Uit het kerkelijk teven.
Uit de doekjes.
Dat hebben we vooral tegen de modernen, dat ze niet eerlijk en royaal uitkomen voor 't geen ze gelooven, of liever voor 't geen ze niet gelooven.
Ze durven de dingen niet uit de doekjes te doen.
Ze bedekken alles met dubbelzinnige woorden, ouderwetsche termen, gereformeerde uitdrukkingen, zoodat men eigenlijk nooit goed weet wat ze bedoelen.
Ze spreken van den ouden Adam, van dood in zonden en misdaden, van afsterven van den ouden mensch en opstanding van den nieuwen mensch; van Jezus Christus, den eeniggeboren Zoon van God; van Jezus' opstanding uit de dooden; van Jezus' hemelvaart; van den H, Geest enz, enz, terwijl men er geen syllabe van gelooft.
En zoo staat men de menschen vromelijk te bedotten met den mond vol van halve en heele leugens,
Gansch iets anders dan de Bijbel leert en geheel iets anders dan onze Gelooftbelijdenis zegt en onze Catechismus beschrijft, gelooft men. Maar men is zóo geheimzinnig en onoprecht in al z'n spreken, dat men niet zegt wat men eigenlijk meent en zoo den schijn blijft dragen nog wel gemeenschap te hebben met de leer der Schrift en den inhoud onzer Belijdenis.
Een enkele uitzondering is er.
Vooral onder de modernen die buiten de Herv. Kerk leven. Die spreken eerlijker uit wat zij meenen. Die hebben het bedriegelijk gebruik van ouderwetsche termen afgelegd, omdat ze er niets van gelooven en er voor bedanken de menschen vromelijk bij den neus te nemen.
Maar de moderne domino's in onze Herv. Kerk blijven nog maar in dien bedrieglijken weg voortgaan. Het kon hun anders hun positie eens kosten!
En zoo staan ze met Kerstfeest wat te praten over de geboorte van Jezus — terwijl ze er niets van gelooven, dat het kindeke van Bethlehem de eeuwige Zoon van God is, van eeuwigheid God met den Vader en den H. Geest, in de volheid des tijds de menschelijke natuur aangenomen hebbend, zooals de Bijbel en onze belijdenisschriften dat vertellen en uiteenzetten.
En zoo ook op Goeden Vrijdag — ze gelooven van het verzoenend lijden en sterven van den Heiland niets.
Wat op Paaschmorgen 't ergste is en wat op Hemelvaartsdag de spuigaten uitloopt.
O! wat worden de menschen vooral op de Christelijke feestdagen door de moderne dominé's in de Herv. Kerk bedrogen. En wat wordt er door die predikanten veel gedaan om te bedekken, dat men de heilsfeiten ontkent, die door de Christenen van alle landen worden in eere gehouden.
Wel zijn er enkelen die wat royaler zqn; wat eerlijker uit den hoek komen.
Buiten de Herv. Kerk, maar ook in de Herv, Kerk. Maar over 't algemeen is het wachtwoord onder de moderne Herv. dominé's: laat ons toch voorzichtig zijn!
Daar vliegt Ds. G. de Leeuw van Oud-Karspel op los in zijn blaadje „Wereldlente."
Hij geeft die onoprechte slimmelingen er van langs en hij zet tegenover dat onoprechte Vrijzinnig-chrisiexidom het eerlijke Modem' godsdienstig Beginsel !
Hij zegt o. a.:
„We zagen een vrijzinnig predikant een ongerijmd en tegelijk pernicieus leerstuk aan een vrijzinnige gemeente verkondigen met eene geioofsverzekerdheid, die een gereformeerden collega tot eer zou hebben gestrekt."
„Voor de psychologische verklaring van het dusgenaamd Vrijzinnig Christendom intusschen in hooge mate leerzaam."
„De schare houdt met de kracht der wanhoop aan de oude waandenkbeelden vast. En nu durft het Vrijzinnig Christendom geen kat een kat, geen ongerijmdheid eene ongerijmdheid noemen, en durft het niet te zeggen, dat een verderfelijk leerstuk een verderfelijk leerstuk "
Het vreest de schare, als haar lang gekoesterde en veelgeliefde waan zou worden aangetast."
„En waar nu het Vrijzinnig Christendom zich om der schare wil ermee vergenoegt de ijle, bleeke, bloedelooze schim, of wilt ge: de waardelooze, kleurlooze kopie van het oorspronkelijk Christendom te zijn, daar roept het Modern-godsdienstig Beginsel eerlijk en enomwonden het aangename jaar des Heeren uit: ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de gooden; en Christus zal over u lichten."
En in een volgend artikel spreekt Ds. de Leeuw dan van „haat tegen dien ons allerwege omringenden zuurdeesem der Christelijke Kerk, die ons, modern-godsdienstigen, vaak het leven vergalt, juist omdat wij door de taaie, domme behoudzucht der massa en de taaie, listige behoudzucht der leiders, die dode massa geleid worden, er ons zoo machteloos voelen tegenover staan. Wij leven, schoon in heel ons denken en voelen kinderen onzes tijds, in een walgelijke middeleeuwsche Christelijke-Kerk-atmospheer."
