De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden.

17 minuten leestijd

Geachte Redactie.

Beleefd verzoek ik u plaatsing voor bet volgende. Bij voorbaat mijn dank.

Niet weinig heb ik mij verbaasd over uw antwoord in «de Waarheidsvriend* van 26 Juni j.l. op het ingezonden stuk van den heer J. C. v. d. Zeeuw.

Het waren inzonderheid de volgende woorden, die mij troffen:

"Mag een Remonstrant, een Doopsgezinde, een Luthersche, een van de Chr. Geref. Kerk of wie ook, te B.'woonachtig, te B. toelating vragen tot het doen van Belijdenis in de Herv. Kerk?

Immers ja!

En dus ook te Tiel.

En wat heeft de Kerkeraad van B. dan te doen ? Naar art. 40 Regl. Godsd. Onderwijs zal er een bewijs van goed zedelijk gedrag moeten worden gegeven. Is dat gedrag zóo geweest, dat men geen gegronde aanmerkingen kaïi maken? Wij hebben gehoord van ja.«

Dus, naar uw gevoelen moet de Kerkeraad aan een ieder, die onder zijn ressort woonachtig is, een bewijs van goed zedelijk gedrag afgeven — aangenomen dat hiertegen geen bezwaren zijn, d.w.z. het leven burgerlijk fatsoenlijk is — zoo genoemde persoon elders belijdenis wenscht te doen, of, m. a. w.;

het kerkelijk opzicht, uitgaande van den Kerkeraad, strekt zich uit tot alle personen, in de gemeente woonachtig.

Ware dit zoo, dan zou de Kerkeraad, om met den heer v. d. Zeeuw te spreken, niet alleen op de kerkelijke, maar ook op de geheele burgerlijke gemeente toezicht hebben te houden.

Aan de hand van ons kerkelijk wetboek kom ik echter tot een geheel andere conclusie.

Art. 3 van het regiem, voor kerkel.'opzicht en tucht 1ste al. luidt:

"Het kerkelijk opzicht strekt zich uit tot allen, die volgens art. 2 van het Algemeen Reglement, door belijdenis, doop, geboorte als anderszins tot de Nederlandsche Hervormde Kerk behooren."

En in art. 2 van het algem. regiem, staat:

"Tot elke bijzondere gemeente behooren:

die op belijdenis des geloofs tot lidmaten zijn aangenomen;

die voor alsnog alleen door den doop in hare gemeenschap is ingelijfd;

die door geboorte uit Hervormde ouders, of door overgang hunner ouders tot de Hervormde Kerk, gerekend worden tot een bijzondere gemeente in betrekking te staan;

; die in eenige Evangelische gemeente, hetzij hier te lande, hetzij elders, zijn erkend als behoorende tot de Hervormde Kerk en van hunnen doop of hun belijdenis door behoorlijke bewijzen hebben doen blijken.«

Op grond hiervan meen ik, dat een Kerkeraad volstrekt niet verplicht is aan een Remonstrant, een Doopsgezinde, een Luthersche, een van de Chr. Geref. Kerk of wie ook, onder zijn ressort woonachtig, een bewijs van goed zedelijk gedrag uit te reiken, om de eenvoudige reden dat het kerkelijke opzicht, van den Kerkeraad uitgaande, zich tot zulke personen niet uitstrekt.

U dankend voor de verleende plaatsruimte, noem ik niij, Hoogachtend, Uw Dw.

G. VAN MONTFRANS, N. H.Predt. Bruchem.

Onderschrift van den Hoofdredacteur:

Onze geachte collega-Inzender verwart twee dingen: de taak des Kerkeraads om opzicht en tucht te oefenen over de leden der Gemeente — en — wat geheel iets Anders is — de verplichting en de bevoegdheid des kerkeraads om naar het burgerlijk-zedelijk leven te informeeren van iemand die tot de Herv. Kerk wil overkomen.

Doordat de Kerkeraad tot het laatste geroepen is is hij nog volstrekt niet geroepen over ieder Remonstrant, Luthersche, Jood en heiden saim, opzicht en tucht te oefenen.

't Een heeft niets met het ander te maken.

Als de Kerkeraad naar het burgerlijk-zedelijk leven van een Remonstrant, die tot de Herv. Kerk wenscht over te komen, op betamelijke wijze een onderzoek instelt bewijst dit volstrekt niet. dat de leden van de Remonstrantsche Gemeente onder opzicht en tucht staan van den Herv. Kerkeraad ter plaatse.

Men voelt dit dadelijk.

Daarom moeten de dingen ook eenvoudig genomen worden zooals ze zijn en men moet er niet wat van maken.

