De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

Ds. J. J. Kuap Ozn., die nu geregeld aan het Spievenster staat en ons dan elke maand vertelt wat hij alzoo op het kerkelijk erf ziet, vertelt in de 3de afl. van Dogmatische Fragmenten (Uitgave van J. H. Kok, Kampen) wat hij oordeelt over de HERZIENING DER BELIJDENIS en zegt dan:

»Van verschillende zijden werd in den jongsten tijd de vraag besproken, of het niet gewenscht zou zijn over te gaan tot het herzien van onze kerkelijke belijdenis zooals zij nedergelegd is in de drie Formulieren van eenigheid? De zaak werd ditmaal niet aan de orde gesteld door mannen van wie het bekend is, dat zij op de kardinale punten van de overgeleverde waarheid afwijken en wier voorstellen deswege in rechtzinnige kringen met een bepaalde gereserveerdheid, om niet te zeggen met wantrouwen, ontvangen worden. De stemmen gingen ditmaal integendeel van beslist gereformeerden kant op. Indien wij ons we herinneren was het Dr. A.Kuyper die in de Siandaard de noodzakelijkheid eener revisie het eerst bepleitte. Waar deze magister het woord neemt, luistert al wat aanspraak inaakt, op den naam van theoloog natuurlijk met gespannen aandacht, 't zij dat men tot zijn geestverwanten, dan wel tot zijn theologische antipoden behoort.

Het eenmaal geopperde denkbeeld vond al spoedig ingang. Niet alleen dat het aanleiding gaf tot min of meer breede beschouwingen in de kerkelijke bladen de gedachte werd zelfs opgenomen in het manifest waarmede de oprichting der Hervormde Broederschap bekend gemaakt werd en ging daarmede uit de academische sfeer in die der practijk over. Men wil inderdaad ook in dien 'kring aansturen op een herziening en aanvulling der belijdenis en aldus het doorgaand belijdend karakter der Kerk doen uitkomen. Maar daartegenover staat, dat er in de Gereformeerde Kerken nog al eenigen waren, die wel hun ingenomenheid met het denkbeeld betuigden, maar de tijdsomstandigheden er minder geschikt toe achten.

Op zichzelf beschouwd is er tegen het voorstel inderdaad geen enkel steekhoudend argument aan te voeren. Wij leven niet meer in de 16de doch in de 20ste eeuw. En schoon de waarheid Gods voor alle geslachten onveranderlijk dezelfde is'en het uit dien hoofde ongerijmd moet heeten, het oude Evangelie door een nieuw te willen vervangen, 't blijft niettemin waar, dat het moderne bewustzijn de dingen Anders zegt, dan drie eeuwen geleden, en dat, ook waar er in materieelen zin geen afwijking is, de wijze van uitdrukking zóó zeer verschilt, dat de oude terminoloegie in menig opzicht geantikeerd is te achten. Behalve deze formeele kant der quaestie is er ook nog een ander punt. waarop, wij meenen reeds door de Standaard, gewezen werd. Er zijn in de laatste jaren allerlei nieuwe dwalingen opgekomen, die in de bestaande belijdenisschriften niet "eingehend" behandeld en nog minder in 't breede weerlegd worden. Dat kon niet, omdat een belijdenis wel niet uitsluitend, maar toch tevens een polemisch karakter draagt en zich richt voornamelijk tegen de dwalingen van de eeuw, waarin zij werd opgesteld. Zoo is in de Confessie zeer duidelijk de bestrijding van het Roomsche Kerkbegrip aan te wijzen. In den Catechismus komt de Avondmaalstrijd tegen Roomschen en Lutherschen sterk naar voren. En de Leerregels van Dordrecht zijn geheel gewijd aan de leergeschillen tusschen Remonstranten en Contra-remonstranten.

Nu zijn deze twistpunten in onze dagen allerminst verouderd. Wie ze bij het oud-roest zou willen werpen, zou daarmede slechts het bewijs leveren, dat hij de prachtige geschriften nooit gelezen heeft met het doel de kern der bestreden dwaling uit den tijdelijken vorm te voorschijn te brengen. Maar toch zijn er nieuwe dwalingen, opgekomen, waarvan de Vaderen het eigenaardig karakter uiteraard niet konden kennen, en wat zou er principieel in te brengen zijn tegen het opnemen in de Belijdenis van het Schriftuurlijk standpunt tegenover theosophie, monisme, spiritisme? De Kerk zou haar heilige roeping verzaken, indien zij op den duur bleef zwijgen en de dwaling voort liet eten als een kanker, — het strenge woord is aan den apostel ontleend.

