Uit het kerkelijk leven.
Voorstel van de 60 predikanten.
Volgens de verslagen in de verschillende dagbladen — we hebben onze aanteekeningen bizonder aan „De Nederlander" ontleend — is in de verschillende Classicale Vergaderingen ongeveer aldus over het voorstel van de 60 predikanten, tot verscherping van de prop.-formule enz., geoordeeld:
Classis Den Haag: bijna met algemeene stemmen gesteund.
Classis Harderwijk:41 stemmen vóór, 8 tegen.
Classis Dordrecht: groote meerderheid vóór.
„ Rotterdam: bijna algemeen vóór.
„ Utrecht:43 vóór, 7 tegen.
„ Leiden: vóór.
„ Haarlem: gedeeltelijk vóór; meer algemeen was men vóór de schrapping van de woorden „geest en hoofdzaak" in art. 39 Regl. godsd.onderwijs.
Classis Zutfen: groote minderheid voor schrapping van de woorden „althans wat geest en hoofdzaak betreft."
Classis Leeuwarden: groote meerderheid tegen; 15 leden waren er vóór.
Classis Groningen: groote meerderheid tegen; 18 leden er vóór.
Classis Arnhem:41 voor, 3 tegen, 1 bl.
„. Amersfoort:28 vóór, 22tegen, (46 vóór het voorstel Homburg).
Classis Meppel: 't voorstel verworpen.
„ Gouda: aangenomen; 18 st. tegen.
„ Amsterdam: groote meerderheid vóór.
Classis Tiel: tegen; men zal voorstellen om alles te laten zooals het is conform de conclusie van Ds. Vermeer.
Classis Alkmaar: tegen; 8 st. er voor.
„ Brielle: meerderheid er voor (39 van de 59 stemmen).
Classis Meppel: aangenomen met groote meerderheid (20 tegen 8). ,
Classis Kampen: groote meerderheid vóór (8 st. gedeeltelijk tegen).
Classis Ernmen: voorstel niet ontvangen en niet in behandeling geweest.
Classis Heusden: bijna algemeen instemming voor de zaak zelve; hoewel bedenkingen tegen de namen der onderteekenaars.
We hebben nog niets gelezen van de Class, verg. van: Winschoten, Dokkum, Franeker, Deventer, Heerenveen, Appingedam, Winsum, Sneek, 's Hertogenbosch, Zwolle, Hoorn, Bommel, Nijmegen, Zierikzee, IJzendijke, Goes, Edam, Wijk, Eindhoven, Middelburg, Maastricht, Breda en Assen.
Rom. 4:25.
Er is héél wat te doen over Rom. 4:25: Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking", welke tekst èn door de Haagsche Vergadering èn door het adres van de 60 predikanten naar voren geschoven is.
Die tekst is zoo onduidelijk — zegt de éen. Die tekst wordt zoo verschillend uitgelegd — zegt de ander. Men schiet er niets mee op wanneer men dien tekst naar voren schuift — roept een derde.
Wij hebben dat telkens kalm aangehoord. We wisten eigenlijk niet, dat het zoo'n „moeilijke" tekst was; we wisten ook niet, dat er zooveel „verschillende" uitleggingen van waren; we wisten ook niet, dat juist bij dezen tekst orthodox en modern zouden kunnen zeggen: „ik versta er dit onder en gij verstaat er dat onder, en nu kunnen we beiden die tekst rustig gebruiken een ieder naar z'n uitlegging."
Dat wisten we niet. Maar men heeft het ons nu zóo dikwijls gezegd, dat deze tekst zoo moeilijk is om uit te leggen en zóo velerlei verklaring toelaat — dat we het bijna zouden gaan gelooven.
Bijna....
Want we kunnen er toch nog niet toe komen.
We vinden dezen tekst nóg eenvoudig en nóg uitermate typeerend voor modern en orthodox. Wij gelooven nóg, dat er maar éen uitlegging mogelijk is; een uitlegging van de Statenvertaling, die óok de uitlegging van de Leidsche-vertaling is; een zaak bevattend voor den moderne om te verwerpen en voor den orthodoxe om met hand en tand te verdedigen.
