De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

14 minuten leestijd

In de Nederlandsche Kerkbode van 11 Juli j.l. vonden we het volgende artikel van de hand van Dr. Slotemaker de Bruine over:

Geest en hoofdzaak.

Wij hebben in het vorig nummer bezwaren ingebracht tegen de voorstellen der zestig. Het voorstel tot aanvulling van de derde belijdenisvraag zuiver anarchistisch; wij kunnen ons moeilijk voorstellen, dat dit zal worden ontkend. Het aandringen op verandering van de formule kan in dezelfde richting werken; immers een revolutionnaire stemming kweeken; en wij hebben reeds onze verbazing geuit, dat men met 1886 voor oogen niet liever alle krachten aanwendt op het eigenlijke diepste middel tot kerkherstel. Maar dit laatste oordeel werd door ons gemotiveerd met een beroep op de historie: de formule heeft nooit de toestanden veranderd.

Hieruit volgt reeds, dat een ander oordeel over formule-verandering ons noodig schijnt, wanneer wel Verandering van toestanden mag worden verwacht. Deze treedt dan niet in door de formule op zichzelf; maar de gansche geestelijke atmosfeer is dan van dien aard, dat een formule-wijziging het element vormt, waardoor eene reeds lang werkende gisting haar beslag krijgt. Het is niet onmogelijk, dat in het breede voorstel der zestig één stuk is, waarvan dit geldt; namelijk het gedeelte, dat de bepaling inzake »geest en hoofdzaak» wil doen vervallen uit art. 39. Hoe men iets verwachten kan van een verwijzing in art. 27 Examen en art. 19 Godsdienstonderwijs naar de Belijdenisschriften, is ons een raadsel; wat ingevoegd zou worden, spreekt vanzelf, staat in art. 11 Alg. Regl., voegt geen enkel nieuw element in en heeft in vroegere jaren het optreden van niet-gewenschte richtingen absoluut niet verhinderd. Maar met art. 39 staat het anders: hier zou de wijziging een nieuw getuigenis van de kerk beduiden-en er zijn aanwijzingen, dat het weglaten van de woorden "geest en hoofdzaak» in onzen tijd wel effect sorteeren zou.

Bovendien is in dit geval het anarchisme aan de zijde van het bestaande, niet van het nieuw voorgestelde. Voor en na blijkt, hoe weinig ernstig door predikanten en kerkeraden van die formule wordt gebruik gemaakt. Het is thans niet mogelijk, zelfs niet om bij benadering vast te stellen, waarop de lidmaten onzer kerk »ja« hebben gezegd. En dat moest kunnen vaststaan. Het is reeds kerkrechterlijk onmisbaar; want een kerk, die na een bepaalde handeling rechten of plichten geeft, moet in rechten omtrent de verrichte handeling zekerheid kunnen verkrijgen. Het is als getuigenis van de kerk noodzakelijk; want zij mag niet toelaten, dat in heilige uren de willekeur regeert. Het hier heerschend anarchisme is geen gevolg van art. 39 op zichzelf, maar van het gebruik, dat van de woorden »geest en hoofdzaak» is gemaakt. Nu schijnt het onze eisch, dat deze woorden vervallen; en wel om dezelfde redenen, waarom wij de overige deelen van het voorstel der zestig niet steunen.

In theorie laat zich nog een andere weg wijzen. Hier en daar is er actie tusschen kerkeraad en classicaal bestuur over deze woorden; welnu, laat de procedure worden voortgezet tot in hoogsten instantie en zoo algemeen-kerkelijk worden uitgemaakt. Wanneer in gestelde vragen nog de geest en de hoofdzaak van de voorgeschreven vragen behouden gebleven zijn! Maar dit is louter theorie. De 'uitspraak zou negatief zijn, enkel zeggen, wat niet of niet meer geest en hoofdzaak is; zij zou bovendien bij iedere verandering, door een predikant of kerkeraad aangebracht, opnieuw moeten worden vastgesteld.

Daarom is de weg van het vervallen der woorden beter.

