Ingezonden.
Geachte Redactie.
In de Waarheidsvriend" van 5 Juni j.l. (welke eerst heden in mijn bezit kwam) las ik onder de rubriek »Uit het Kerkelijk leven", iets over de kerkelijke quaestie te Bennekom; mag ik naar aanleiding daarvan, opname dezer regelen in\iw blad verzoeken?
U begint in bovenbedoeld artikel reeds dadelijk te zeggen "Bizonderheden weten we niet". Dat dit waar is blijkt duidelijk uit het vonnis dat u over Ds. P. en den Kerkeraad te .B. velt. Het ware daarom beter geweest, dat u aan het goede adres eerst eens was gaan informeeren, dan zou u de bizonderheden waar het dikwijls en ook in dit geval op aankomt wel geweten hebben en uw oordeel zou geheel anders geweest zijn. Ja, al ware het, dat de quaestie te B. was, zooals u meedeelde, dan nog behoorde U instemming te betuigen met hetgeen Ds. P. gedaan heeft.
Immers er zou niet anders dan op grond van Gods Woord, afgezien van onbijbelsche reglementen, gehandeld zijn. Maar laat me u even de zaak mogen meedeelen zooals ze is.
In Febr. 1913 zond de Kerkeraad van Tiel aan dien van B. een schrijven, waarin verzocht werd een bewijs van goed zedelijk gedrag, voor twee jonge menschen (een jongen en een meisje) uit B. welke te T. wenschen aangenomen en bevestigd te worden toe te zenden. Deze personen buiten het kerkelijk verband — d. w. z. geen der ouders had attestatie ingediend — woonden kort in B. Later werd gehoord dat de ouders van hen tot de Remonstrantsche Broederschap behoorden, althans 3 van de 4, terwijl er één Waalsch is, maar ook deze had geen attestatie ingediend). De twee kinderen waren niet eens gedoopt. Op grond waarvan de Kerkeraad te B. bedoeld getuigschrift van goed zedelijk gedrag weigerde af te geven. Hij dacht, dat de Kerk hun nooit daartoe zou noodzaken. Ondanks deze wettige weigering heeft de Kerkeraad van Tiel de jonge menschen toch tot het doen van belijdenis toegelaten en bevestigd.
Nadat de Kerkeraad van B, hiervan bericht had ontvangen, schreef hij als volgt:
»De Kerkeraad der Herv. Gemeente te Bennekom brengt het volgende ter Uwer kennis, ofschoon de bewijzen van goed zedelijk gedrag van E. A. v. d, G. en C. H. Ch. niet in Uw bezit waren, is U toch tot de aanneming overgegaan. De Kerkeraad dezer gemeente protesteert tegen Uwe onwettige handelwijze en bericht U, dat de namen niet zullen worden ingeschreven. De Kerkeraad enz."
Daarop klaagde Tiel den Kerkeraad van B. bij het ' Class. Bestuur van Arnhem aan. Dit Bestuur stelde den Kerkeraad van T. in het gelijk en gelastte den Kerkeraad van B. de namen in te schrijven. Hierop ging de Kerkeraad van B. in hooger beroep waarna de quaestie zich afwikkelde overeenkomstig Uw schrijven. U ziet dus geachte redactie, dat de zaak geheel anders is. En zelfs de moderne Dr. Niemeyer moet in het Weekblad voor Vrijzinnige Hervormden van 10 April 1913 bekennen, dat Ds. P. volgens de Kerkel. Regl. volkomen in zijn recht zou gesteld worden, want dat de aanneming en bevestiging van T. onwettig was.
Immers, geachte redactie, als een Kerkeraad verplicht wordt voor ieder wie hij ook zij, Roomsch of Jood een getuigschrift aangaande z'n zedelijk gedrag af te geven, dan dient de Kerkeraad niet alleen op de kerkelijke maar ook op de geheele burgerlijke gemeente toezicht te houden. Art. 40 Regl. op het Godsd.onderwijs behoort althans, volgens uitspraak der Synodale Commissie, in dien vorm uitgelegd te worden.