Een tekst, die duidelijk aangeeft de verzoenende kracht van Christus' lijden en sterven; de kracht Zijner opstanding tot rechtvaardigmaking der Zijnen.
En zoo'n tekst moeten we juist hebben.
We willen eens even een paar aanteekeningen geven van 't geen in betrekking tot dezen tekst en deze zaak in den loop der tijden geschreven werd.
G. Vissering(Doopsgezind predikant) teekent in de uitgave van zijn Nieuw-Testament {1859) bij Rom. 4:25 aan:
„opgewekt om onze rechtvaardiging": De rechtvaardiging heeft haren grond in den dood van Christus (3:25; 5:4), maar verkrijgt eerst volle zekerheid door zijne opstanding."
De moderne Dr. Bakels (Doopsgezind predikant van St. Anna-Parochie) zegt in de uitgave van zijn Nieuw-Testament (1913):
„Eigenlijk heeft volgens Paulus der menschen rechtvaardigmaking haren grond in het storten van Jezus' bloed (hoofdst. 3:25 en 5:9). Want (zoo zegt hij): de toorn van God, opgewekt door onze zonden, wordt gestild doordat de onschuldige Jezus onze straf op zich neemt en als zoenoffer geofferd wordt. Jezus wordt zoo eene offerande van onmetelijke waarde, aangeboden aan de Godheid. Zijne opoffering, Zijn bloed werkt de verzoening.
Waarvoor dan nog zijne opwekking (opstanding) noodig is?
Paulus bedoelt in dit vers 24 denkelijk, dat de volle verzekerdheid van deze dingen verkregen wordt door het wonder van Jezus' lichamelijke opstanding."
Deze twee moderne theologen stemmen dus al aardig met elkaar overeen. Ze zeggen : het gaat hier over het verzoenend lijden en sterven van Christusen over Zijn lichamelijke opstanding waarin de volle toepassing komt tot gerechtigheid voor de geloovigen.
Natuurlijk gelooven zij dat-niet.
Wat meer zegt: zij verwerpen het als een afschuwelijke leer en onbehoorlijke toepassing.
Maar — daar gaat het niet over.
't Is er ons voor het oogenblik om te doen, om te weten te komen wat er in Rom. 4:25 staat. En waar we nu de moderne theologen Vissering en Bakels gehoord hebben, slaan we nu de Bijbelverklaring van (den gereformeerden) van M. Henry eens op.
En dan lezen we in de aanteekening bij Rom. 4:25 't volgende:
Hij werd overgeleverd om onze zonden. God de Vader leverde Hem over; en Hij leverde zichzelven over tot een offerande voor de zonde. Hij stierf werkelijk als een misdadiger, omdat Hij voor de zonden stierf; doch het waren niet Zijn eigen zonden, maar die van Zijn volk. Hij stierf om verzoening aan te brengen voor onze zonden, om onze schuld uit te delgen, om aan een eeuwige gerechtigheid voldoening te geven.
Hij werd opgewekt om onze rechtvaardigmaking; voor de voltooiing en volmaking van onze rechtvaardigmaking. Door de verdiensten van Zijn dood heeft Hij voor onze schuld betaald; in Zijn opstanding verrees Hij tot kwijtschelding voor ons. Toen Hij begraven was lag Hij als gevangene onder het vonnis voor onze schuld, als d« Borg die op zich genomen had voor ons te voldoen. Op den derden dag werd de engel gezonden om den steen van het graf te wentelen en daardoor den gevangene te ontslaan. Daarin werd de sterkst mogelijke verzekering gegeven, dat de goddelijke gerechtigheid voldaan was, de schuld betaald; anders zou Hij den gevangene niet losgelaten hebben. En daarom legt de apostel bij zonderen nadruk op de opstanding van Christus. Het is Christus, die gestorven is; ja, wat meer is, die ook opgewekt is. Hoofdst. 8:34.
