Uit de Pers.
In de Bazuin van Vrijdag 26 Juni lezen we een beschouwing van T. H. (waarschijnlijk Pr. Dr. T. Hoekstra van Kampen) over het Eeuwfeest van het Nederlandsch Bijbelgenootschap. Een gedeelte nemen we met volle sympathie over.
T. H. schrijft dan:
Het feest van de herdenking van het honderd-jarig bestaan van het Nederlandsch Bijbelgenootschap werd Dinsdag 16 Juni geopend met een «wijdingssamenkomst" in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Ruim tien uur verzamelden zich vele afgevaardigden en genoodigden in dit monumentale, aan historische herinneringen zoo rijke gebouw. De predikanten-wereld was sterk vertegenwoordigd, 't Waren vogels van diverse pluimage. Een bonte schare van gereformeerden, confessioneelen, ethischen, modernen en vele anderen die zich onder deze rubrieken niet laten indeelen.
Te half elf ure besteeg de voorganger. Prof. Dr. Chantepie de la Saussaye, hoogleeraar aan de Rijks universeiteit te Leiden en oud-voorzitter van het Genootschap, den kansel. Enkele oogenblikken daarna richtten aller oogen zich naar de bank tegenover den preekstoel: Hare Majesteit de Koningin-Moeder vereerde deze samenkomst met hare tegenwoordigheid en nam met klein gevolg plaats.
Nadat Prof. Chantepie de la Saussaye een votum had uitgesproken, zong een klein a capella koor onder leiding van den heer Joh. Schoonderbeek op voortreffelijke wijze: Heilig, Heilig, Heilig, zijt Gij, Heere Zebaoth! Aarde en hemel zijn vol van Uwen roem. Gezegend hij die daar komt in 's Heeren naam! De voorganger hield na kort gebed en gezang van de aanwezigen een toespraak naar aanleiding van het Petruswoord: tot wien zullen wij henengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens" (Joh. 6:68).
Wie verwacht had, dat de spreker een lofrede zou houden op de H. Schrift, de voortreffelijkheid van den Bijbel als het Woord Gods zou roemen, den hoofdinhoud van de woorden des eeuwigen levens lou schetsen, de beteekenis van Jezus Christus voor de in den Bijbel geschonken heilsopenbaring zou aangeven — wie dit verwacht had, werd in niet geringe mate teleurgesteld. De toespraak van Prof. Chantepie was onbelijnd en vaag, maar bij alle vaagheid toch in die mate on-orthodox, dat het niet gewaagd schijnt te veronderstellen dat een moderne zich in geen enkel opzicht aan deze rede heeft geërgerd. Allicht zou een religieus-moderne met meer warmte over den Bijbel hebben kunnen spreken. Want warm was het woord van den redenaar niet. Het had zoo niets van een feestrede. De toespraak was mat. Alleen week voor een oogenblik de matheid, wanneer Prof. Chantepie het goed vond enkele min vriendelijke woorden te richten aan het adres van hen, die den Bijbel, zooals hij daar ligt, houden voor het Woord van onzen God. De rede in deze »wijdingssamenkomst" was voor ons besef zonder eenige wijding. De samenkomst zou geheel een mislukking geweest zijn, had niet het koor aan het einde de heerlijke belijdenis van Luther op de lippen genomen en met gloed gezongen:
"Een vaste burg is onze God, Een toevlucht voor de Zijnen! Ons staat de sterke Held ter zij. Dien God ons heeft verkoren. Vraagt gij zijn naam? zoo weet Dat hij de Christus heet, Gods Eéngeboren Zoon. Gods Woord houdt stand in eeuwigheid. En zal geen duimbreed wijken."
Bij het verlaten van het kerkgebouw rees bij ons de vraag of we zonder conscientie-bezwaar de volgende vergaderingen zouden kunnen bijwonen, indien het Eeuwfeest stond in het teeken van Chantepie's rede. We behoefden, gelukkig, die vraag niet te beantwoorden. Onze vrees werd beschaamd. Op de volgende samenkomsten heerschte een gansch andere toon. Daar vonden we wat in de *wijdings-samenkomst« werd gemist. In deze bijeenkomsten en ook bij de internationale Bijbelconferentie werd over de heerlijkheid en onmisbaarheid van den Bijbel gesproken, werd God gedankt voor de gave van Zijn Woord, werd Zijn Naam geprezen voor hetgeen het Genootschap voor de verspreiding der Bijbels had mogen doen, werd in diepe verootmoediging vergeving gevraagd voor al de gebreken en tekortkomingen die het werk hadden aangekleefd. Het deed het Christenhart goed de voortreffelijkheid van Gods Woord in verscheidene talen te hooren prijzen. Bij alle . onderscheid van nationaliteit en kerkelijke gemeenschap, werd gevoeld de kracht van het: Eén Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen.
Wanneer wij dit met blijdschap constateeren, wil dit vanzelf nog niet zeggen, dat een. gereformeerd Christen alle sprekers met evenveel genoegen en algeheele instemming aanhoorde. De aanwezige Gereformeerden zullen zich in de beschouwingen van enkelen over »3ijbelcritiek« niet hebben kunnen vinden. Wanneer Dr. J. Lammerts van Bueren in zijn referaat op 18 Juni van de Schriftcritiek alleen zegt dat »»de kanonskogel van »de kritiek» veler kaartenhuis heeft omvergeworpen*« en hij met geen enkel woord melding maakt van den verderfelijken invloed dien de »kritiek« op het religieuse bewustzijn van velen uitoefent, dan bedroeft ons dit. Met gemengde gevoelens lazen we de passage:
"Wanneer wij van den Bijbel meer willen maken dan hij is, maken wij hem altijd minder. Wat moet het volk denken van een heilig boek, dat nu eens partij gesteld wordt in den strijd tusschen kapitaal en arbeid, tusschen vakorganisatie en niet-organiseeren der arbeiders, tusschen vrijhandel en bescherming.
Afgezien van de rede in de Nieuwe Kerk en van den critischen geest bij enkelen, hebben we het Eeuwfeest van het Nederlandsch Bijbelgenootschnp met aangenaamheid meegevierd. Er heerschte een christelijke toon. Van de bestuurstafel is menig woord gesproken dat ons weldadig aandeed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's