Uitgenoodigd op de Vergadering van het Prov. Kerkbestuur van Gelderland deed een der leden aan den Kerkeraad van B. de vraag: wat hij deed met die genen, die met attestatie binnen kwamen ? Hierop stelde Ds. P. den Voorzitter deze vraag: »Als de Kerkeraad van B. de attestatie van T. inschrijft, en die lidmaten vervolgens overeenkomstig Gods Woord behandelt, zal het Prov. Kerkbestuur den Kerkeraad van B. handhaven, wanneer hij meent te moeten overgaan tot de tuchtoefening? " De heeren durfden hier niet op ingaan; ja hadden zelfs hoogstwaarschijnlijk het vonnis reeds klaar; want reeds den volgenden dag ontving ieder lid van den Kerkeraad te B. een exemplaar, zóo uitvoerig en op zóo veel vellen papier beschreven, dat het bijna onmogelijk Is, dat dit in zoo'n korten tijd kon gedaan worden.
Het Class. Bestuur heeft nu de namen der jonge menschen ingeschreven en wel zonder dat de 1e of 2e consulent (welke beiden weigerden) tegenwoordig waren. Dit Bestuur zoogenaamd sdoende wat des Kerkeraads is" heeft ook in deze zoo onrechtvaardig mogelijk gehandeld. Schorsing is tuchtoefening. Welnu dan moet men zien of het helpt; eerst als alle aanaangewende pogingen gefaald hebben en de gestraften onverbeterlijk blijken te zijn, moet een ander doen hetgeen de gekastijden hadden moeten doen, en wel nadat deze uit de Kerk verwijderd zijn als onnutte dorren takken van den boom.
Ds. P. staat dus niet formeel schuldig, is niet eigenmachtig opgetreden, heeft veel minder onbijbelsch gedaan noch het Geref. Kerkrecht geschonden, en is allerminst eigen rechter in deze geweest, maar heeft volkomen gehandeld overeenkomstig Gods Woorden naar de inspraak van Gods Geest. Gaarne verwijs ik u naar een ingezonden stuk in »de Nederlander" van 13 Juni 1914, (wat ik hierbij insluit) en waarvan ik hoop dat u het ook in »de Waarheidsvriend" zult opnemen. In bedoeld stuk laat Ds. Keck van Zuilichem een helder licht op de handeling van den Kerkeraad te B. vallen Geve de Heere maar vele leeraren met Ds. K. de eerlijke belijdenis te doen, dat hij wenschte, in een dergelijk geval verkeerend als Ds. P. te B. evenals hij versterkt te worden om getrouw te blijven aan de conscientie in een weg van strijd en lijden. Ja, nog liever geve de Heere vele leeraren die met Ds. P. leeren verstaan, dat het niet maar genoeg is alleen maar de waarheid te prediken, maar ook de leer der waarheid toe te passen met de daad, in de uitoefening van de macht door den Heere aan zijn ware dienaren geschonken. En mogen diegenen, wier vrees voor menschen, verlies van positie, goederen, eer of wat dies meer zij, te machtig is liever zwijgen, of den Heere om hulpe vragen dan zich beroepen op onze ellendige, onbijbelsche reglementen, het juk dat velen (zooals men ten minste beweert) zoo knelt. Laat mij u ook nog mogen zeggen, geachte redactie, dat van het gesprek met de gescheidenen Ds. P. niet afweet, en dat m. i. uw stuk den .schijn geeft, alsof eenerzijds de modernen anderzijds de gescheidenen aan den kaak gesteld te worden, wellicht met het goede doel, om Ds. Paauwe te bewegen (wat de Heere verhoede) toe te geven, en hem alzoo te behouden voor onze diepgezonken Herv. Kerk,
U dankend voor de verleende plaatsruimte blijf ik met de "meeste hoogachting
UEd. Dw.,
J. C. V. D. ZEEUW, Steynlaan 116, den Haag.
Onderschrift van den Hoofdredacteur:
Om zakelijk te blijven en ons niet te laten afleiden door allerlei opmerkingen (zijn ze soms niet wat al te hatelijk aan ons adres? ) willen we even vragen:
mag een Remonstrant, een Doopsgezinde, een Luthersche, een van de Chr. Geref. Kerk of wie ook, te B. woonachtig, te B. toelating vragen tot het doen van belijdenis in de Herv. Kerk?