Zoodat uit alles overvloedig blijkt, dat wij niet gerechtvaardigd worden door de verdiensten van onze eigen werken, maar door een vertrouwend-gehoorzame afhankelijkheid van Jezus Christus en Zijne gerechtigheid, als de voorwaarde aan onze zijde voor ons recht op toerekening en verlossing.
Dat was de waarheid, welke Paulus in dit 4de en in het voorgaande hoofdstuk vastgesteld heeft als de groote oorzaak en grondslag van al onzen troost."
Dr. Bakels en M. Henry lezen dus hetzelfde in Rom. 4 : 25
Maar de moderne verwerpt het als een onbegrijpelijke en verachtelijke leering — en de gereformeerde neemt het aan met blijdschap, den Heere in Christus dankend voor Zijne ontfermende genade en rijke liefde.
We willen ook de kanteekening van onze Staten-Vertaling even opslaan.
Daar lezen we:
Welke overgeleverd is d.i. van God Zijnen Vader; Rom. 8:32 („Die ook Zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven".)
Om onze zonden d.i. om onze zonden te verzoenen en te niete te doen; 1 Joh. 1:7 („en het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonden"); 1 Joh. 2:2 („En Hij is eene verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele wereld".)
En opgewekt om onze rechtvaardigmaking overmits God door deze opwekking betoond heeft dat Hij den dood Zijns Zoons voor een genoegzaam rantsoen voor onze zonden heeft aangenomen en Zijne volkomen gehoorzaamheid wil aannemen tot rechtvaardigheid voor allen, die in Hem gelooven. Want indien Christus in den dood gebleven ware, zoo zou Zijne voldoening niet volkomen geweest zijn en Hij zou ons de kracht van die niet hebben kunnen toeeigenen".
Calvijn teekent bij Rom. 4:25 aan:
„Paulus vervolgt hier dezelfde leer als boven is behandeld en verklaart ze met breeder woorden.
Hoewel de Schrift op den eenigen dood van Christus ziet en rust, wanneer van onze zaligheid gehandeld wordt, zoo gaat nochtans de apostel nu verder. Want dewijl hij voorgenomen had de zaak der zaligheid uitvoeriger te behandelen, zoo maakt hij twee deelen daarvan en zegt ten eerste, dat de zonden door Christus' dood zijn uitgewischt; ten andere dat door Zijne wederopstanding de rechtvaardigbeid verkregen is.
De somma is, dat tot de vervulling aller stukken der rechtvaardigheid geen ding ontbreekt, wanneer wij de vrucht van Christus' dood en wederopstanding hebben."
„Aan de wederopstanding, waardoor de dood verslonden is, wordt de kracht om rechtvaardig te maken toegeschreven; niet, dat de offerande des kruises, waardoor wij met God verzoend zijn, niet geholpen heeft' tot de rechtvaardigheid, maar omdat de volkomenheid dezer genade klaarder gezien wordt in het nieuwe leven."
„Daarom gelijk hij gezegd heeft, dat Hij gestorven is om der zonden wil, omdat Hij in den dood de straf der zonden betaald en ons van de ellende des doods verlost heeft, alzoo wordt Hij nu gezegd wederopgewekt te zijn tot onze rechtvaardigmaking, omdat Hij door Zijne wederopstanding ons volkomen het leven wedergebracht heeft.
Want ten eerste is Hij van Gods hand geslagen, omdat Hij in des zondaars persoon de ellendigbeid der zonde zou dragen. Daarna is Hij tot het rijk des levens verheven, om den Zijnen de rechtvaardigheid en het leven te geven. (Primum manu Dei percussus est, ut in persona peccatoris peccati miseria defungeretur: deinde in vitae regnum exal od tatus est, ut justitia ac vita suos donaret).
De Heidelb. Gat. vraagt: wat nut ons de opstanding van Christus?
En het antw. luidt: Ten eerste, heeft Hij door Zijne opstanding den dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijnen dood ons verworven had, konde deelachtig maken.
Welke verschillende opvattingen zijn er dus van Rom. 4:25 ?
De moderne, die het plaatsbekleedend lijden en sterven van Jezus verwerpt als een gruwelijke onrechtvaardigheid.
