de belijdenis willen vernieuwen bij de Lidmaten, de modernen steeds een oneerlijk spel spelen met de heiligste plichten en juist doen, wat zij beloofd hebben niet te zullen doen; nalaten, wat zij beloofd hebben te zullen nakomen; daarin tegen den duidelijken zin van Schrift en Belijdenis ingaande, om alzoo Christus te beleedigen, de Christelijke waarheden te loochenen, de Christelijke feestdagen bespottelijk te maken, de grondslagen der Kerk te ondermijnen en onze Vaderlandsche Kerk te verscheuren.
Dat er toch spoedig tegenover die schandelijke willekeur van het modernisme maatregelen mochten genomen worden, opdat onze Herv. Kerk niet geheel te gronde ga.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juni 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's