En tegen het vervallen schijnt maar één argument in te brengen; dit namelijk, dat op deze wijze een "ongeestelijken dwang* geoefend wordt. Maar den inhoud van dat argument verstaan wij niet. Met de woorden ïgeest en hoofdzaak» is toch iets bedoeld? Zij hebben toch een beteekenis? Zij stellen toch een grens. Zoo neen, dan geven zij een onwaardig woordenspel; zoo ja, dan oefenen zij thans ook reeds een «ongeestelijke dwang.» Maar thans in volkomen individualisme, willekeur en anarchisme. Dan is de tijd gekomen, om aan deze ongewenschte verschijnselen een einde te maken door bedoeling, beteekenis en grens óf duidelijk aan te wijzen óf buiten kwestie te stellen. Het laatste, de betere weg, wordt verkregen door het vervallen van genoemde woorden.

Als men nu echter maar niet meent, dat hiermede de zaak in orde is! Het kerkelijk en geestelijk leven is zoo gecompliceerd, dat men bij iedere eenvoudige oplossing al van te voren zeggen kan, dat zij juist om haar eenvoud onvoldoende is. En wij willen niet zelf vervallen in de fout, waarin wij de vorige maal anderen zagen vallen: een revolutionairen geest in de gemeente aankweeken door het onophoudelijk aandringen op eenvoudige middelen; een revolutionaire geest, omdat reeds bij de aanvankelijke aanwending der middelen zal blijken èn dat ze eigenlijk niet eenvoudig zijn èn dat ze zoo weinig wezenlijk baten; waarna dan velen het geduld verliezen en de consequentie trekkend uit de voorlichtingen van de zelf-niet-consequentie leiders komen tot daden van geweld.

Juist met art. 39 laat zich dat duidelijk aantoonen. Stel, dat de zinsnede over ïgeest en hoofdzaak» is vervallen... wat dan ? Waarschijnlijk zullen enkele vrijzinnige predikanten dan' tot andere kerken overgaan en waarschijnlijk zal de toevloed van vrijzinnige candidaten zeer verminderen. Er zijn althans uitingen in de pers geweest, die daarop wijzen; en daaraan dachten wij, toen wij boven spraken over een mogelijk effect sorteeren. Natuurlijk zouden wij ons over dezen gang van zaken verheugen. Maar nu zijn wij er nog niet! Niet alle predikanten, die thans afwijken van de letter der vragen, zullen heengaan; wat doen zij voortaan? Toch van de vragen afwijken is dan zeker anarchisme. De vragen stellen en er iets anders mede bedoelen is huichelen. De aannemelingen vooruit zeggen, dat zij de vragen niet zoo letterlijk moeten nemen, is spelen met het heilige. Wat dan? Men zal zeggen, dat wie bezwaren heeft, moet heengaan. Maar ten eerste doen dat degenen, die tegen het inschrijven van lidmaten bezwaar hebben, zelf ook niet. Ten tweede stelt men velen dan voor eene keuze tusschen hun levensonderhoud en hun geweten. Ten derde: deze mannen hebben hun ambt aanvaard, toen de soepele bewoordingen van art. 39 golden; het is. ongeoorloofd, tijdens hun diensttijd de voorwaarden voor hun ambtsvervulling zonder hun goedvinden te vermeerderen met een element van de allergrootste principieele beteekenis.

Een overgangsbepaling is onmisbaar. Zelfs toen het een kwestie van f 5.— per jaar gold bij de Synodale Weduwenbeurs heeft men dit gedaan en hun, die vóór 1888 waren in dienst getreden het recht gegeven minder te betalen dan anderen. Zal het in een gewetenszaak niet veel meer noodig zijn? Laat in art. 39 al. I de besproken clausule worden weggenomen.

Maar laat in een slotalinea worden bepaald: Wanneer de in al. i bedoelde godsdienstoefening geleid wordt door een predikant, die voor 15 Jan. 1916 in dienst getreden is, dan mogen de vragen ter beantwoording worden voorgesteld, althans wat betreft den geesten de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte». Langs dezen weg ware verkregen, dat de kerk zich duidelijk en ondubbelzinnig uitspreekt, wat inderdaad van groot gewicht is. En zij zou tegelijk rekenen met verkregen rechten, niemand voor een gewetensgeval stellen, dat hij bij de aanvaarding van zijn ambt niet kende en niet kon voorzien.