En de orthodoxe, bijbelsche, gereformeer opvatting, die belijdt:door den dood heeft Christus het rantsoen betaald bij den Vader, noodig zijnde voor de zonde Zijns volks en door de opstanding uit den dood heeft Hij den kwijtbrief ontvangen, waardoor de leden Zijns lichaams, d. i. Zijn volk. Zijn Gemeente, mogen deelen in aide voorrechten, die aan den staat van rechtvaardig te zijn voor God verbonden zijn.
En hier, bij dit Evangelie uit het Evangelie, gaan immers de wegen van modernen en orthodoxen uiteen! Hier is geen compromis mogelijk.
Want terwijl de een naar uitwijzen van Gods Woord en onze belijdenisschriften zich hartelijk verheugt in hetgeen in Christus dood en lichamelijke opstanding voor een arm zondaarsvolk tot verzoening, rechtvaardigmaking en vrede is geopenbaard, kan en wil de moderne deze leer niet aanvaarden, niet onderschrijven, niet verkondigen.
Integendeel.
Wilt Ge daaromtrent nog iets hooren?
We slaan dan eenvoudig nog eens het Nieuwe Testament van Dr. Bakels op bij Rom. 3:25, een tekst door hem bij de uitlegging van Rom. 4:25 aangehaald.
In Rom. 3:25 zegt Paulus „Welken God voorgesteld heeft tot eene verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot eene betooning van zijne rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn, onder de verdraagzaamheid Gods."
Wat zegt de moderne Dr. Bakels daar dan van?
Hij teekent aan: „Zie hier Paulus' hoofdleerstuk de onschuldige Jezus lijdt en maakt daarmede onze zonde goed.
Zie hier een zielkundig raadsel, namelijk hoe oen zoo goed man als Paulus zulk een onrechtvaardig leerstuk kon bedenken!!
En dat zoenmiddel heeft u (zegt Paulus) zoodra ge er in gelooft!"
't Gaat dus om Paulus' hoofdleerstuk.
En de moderne verwerpt dat.
De orthodoxe gelooft het — zooals Gods Woord het ons meldt; zooals onze belijdenisschriften het verklaren en uitleggen.
Hoevele Kerken nog?
Scheuring schijnt in ons land heden ten dage op het terrein van het kerkelijk en godsdienstig leven wel het heil-en wachtwoord te zijn.
Hoe vele Kerken zijn er al niet; hoevelen zelfs niet die de drie formulieren vaneenigheid elk onderscheidenlijk als hun belijdenis hebben!
Het wemelt al van gemeenten met gereformeerde beginselen — maar hoevelen zullen er in den loop van den tijd nog bij komen?
In sommige betrekkelijk kleine plaatsen telt men al vier tot zes Kerken, die elk voor haar de eer opeischen de zuivere gereformeerde Kerk der vaderen te zijn, maar de teekenen der tijden wijzen er op, dat er spoedig nog meerderen zullen verrijzen, die op hun beurt allen zich zullen beroemen de ware Kerk te zijn. Een kleinigheid met den predikant, een gering verschil met een ouderling, een twist over zaken van gansch persoonlijken | aard is dikwijls reden genoeg tot afscheiding. En natuurlijk in naam der waarheid en liefst onder de vlag van de eere Gods sticht men eene nieuwe gemeente, club of groep.
Elk roept om tucht, maar niemand schijnt te zien, hoe bandeloos en onschriftuurlijk het er inderdaad door en met al die Kerken naar toe gaat.1)
Elk heeft er den mond vol van dat zonen van hetzelfde huis als broeders moeten samenwonen — maar intusschen vuurt en stookt men van achter de verschillende kerkmuren tegen elkander, zoodat de christelijke liefde bij vriend en vijand schier tot eene aanfluiting wordt. Velen klagen luide, dat de Geest des Heeren merkbaar wijkt — maar eilieve, hoe kan het ook anders?
Men bouwt 2) maar kerken; men sticht slechts gemeenten; men zoekt elders zijn heil in gezelschappen.