De kwestie is eenvoudige deze:

8 Febr. 1913 kwam van den Kerkeraad van Tiel het verzoek bij den Kerkeraad van Bennekom, onder verwijzing naar art. 40 van het Regl. op het Godsd. onderwijs, om een getuigschrift van goed zedelijk gedrag voor twee personen beiden wonende te Bennekom, opdat te Tiel tot hunne aanneming en bevestiging zou kunnen worden overgegaan.

Was er nu aangaande het burgerlijk-zedelijk leven iets ongunstigs te zeggen?

De Kerkeraad van Bennekom antwoordde 14 Febr. 1913 dat hij bedoelde personen niet kende, dat ze nooit de godsd. oefeningen bezochten, dat ze ook niet ter catechisatie waren geweest bij den predikant van Bennekom.

Nu — dat laatste wist de Kerkeraad van Tiel ook wel. Daarom waren bedoelde jongelui juist naar Tiel gegaan en hadden zij zich niet aangemeld bij den Kerkeraad van Bennekom. Van de geref. waarheid zijn ze natuurlijk niet gediend.

Maar daar heeft Tiel's Kerkeraad maling aan.

Art. 40 Regl. Godsd. geeft aan Tiels Kerkeraad recht om het, wat de belijdenis betreft, zélf af te maken met zulke jonge menschen; daarvoor heeft men te Tiel het oordeel van Bennekom niet noodig.

En elk oordeel van B. daaromtrent wordt dan ook natuurlijk voor kennisgeving aangenomen en naast andere dingen neergelegd. Evengoed als Bennekom er zich weinig van zou aantrekken wanneer Tiels Kerkeraad getuigde van menschen uit Tiel, die te B. belijdenis wilden doen: »ze komen nooit onder de moderne prediking alhier.

Dat zou Bennekoms Kerkeraad heel natuurlijk vinden.

Maar wat Tiel wel noodig heeft is een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, afgegeven door den Kerkeraad van Bennekom; waarom dan ook om zulk een bewijs of getuigenis is gevraagd,

Want valt er wat te getuigen?  hun burgerlijk zedelijk leven dan kunnen ze zoo maar niet worden aangenomen.

En wat heeft Bennekom's Kerkeraad nu gedaan ? Hij heeft bericht, dat hij zulk een getuigschrift niet geven kon,

Waarom niet?

Omdat Bennekoms Kerkeraad bedoelde jongelui niet genoegzaam kende.

Nu — dat moet Bennekom weten.

Er was een getuigschrift aangaande het burgerlijk zedelijk leven gevraagd; een bewijs aangaande hun goed leven kregen ze niet; een bewijs van slecht leven kregen ze ook niet; aanmerking op hun burgerlijk-zedelijk leven werd niet gemaakt; bezwaren aangaande hun levenswijze niet ingebracht.

Welnu — wat zegt dan art. 40 Regl. Godsd. onderwijs?

Dat Bennekoms Kerkeraad niet gedwongen kon worden om het af te geven. Dat Tiels Kerkeraad, wanneer er geen bezwaren aangaande hun burgerlijkzedelijk leven worden ingebracht, 4 weken wachten moet met de aanneming en din, nd 4 weken wachten, kan voortgaan.

En alzóo is geschied.

Bennekom heeft geen bezwaren ingebracht aangaande hun burgerlijk-zedelijk leven.

Tiel heeft geen bezwaren godsdienstige overtuiging. gehad aangaande hun

Ieder heeft voor 't zijne gezorgd.

En alzoo moet worden ingeschreven — wanneer Tiel tenminste heeft voldaan aan art. 39 Regl. Godsd. onderwijs.

Dat had Bennekom bij het Class. Bestuur van Arnhem kunnen onderzoeken.

En wanneer in Tiel de vragen gesteld zijn in art. 39 — gelijk geschied is — dan moet Bennekom die jonge menschen, die men overigens niet zegt te kennen, op grond van hun in 't publiek uitgesproken belijdenis — naar art. 39 Regl. Godsd.inschrijven.

Ieder voelt toch wel, dat Bennekom geen twee moderne menschen, die geheel volgens de Regl. handelen en in 't publiek een christelijke belijdenis afleggen, zeggende: ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, en in den H. Geest — daarbij uitsprekende des zins en des willens te zijn door Gods genade bij deze belijdenis te zullen volharden, ieder voelt toch wel, dat een Kerkeraad zulke jonge menschen, tegen wier burgerlijk-zedelijk leven men geen bezwaren inbracht, niet kan en niet mag weigeren in te schrijven.