Zelf is Ds. de Leeuw nog al radicaal. En veroordeelend het gedoe van de Vrijzinnige Hervormden, spoort hij aan om zich niet langer door de domme schare te laten leiden. Terwijl hij zelf dan spreekt van de Christus-mythe, de Pinksterlegende en het Hemelvaartssprookje.
Och — dat ze allen zoo eerlijk waren om te zeggen wat ze werkelijk meenen.
Dan zou het hoe langs hoe duidelijker worden dat de modernen in onze Herv. Kerk niet thuis hooren.
Maar is het niet vreesolijk wanneer men van den Hemelvaartsdag, van 't Hemelvaartssprookje déze verklaring geeft:
„Naar 't ons voorkomt, heeft de „Heilige" Kerk met dat Hemelvaartssprookje een tweeledig doel voor oogen gehad. Vooreerst moest ze zich van den „historischen" Jezus, die eerst was gestorven en daarna, tot het leven wedergekeerd, rondspookte op aarde, met goed fatsoen ten tweede male ontdoen. En vervolgens kon zij zich nooit op beter grond als zijne plaatsvervangster aandienen bij de menschheid dan op dezen, dat hij zelf ver weg was, boven lucht en wolken, 'in den hemel."
Dat is de redeneering van Ds. de Leeuw, Hervormd predikant te Oud-Karspel, die eindigt met deze woorden:
„Wij gelooven, dat collega Vos bij zijn „stormloop" op den „Gedenkdag van Jezus' Hemelvaart" deze dingen voor den geest zullen hebben gestaan, weshalve wij ons gaarne bij hem aansluiten en hem dankzeggen voor zijn woord."
Is het niet verschrikkelijk dat zooiemand Hervormd predikant is — en blijft?
Waar is de eerlijkheid bij hem, waar is de tucht der Kerk?
Een Kerkeraadsbesluit.
In het midden van den Kerkeraad van Groningen is een poging gewaagd om aan de willekeurige handelingen van den modernen predikant Hulsman paal en perk te stellen, wat betreft het eigenmachtig veranderen van de belijdenis vragen voorgeschreven in art. 39 Regl. op het Godsd. onderwijs.
Bekend is, dat de predikanten dikwijls die vragen naar eigen believen formuleeren en ze dan niet zelden misvormen. Eigenmachtig treedt men dan op en legt die zelf gemaakte vragen aan de catechisanten voor.
Evenwel heeft de predikant daar het recht niet toe. De Kerkeraad heeft hierin te beslissen, omdat degenen die belijdenis doen door den Kerkeraad tot de belijdenis worden toegelaten op vragen door den Kerkeraad te stellen, in gebondenheid aan de bepalingen van art. 39 Regl. Godsd.onderwijs. En dus heeft een orthodoxe Kerkeraad wel degelijk het recht en de plicht — al was het alleen maar volgens art. XI van het Algem. Regl. — om tusschen beide te komen als een modern predikant misbruik maakt van zijn ambt in deze. Wil hij vragen voorleggen, die niet overeenkomen met art. 39 voornoemd, dan heeft de Kerkeraad eenvoudig te zeggen: „dat recht komt U niet toe; en waar we zien, dat Gij in deze zaak verkeerd handelt zullen wij zeggen — in gebondenheid aan art. 39 voornoemd — welke vragen gij aan de catechisanten namens den Kerkeraad hebt voor te leggen".
Al zijn dat dan vragen — zooals die van art. 39 voornoemd — waartegen de moderne predikant bezwaren heeft, dat doet er niet toe. Daar draagt de orthodoxe Kerkeraad den schuld niet van, doch slechts de moderne dominé, die met z'n vrijzinnige ideeën niet in onze Herv. Kerk thuishoort. De orthodoxe Kerkeraad behoeft hem volstrekt niet — 't mag ook niet, zie art. XI Algem. feegl. — in z'n moderne opvattingen ter wille te zijn.
Daarom heeft de orthodoxe Kerkeraad van Groningen tegenover den modernen domine Hulsman — die als rechtzinnig predikant indertijd in Groningen beroepen werd, maar later modern werd en nu maar stil in Groningen blijft, om de Gemeente niet weinig in beroering en verwarring te brengen — gedaan wat recht en goed is, door het volgende voorstel aan te nemen:
„De Kerkeraad besluit ter handhaving van art. 39 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs :
„1. Bij de bevestiging van lidmaten worden geene vragen, afwijkende van de in art. 39 van het Reglement op het Godsdienstonderwijs geformuleerde, gedaan, tenzij zij vooraf aan het oordeel des Bijzonderen Kerkeraads onderworpen en door dezen goedgekeurd zijn ;
„2. de Bijzondere Kerkeraad vaardigt naar elke bevestigingsbeurt één of meer ouderlingen af, om toe te zien, dat geen andere dan door den Kerkeraad goedgekeurde vragen ter beantwoording worden voorgelegd; deze afgevaardigden deelen aan de Kerkeraads or commissie uit den Bijzonderen Kerkeraad binnen twee dagen hunne bevindingen schriftelijk mede;
„3. personen, die blijkens rapport der afgevaardigden op andere dan door den Kerkeraad goedgekeurde belijdenisvragen bevestigd zijn, worden niet als lidmaat der Ned. Herv. Kerk erkend, en dus niet in de lidmatenboeken ingeschreven. Aan de betrokken personen wordt daarvan met opgaaf van redenen mededeeling gedaan".