En de schuld? de schuld, dat de eene heilige algemeene Christelijke Kerk zoo weinig tot openbaring komt? de schuld van het zoo de zichtbaar zware verval in landen volk? Vraagt gij naar de schuld? Elk wijst haar direct bij buurman in den hof aan.
Velen noemen u direct met vele groote en dikke woorden „de groote kerk, dat Babel van ongerechtigheid" als de oorzaak van het verval; anderen wijzen de Gereformeerde Kerken met hun doop en avondmaalspraktijken aan en spreken dat die Roomsch-Gereformeerden het hem doen; weer anderen nog betoogen, dat de vrije gemeenten en gezelschappen met hun valsche mystiek het kerkelijk en godsdienstig leven vertroebelen.
A geeft B de schuld; B verwijst deze handig naar C; C Verpt haar weder een eindweegs verder op D, terwijl D, om zelf vrij uit te gaan, alle drie A, B en C tegelijk aanklaagt.
Zoo wijst elk — natuurlijk o zoo rechtzinnig met een beroep op Gods Woord — de schuld van zich.
Zoolang deze geest in Nederland blijft voortvaren; zoolang het zal zijn gelijk het in onze dagen zoo veelvuldig is: „ben ik mijns broeder hoeder"; zoolang de ware verootmoediging ontbreekt en het niet in geesten waarheid wordt: wij en onze vaderen hebben gezondigd; zoolang ieder het zijne zoekt en de stok liefelijkheid en samenbinding verbroken blijven liggen — zoolang ook blijft het kerken bouwen, gemeenten stichten, groepen formeer Ach! welk eene liefdeloosheid, welk eene verwijdering, welk eene verbittering zelfs onder 's Heeren volk, geeft het Nederland onzer dagen te aanschouwen! Hoe dor en geesteloos gaat het er veeltijds toe!
Bovendien: de geest des ongeloofsspreekt met den dag luider en luider; het getal, dat openlijk met alle kerken en eiken godsdienst breekt, klimt met het jaar; de ontheiliging van den dierbaren dag des Heeren schreeuwt thans ten hemel; deze en nog zoovele gruwelen meer verontreinigen het land.
Zou scheuring hier het eenige middel tot herstel zijn? Zouden wij met eene massa kerken en groepen wel gebaat zijn?
Gods Woord geeft ons stellig juist omgekeerd aan.
Maar dewijl geesteloosheid, 4) hooghartige lichtvaardigheid en liefdeloosheid heden tot onder het ware volk des Heeren o zooveel heerschen, vreezen wij, dat eenheid en eendracht onder de zonen van hetzelfde huis al langer hoe meerder verbroken zullen worden — en vragen deswege: hoevele kerken nog?
1) Men ontmoet in onzen tijd niet zelden lieden, die drie of vier Kerken als even zoovele pleisterplaatsen aandeden. Sommigen in de eene Kerk een paar jaar en in de andere weer een paar jaar zijn in betrekkelijk korten tijd al de Kerken met gereformeerde naam en belijdenis gepasseeerd — en wachten met ongeduld op wat nieuws op dit gebied. Zij deden voor Gods aangezicht de duurste beloften en verbraken ze straks als een societeits-ganger met zijn sociëteit breekt wanneer het hem er niet geheel en al meer zint. Eene nieuwe Kerk haalde den meineedige wel gaarne binnen hare muren. Zelfs komt het voor, dat de gecensureerde van de eene Kerk over enkele weken in de eere-gestoelten van de andere wordt aangetroffen.
2) Jongstleden in Leeuwarden nog, waar eene "vrije Christelijke Gereformeerde Kerk" gesticht werd.
3) Het aantal gemeenten is nu al groot, doch hoe zal het nog toenemen, als de Staat er eens toe overgaat, f450 subsidie toe te kennen aan elke groep met 1000 leden. Stellig gelooven wij dat er gemeenten zullen zijn, die deze toelage zullen weigeren, alsook dat er anderen zullen zijn, die het met beide handen zullen aangrijpen en wien het een nieuwe spoorslag zal zijn om nog meerdere proselieten te maken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 juli 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's