Waarbij het dan aan Bennekoms kerkeraad staat om met beleid en naar den aard der liefde deze jonge menschen, als ze ingeschreven zijn en als ze onder opzicht en tucht gekoipen zijn, te bezoeken, te leiden, te vermanen — zoo noodig te straiffen en te tuchtigen. .

Neen — als de dwaal-en leugehlèer zóó gemakkelijk te weeren was uit onze Herv. Kerk als Bennekoms Kerkeraad zich blijkbaar voorgesteld had, dè.n was de ellende van onze Kerk zoo groot niet; dan waren de dingen ook niet zoo samengesteld als ze nu zijn; dan was het herstel van onze aloude Geref. Kerk nog wel te verkrijgen.

Maar de ellende is véél grooter dan men zich vaakvoorstelt; de breuk gaat veel dieper; de weg tot ontkoming is veel moeilijker, mede hierom, omdat de gereformeerden in de Herv. Kerk het dikwijls beneden hun waardigheid achten om over deze en dergelijke dingen met elkander te spreken en over deze dingen te beraadslagen.

Dat is te weinig geestelijk, zegt men.

En als dan de nood aan den man komt, dan meent men maar te kunnen doen wat men goed vindt.

En dat is dan het non plus ultra van getrouwheid; dat is dan de hoogste wijsheid; en wanneer men dat niet goed vindt dan wordt men aangezien voor...

Och, dat de Heere eens gave, dat er meer ernst gemaakt werd met den toestand van onze Herv. Kerk in het algemeen onder de gereformeerden, dat de staf saambinding en lieflijkheid eens onder ons gevonden mocht worden. En wanneer we door den nood gedreven tot elkander werden gebracht, om saam door Gods Geest tot den Heere te worden uitgedreven om onze wegen nauw te onderzoeken, dan zouden we het kruis en de straf  anders leeren dragen en we zouden anders naar den weg der verlossing zoeken.

't Opmerkelijke in deze is dat menschen die den Geref. Bond steeds beliefden uit te schelden voor een Bond die een 2de doleantie voorbereidde nu, als God het niet verhoedt, zelf in een weg gaan wandelen die tot een 2de doleantie leidt.

Want die zélf, zonder overleg, op een gegeven oogenblik zoo maar ingrijpt tegenover 3 jonge menschen, geheel tegen de Regl. in, en overigens tegenover honderde moderne predikanten en lidmaten de zaak maar blauw blauw wil laten, die mott natuurlijk in de grootste moeilijkheden komen.

Of wat zegt een wijs man, als de dakgoot scheef trekt en de scheuren in de muur bewijzen dat het fundament verzakt?

Prijst zoo iemand dan den eigenaar, die om het fundament zich niet bekommert, de scheuten in de muur stopt en den goot recht laat zetten?

Immers neen!

En neen, dan moet men niet zeggen: is het recht zetten van een goot dan niet noodig? Ook niet: is het heelen van scheuren niet goed?

Want ook — dat is best.

Dat is zorgzaam en goed.

Maar wanneer iemand dan zegt: zóo wordt het huis niet hersteld, er is méér noodig, het fundament moet aangepakt worden om dkt te herstellen — ziet, dat is toch waar gesproken dan?

En zóo zouden we ook willen ten opzichte van ons kerkelijk leven.

Laat de zaak breeder en dieper aangepakt worden dan te B.

Heel de' opzet van onze Herv. Kerk; heel de Bestuursorganisatie; héél de regeling in de Reglementen moet veranderd worden, en daar is allereerst voor noodig, dat allen die de waarheid lief hebben bij elkaar gebracht worden om zich saam te zetten, onder de genadige hulpe Gods tot verandering van heel het stel van Reglementen — en verandering van heel de Bestuursorganisatie.

Dat moet ons, om 's Heeren wil en om de wille onzer Kerk, niet te min zijn.

De Heere geve verwakkering onder de broederen en schenke wijsheid en genade om op de erve onier Vaderen saam op te komen voor de waarheid die naar de Schrift is.

Geachte Redactie!

Met groote belangstelling heb ik kennis genomen van hetgeen in no. 27 van uw blad door u over de zaak "Bennekom" werd geschreven.

Het is niet om mijn instemming te betuigen met uw oordeel over de wijze van handelen van Bennekom's kerkeraad, dat ik thans eenige plaatsruimte in uw blad als getrouw lezer kom vragen; nog minder om aan dat oordeel te tornen en een andere ziens wijze daartegenover te stellen.