Toch durven wij er bij onze voormannen in de Ned. Herv. Kerk niet op aandringen de revisie nu reeds te hand te nemen, en dat wel om meer dan éen reden. In de eerste plaats verkeert onze Kerk in een ontredderden toestand; Zij kan zich bij de vigeerende bestuursinrichting niet eens uitspreken, en waar de revisie der belijdenis toch een zaak der Kerk, en geenszins die van eenige bekwame theologen is, zien wij niet in hoe zij bij de tegenwoordige organisatie tot stand zou kunnen komen. Men kan het plan wel vastkoppelen aan de reorganisatie-beweging, maar hier geldt wel het spreekwoord: "Qui trop embrasse, mal ètreint" Reeds jaren spreekt men van reorganisatie, en doortastende naturen maken er den voorstanders dezer beweging zelfs een grief van, dat er bitter weinig van een »beweging« te merken is en er zoo weinig vruchtbaar werk als resultaat van de vele vergaderingen gezien wordt. Het staat niet aan ons te beoordeelen in hoeverre deze grief waarheid behelst. Maar wel zij er op gewezen, dat, indien de agenda bezwaard wordt met het revisievraagstuk, dit zeker niet aan een eenigszins vlotten gang van zaken ten goede zal komen. De reorganisatie-questie is op zich zelf reeds veelomvattend en schijnt ons aller krachten op tè eischen. Juist omdat wij in onze Kerk met historisch geworden toestanden te doen hebben en ten deele mede verantwoordelijk zijn voor haar jammerlijke ontwrichting, is er veel geloof en gebed, veel studie, veel geduld en wijs beleid, en ook veel tijd noodig om het geheel weder in de voegen te brengen. En nu schijnt ons de vrees niet ongerechtvaardigd, dat, zoo men de aandacht over twee belangrijke vraagstukken verdeelt, déze versnippering geen winst maar verlies zal opleveren en dat de revisie een remschoen zal blijken voor de actie die reorganisatie bedoelt.

In de tweede plaats wijzen wij op de noodzakelijkheid van een vast uitgangspunt voor de voorgestelde revisie. Dit vaste uitgangspunt is gegeven in de bestaande belijdenisschriften, die ook in onze Kerk nimmer herroepen zijn, doch wier geldigheid en onaantastbaarheid door het Algemeen reglement buiten twijfel gesteld wordt. Het is echter van algemeene bekendheid, dat talrijke groepen in onze Kerk de drie ' Formulieren met beslistheid verwerpen. Er zijn er ook die bezwaren tegen enkele uitdrukkingen en zelfs bezwaren tegen den inhoud van enkele artikelen hebben, die het hart der belijdenis niet raken. Maar wij hebben thans het oog op degenen die zich ganschelijk niet kunnen vinden in de leer welke onze belijdenisschriften voordragen, en die vooralsnog een vrij sterke positie in de Kerk innemen. Tot op zekere hoogte kam men zeggen dat de drie Formulieren nog steeds de belijdenis onzer Kerk zijn. Naar wet en recht 'is dat zoo. Daar valt niet aan te tornen, zooals nog onlangs door de Waarheidsvriend voortreffelijk uiteengezet is. Het Algemeen reglement opent de voordeur der Kerk alleen voor wie zich aan de belijdenis houdt. Dat er in de organieke reglementen achterdeuren geopend zijn waardoor het modernisme binnen kon komen, is niet anders dan als schuld te kwalificeeren, een. zonde die de Kerk niet alleen heeft te belijden, doch waarvan zij zich ook heeft te bekeeren, daar immers elke schuldbelijdenis, wil zij niet in den dood blijven steken, door bekeering gevolgd moet worden. De feitelijke toestand is echter eenigszing anders. Allerlei leer wordt in de Kerk verkondigd. Waarheid en dwaling vinden er herberg, en het doet al heel erg loopen, indien de leertucht wordt toegepast, — men dweept in breede kringen met een vervalscht kerkelijk vrijheidsbegrip dat geen band aan het Woord der waarheid kent. Is zulk een Kerk nu de eerst-geroepene om de belijdenisschriften te herzien ? Ons dunkt, dat het allereerst plicht is de bestaande belijdenis tot gemeengoed te maken, alvorens er aan te denken haar op enkele ondergeschikte punten te wijzigen en verder naar den eisch van onzen tijd aan te vullen, 't Komt ons voor, dat wat wij hebben vóór; alles het geestelijk bezit der Kerk moet worden, en dat er dan eerst verder te zien is. Zelfs dient erkend, dat de reorganisatie-beweging moet achterstaan bij het pleit voor de handhaving der bestaande belijdenisschriften. Een groot deel der gemeente kent ze alleen als dorre perkamenten en heeft er de geestelijke diepte nooit of te nimmer van gepeild. Hoogst sympathiek is dan ook het streven dergenen, die deze geschriften voor de gemeente trachten te openen, en van dien arbeid vóór alle andere dingen heil verwachten, 't Kan toch niet anders, of, zoo de gereformeerde waarheid maar weder in haar bezielende kracht gekend wordt, daar doet zich vanzelf ook de behoefte gevoelen van een kerkinrichting die bij deze belijdenis past, de reorganisatie wordt geboren uit de kennis der waarheid. Zoolang onze Kerk een zoo sterk gemengd karakter draagt als thans en er niet alleen zwart en wit, maar ook overgangstlnten in overvloed zijn, zal elke revisie naar onze meening volkomen onmogelijk blijken, of, zoo zij ooit tot stand kwam, het aanzijn aan een sterk verslapte belijdenis geven. Vruchtbaarder lijkt ons het pogen de gemeente voorloopig kalm voor te lichten aangaande den schat, dien wij bezitten op papier, maar die in hoofd en hart over moet gaan. Zoo alleen wordt de latere revisie een zaak der Kerk in haar geheel en wordt zij niet min of meer van bovenaf opgelegd.

Er zijn nog enkele andere bezwaren, die wij de volgende maand hopen te bespreken, om dan tevens te zien of er geen voorbereidend werk gedaan kan worden, opdat, wanneer de Kerk rijp voor deze zaak is, de hand terstond aan het werk der revisie geslagen kunnen worden.

{Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's