Immers ja!
En dus ook te Tiel.
En wat heeft de Kerkeraad van B. dan te doen? Naar art. 40 Regl. Godsd. Onderwijs zal er een bewijs, van goed zedelijk gedrag moeten worden gegeven. Is dat gedrag zóo geweest, dat men geen gegronde aanmerkingen kon maken? Wij hebbén gehoord van ja.
Over de godsdienstige overtuiging wordt geen oordeel of getuigenis gevraagd van den Kerkeraad van B.
Daar zal de Kerkeraad van T, over oordeelen. Die zal die jongemenschen ondervragen in betrekking tot hetgeen ze weten en gelooven.
Worden ze te Tiel dan toegelaten en bevestigd, dan heeft de Kerkeraad van B., wanneer hij bericht krijgt van de bevestiging, te informeeren of de vragen van art. 39 Regl. godsd. onderwijs gebruikt zijn, of althans vragen, waaruit dezelfde belijdenis spreekt.
Daar had de Kerkeraad van Bennekom gebruik van moeten maken.
Heeft de Kerkeraad van Tiel naar art. 39 voornoem'd niet gehandeld, dan niet inschrijven. Heeft hij wél gehandeld naar art. 39 dan wél inschrijven en dan zouden bedoelde jonge menschen voor rekening zijn gekomen van den Kerkeraad van Bennehom, daar ze dan toegelaten zijn op hun eigen belijdenis naar art. 39 Regl.' Godsd, onderwijs en op DIE belijdenis óok MOETEN worden ingeschreven. Waarbij dan de Kerkeraad van Bennekom wel degelijk het recht heeft om verder op hun belijdenis acht te geven en hen voor de Avondmaalsviering b.v. ernstig te onderzoeken, of ze wel gelooven en belijden, wat met billijkheid in onze Herv. Kerk mag en moet worden gevraagd,
We blijven dus bij ons zelfde gevoelen en we zouden zoo graag willen, dat de Kerkeraden van geref, belijdenis gingen voelen wdar hun werk begint en wiar ze niets en wdar ze wel wat kunnen doen.
We zijn nu eenmaal in de Hèrv, Kerk, en willen de waarheid in de Kerv, Kerk verbreiden en verdedigen en bij al ons pogen is het niet te doen om er zoo spoedig mogelijk uit te komen, maar om er zoo lang mogelijk in te blijven en onze Kerk te dienen tot weder opbouwing van hare vervallene muren,
Intusschen is de breuke onzer Kerk verschrikkelijk En wat ons altijd zoo pijn doet is, dat de Kerkelijke Besturen steeds zoo vol ijver zijn om de overtreders der Reglementen te straffen, zwaar te straffen, terwijl men ook volgens art. XI de roeping heeft om hen te straffen, die in de leer afwijken — maar, dit doet men niet.
Weet het Classicaal Bestuur van Arnhem, weet het Classicaal Bestuur van Leiden niet, dat men in Tiel en Oudshoorn publiekelijk afwijkt van de leer der Herv. Kerk, den Christus Gods onteerend en de goddelijke waarheden, die naar de Schrift en naar onze Belijdenis zijn, ontkennend?
Weet men dat niet?
Ja — dat weet men wél.
En waarom treedt men hier niet tusschenbeide?
Wij zouden ons schamen, om in het eene onze plicht te doen, als we in het andere onze plicht nalieten !
Wat zijn onze kerkelijke toestanden toch verward! Wat is de ellende groot!
En daarom mag wel veel gebeden worden, dat allen die de geref. waarheid liefhebben, bij elkander mogen komen, om saam op te treden ddar waar God ons roept, om de breuke bloot te leggen en in ordelijken weg te doen wat de Heere ons op de handen komt. leggen.
Heel onze kerkelijke inrichting is in strijd met Gods Woord en heel de openbaring onzer Kerk vloekt tegen haar belijdenis.
En ziet, bij die belijdenis en bij dit Woord moeten we nu saamkomen om in den middelijken weg te doen wat mogelijk is, dat de Kerk — niet wij — uit hare banden mag worden verlost.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juni 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's