Naar het mij voorkomt, is juist dè leering, die uit deze kwestie tot ons komt, veelzins naar den achtergrond verschoven, doordat de meeste bladen uitsluitend op de handelwijze van Bennekom's kerkeraad hebben gezien en zich hebben afgevraagd: »is deze handelwijze goed te keuren of niet ? "

Hierdoor wordt de zaak vertroebeld. Het is van veel grooter gewicht om eens nauwkeurig de wijze, waarop de Kerk deze zaak behandelt, te bezien dan zich te verliezen in de beoordeeling van het optreden van een enkelen kerkeraad.

Immers ontmoeten wij in den eersten weg een zondig optreden, dan krijgen wij met de zonde der Kerk d.i. met onze zonde të doen, met een zonde, die ons allen raakt en ons wel ter harte mag gaan, terwijl we in het laatste geval, zoo we niet accoord gaan met de handelwijze van Bennekom's kerkeraad, noodzakelijk moeten vervallen tot een veroordeeling, wier betrekkelijk nut alleen daarin bestaat, dat we ons rekenschap geven, hoe wij in een dergelijke zaak gemeend zouden hebben te moeten handelen.

Het verblijdde mij daarom dat in het laatste gedeelte van uw stuk ernstig de nadruk wierd gelegd op den treurigen toestand onzer Kerk die uit deze kwestie bij vernieuwing tot openbaring komt. Ik zou dit laatste slechts willen aanvullen door een korte aanwijzing in welken zin wij hier de zonde der Kerk ontmoeten.

Geheel afgezien toch van de vraag of in Bennekom gehandeld is gelijk er behoorde gehandeld te worden, staan we hier voor het feit, dat een kerkeraad geweigerd heeft de in een andere moderne Gemeente aangenomen en bevestigde lidmaten in zijn lidmatenboeken in te schrijven op grond daarvan dat hij meende dit niet te kunnen verantwoorden voor God en zijn conscientie.

We hebben hier dus met een weigering uit conscientie-bezwaren te doen en nu mag toch zeker in de ie plaats wel van een Kerk gevraagd worden (en dat van een Hervormde Kerk), dat ze het gewicht van een conscientie-bezwaar verstaat en een conscientiebezwaar ook als conscientie-bezwaar behandelt en niet als eenvoudig moedwillige overtreding van een reglement of als een opzettelijke verwaarloozing van zijn plicht.

Jaren geleden (ik meen, dat het in de dagen van de veepest was) weigerde een Christen in de Alblasserwaard om de verordeningen na te komen, die van overheidswege op het afmaken van het vee gegeven waren. Natuurlijk werd deze zaak voor den rechter gebracht en men verwachtte niet anders of zware boeten zoo niet gevangenisstraf zouden den schuldige treffen. Dat men hier echter niet met een eenvoudig moedwillige overtreding had te doen, bleek duidelijk en klaar toen deze Christen op de vraag van den rechter, wat hem tot zulk een schending van de verordeningen gedreven had, antwoordde: »omdat ik het niet verantwoorden kon voor God en mijn conscientie".

Wat bijna niemand verwacht had, gebeurde toen; een duidelijk bewijs, dat de rechterlijke macht gevoeld heeft dat het gewicht-van een conscientie-bezwaar zoo groot is, dat ze liever het conscientie-bezwaar wilde eerbiedigen en vrijspreken dan deze zaak als een eenvoudige overtreding der wet te moeten behandelen.

Wat echter de rechterlijke macht toen heeft ingezien, daarvan draagt helaas de Kerk, die zich beroemt op haar martelaren, die liever den dood wilden ingaan dan tegen hun conscientie in te handelen, in onze dagen geen besef om, getuige Bennekom's zaak.

Hiermede wil ik volstrekt niet gezegd hebben, dat de Kerk, zoodra iemand beweert uit conscientie-bezwaar haar verordeningen niet te kunnen nakomen, alles maar blauw-blauw moet laten; dat zou zeker de grootste willekeur in de hand werken; de Kerk heeft gewis het recht een conscientie-bezwaar in haar midden te behandelen mdar — ze doe het dan ook gelijk een conscientie-bezwaar behandeld moet worden, doende blijken, dat ze het gewicht daarvan verstaat.

M. i. kan dit alleen geschieden, doordat de Kerk als Kerk d.i. in haar wettige kerkelijke vergaderingen ernstig onderzoek doe of de aangevoerde conscientiebezwaren gegrond zijn en hoe zou dit anders kunnen geschieden dan door ze de toets der Schriften aan te leggen? Een bezwaar, dat niet op de Schrift gegrond is, is een vermeend bezwaar en nu kan men zulk een bezwaar, omdat het ter goeder trouw wordt aangevoerd, in zekeren zin eerbiedigen, maar het zou dwaasheid zijn, indien de Kerk om der wille daarvan de wettige orde binnen haar gebied liet verbreken. Is een conscientie-bezwaar echter wel op het Woord des Heeren gegrond, wee dan de Kerk, die hen, die getrouw wenschen te blijven aan hunnen Hoogsten Wetgever veroordeelt, om haar eigen menschelijke inzettingen en verordeningen te kunnen handhaven.