Naar we vernemen was het voorstel gebaseerd op:
1e. de roeping der Ouderlingen als opzieners der Gemeente naar de H. Schrift (Hand. 20 : 28—31, brieven aan Timotheus en Titus))
2e. de taak des Bijz. Kerkeraads (Regl. Godsd. onderwijs art. 38—41, Regl. Kerkeraden art. 14 sub 5);
3e. de verordeningen voor den Bijz. Kerkeraad met betrekking tot „aanneming" èn „bevestiging" (Regl. Godsd. onderw. art. 38 al. 3 en 5);
4e. de ongerijmdheid van het individualisme te dezer zake.
Het gevolg van dit besluit, dat met 12 tegen 9 stemmen is genomen, zal nu zijn, dat Ds. Hulsman voortaan verplicht zal zijn de belijdenisvragen aan het oordeel van den orthodoxen Kerkeraad te onderwerpen en zich naar het gevoelen van den Kerkeraad zal moeten schikken — en bij afwijking daarvan, zal hij zijn leerlingen niet zien ingeschreven in de Lidmatenregisters.
Natuurlijk kan Ds. Hulsman ook zijn leerlingen in een naburige (moderne) gemeente laten „aannemen" en „bevestigen"; maar ook iin zal de Kerkeraad van Groningen nog wel informeeren bij het Class. Bestuur welke vragen gesteld zijn en of deze in geest en hoofdzaak overeenkwamen met de vragen die voorgeschreven zijn in art. 39 Regl. Godsd. onderwijs.
Onze vaderlijke erve.
Naboth had zijn voorvaderlijk goed hartelijk lief. Noch voor eene groote somme gouds noch voor overmacht wilde hij het recht daarop laten varen. De H. Schrift keurde het niet af, maar rekende het hem veelmeer tot eene onvergankelijke eere aan.
Ook wij hebben een vaderlijke erve. Zij is de Kerk der vaderen. Bevrijd van Spanje's tyrannie, verlost van allerlei dwaalleer, is zij ons met hare gereformeerde belijdenis nog immer dierbaar. Als de berg Sions, waarin de Heere de wonderen Zijner almacht en genade in mannen als Voetius, Lodesteyn, Groenewegen en zoovele anderen rijkelijk heeft willen toonen, ligt zij ons na aan het hart en kunnen wij niet van haar scheiden.
Wel zijn in het begin der vorige eeuwen ook later er tal van inbrekers binnengedrongen. Buiten de eenige poort „belijdenis" zijn zij dievelijk langs allerlei sluipwegen op het erf gekomen. En wel zoo talrijk velen was het aantal dier inbrekers en zoo machtig brutaal hun aanslag, dat zg nu haast heer en meester zijn, waar zij naar recht en wet n het geheel niets te zeggen hebben.
Wat moeten wij doen ? Het op een loopen zetten voor den dief? Alles ter plundering en ter vernieling overgeven aan dien stouten kerkroover, die zoo wederrechterlijk binnendrong ? Moeten wij zeggen: gijlieden hebt er wel niet het minste recht, maar nu gij eenmaal binnen zijt, plundert naar hartelust, schaft de gereformeerde belijdenis maar af, verdraait in de kerk der vaderen de woorden Gods zooveel u lust, wg zullen ergens wel een goed onderkomen zoeken?
Hoe kunnen wij ? Te meer, daar door eigen en der vaderen zonde den inbreker het binnenkomen mogelijk werd.
Wij voor ons, hoe men ons ook smade en hoezeer wij ons bewust zijn dat God rechtvaardig met zijne oordeelen ons kan slaan, kunnen nochtans met een gerust geweten niet alles in de erve der vaderen aan het booze spel der indringers overlaten.
Met Naboth verwaardige de Heere ons er toe voor het goed recht der gereformeerde belijdenis in de Herv. Kerk te staan en met Ezechiël doe Hij ons meer en meer protesteeren tegen de gruwelen der tempelschenders. Naboth wilde zijn goed niet prijs geven; zelfis niet al wilde een koning het hem ontnemen; past het ons daarom ook niet veel meer dan Kerk en belijdenis maar prijs te geven, al den dag te vragen: Heere, geef de ziel uwer tortelduif niet aan het wild ge dierte over?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's