Heeft de Kerk dit laatste thans gedaan in de zaak «Bennekom ? " Dat zou ik niet willen zeggen, omdat ik niet wénsch uit te maken of de conscientie-bezwaren van genoemden kerkeraad gegrond zijn of niet; maar duidelijk staat mij voor oogen, dat dit de zonde der Kerk is, dat hij, die tot taak en roeping heeft dat te doen, dat niet doet en dat dit hare groote ellende vermeerdert, dat ze dat onder de huidige organisatie ook niet doen kan.

Is er iemand, die conscientie bezwaren heeft gelijk thans de kerkeraad van Bennekom, niet om in het algemeen de verordeningen der Kerk op te volgen maar om ze in een bepaald geval toe te passen, daar hij oordeelt in dat bepaalde geval in strijd te komen met Gods wil, de Kerk antwoordt daarop feitelijk niets anders dan: of gij door de toepassing van dit artikel van dit reglement in dit bepaalde geval in strijd komt met Gods wil, daar bekommer ik mij niet om; dat gaat mij niet aan, gij moogt toezien; ik, eisch eenvoudig, dat ge onvoorwaardelijk mijn verordeningen opvolgt.

Hiermede leg ik geen blaam op de besturen, die in deze zaak uitspraak hebben moeten doen; misschien hebben ze als bestuur niet anders kunnen handelen, al hadden ze als bestuursleden een andere behandeling gewild;

maar wel wordt hierdoor de zonde onzer Kerk aan den dag gebracht, wel wordt hieruit openbaar de vloek harer huidige organisatie, doordat de Schrift niet meer geldt als rechter in alle geschillen en de Kerk haar wettige vergaderingen niet meer heeft om daar voor het Woord des Heeren te buigen en haar weg naar dat Woord te richten.

De zaak »Bennekom" en haar behandeling heeft menigmaal met droefheid mijn hart vervuld en alleen dit bemoedigde mij bij alles wat ontmoedigt: de hoop, dat het God in zijn genade moge behagen om door deze kwestie meerderen de oogen te openen voor de zonde en schuld, die wij dagelijks in kerkelijken weg meerder maken, voor de noodzakelijkheid eener reorganisatie waarbij wij ons in onze kerkelijke vergaderingen weer stellen ONDER het Woord, i. a. w. voor de noodzakelijkheid om ons oprechtelijk en van ganscher harte te bekeeren tot God, van wien wij zoo diep zijn afgeweken.

U, hooggeachte Redactie, , dankzeggend voor de verleende plaatruimte.

Mijdrecht. J. G. WOELDERINK.

Onderschrift van den Hoofdredacteur-,

Na 't geen we schreven bij het voorgaande Ingezonden stuk kunnen we kort zijn.

Om der conscientie wil moeten we niet kunnen dulden, dat er bij a.s. predikanten en a.s. lidmaten geen ernst gemaakt wordt in zake de belijdenis dat in heel onze Kerk, door de ongelukkige Besturenorganisatie, gespeeld wordt met de waarheid, die naar de Schrift is.

Daar moeten we tegen op komen; saêm en gestadig; ernstig en geduriglijk.

En zeker in het geval Bennekom kan in de hand Gods daartoe medewerken ten goede. Want wat blijkt alweer zonneklaar, dat men zich bekommert over het treurige feit, dat de Christus geloochend wordt; iets, wat week aan week, — zelfs op de Haagsche Vergadering — geschiedt. Dan wordt men niet geschorst, ook al gebeurt die loochening ïn 't publiek. Maar als men een artikeltje van een reglementje durft tegenspreken, dan wordt men aangepakt.

En zeker — alles mag niet toegelaten worden, 't Zou de grootste verwarring geven.

Maar om de hoofdzaak te veronachtzamen en de bijzaken op te blazen, ziet, dat is toch iets dat veroordeeld moet worden. Dat wijst aan dat onze Kerk krank is; dat de toestanden rot zijn; dat, als er geen verandering komt, onze Herv. Kerk spoedig niet meer als Kerk bestaan zal.

Zoo als het nu is kan en mag het niet langer gaan. En daarom ja — de Heere geve, dat er meer samenbinding mag komen onder degenen die de waarheid liefhebben en krachtiger mag worden getuigd tegen de zonde van onze Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's