Practisch zou daardoor niet aanstonds veel veranderen. Inderdaad. Maar wie meent, dat wij langs normale wegen anders dan behoedzaam en uiterst langzaam tot nieuwe toestanden zullen komen, die heeft van den ernst onzer kerkelijke vragen geen besef.

Op den laatstgehouden Theol. Schooldag te Kampen heeft Prof. Dr. Honig gesproken over

Synthese

welk kort woord van inleiding op den Jaardag wij hier gaarne overnemen.

Z. H. Gel. sprak dan:

In den allerjongsten tijd greep eene gebeurtenis plaats, die met groote droefheid veler en ook mijn hart vervult.

Zoodra de Ethische richting hier te lande geïmporteerd was en zij in Chanthepie de la Saussaye haren hoogst begaafden woordvoerder gevonden had — vertoonde zij het kenmerk, dat zij zeker ook de Groningers en Modernen bestreed, maar toch hare scherpste pijlen richtte op de nachtschool, inzonderheid op hen, die de oude Gereformeerde waarheid voorstonden. Hoezeer dit nu echter het geval was, toch was de Ethische richting zich destijds nog levendig bewust van de diepe klove tusschen haar en tusschen degenen, die, onder welke benaming ook, weigerden in Jezus te aanbidden den Zone Gods en den Zaligmaker der wereld. Trouwens ieder, die de historie dier dagen ook maar eenigszins kent, weet, hoe laatdunkend de verwerpers van de Godheid van Christus op de pleitbezorgers der Vermittelungs-theologie neerzagen. Beets zelfs schreef dit krasse woord: »Naar de gewone opvatting zijn de fijnen even zulke gevaarlijke voorwerpen in den staat, als zij slechte en twistgierige leden der gemeente zijn. Liefdeloosheid, hoogmoed, vervolgzucht, schijnheiligheid en trouweloosheid, behooren tot de min of meer vaste trekken van hun karakter. Wat het intellectueele aangaat: het zou met sommigen wel gaan, indien niet bekrompenheid, vooroordeel, dweeperij en een hardnekkige vijandschap tégen al wat nieuw, tegen al wat ontwikkeling, tegen al wat vooruitgang heet, 'alles bedierf". Van niet-orthodoxe zijde was men dus aanvankelijk voor den vriendelijken toon, waarmede de Ethische richting haar bestreed, weinig gevoelig. Zelfs moest dezelfde Beets klagen, dat hij en de zijnen min of meer bij de zoodanigen werden vergeleken, »die door hondsdolheid zijn aangetast", i)

Langzamerhand is echter de verhouding eene andere geworden. Naar mate de Gereformeerde belijdenis meer ingang vond in ons vaderland, en naar mate op politiek terrein de macht van het Liberalisme meer beteugeld werd, naar diezelfde mate is helaas de toenadering tusschen de z.g. links-Ethischen en de loochenaars van de Vleeschwording des Woords, grooter geworden.

Reeds jaren achtereen hebben vele Ethischen hun stem uitgebracht op de candidaten van de liberale partij. Eveneens dreven vele Ethischen met de Modernen den spot met hen, die zich uit overtuiging stelden tegen de Schriftkritiek. Op eene enkele plaats vereenigden Ethischen en Modernen zich bij de stemming voor het kerkelijk kiescollege, om zoodoende eene overwinning van de Gereformeerden te voorkomen. En onder dat alles werd de toon tegen hen, die vasthouden aan den Bijbel en al hun heil verwachten van het bloed der verzoening, steeds bitser, en de toon tegen de modernen — die voor een niet gering deel (zoo beweert men) wel met hun ongeloof zouden breken, als de belijders van den Christus slechts andere en betere menschen waren—steeds vriendelijker.

Welnu de consequentie uit dit alles is in de laatste maanden getrokken. Onder den titel «Synthese" zullen verschijnen eene reeks van geschriften, waarin Ethischen en Modernen zullen bepleiten, dat zij bij alle verschil aan de oppervlakte toch in de diepte het met elkander eens zijn.

Ziet hier het verschijnsel, door mij zoo even bedoeld, en immers niet ten onrechteals diep bedroevend gekenschetst.

Waar ik als Rector van de Theol. School thans geen referaat houd, maar op verzoek van de Commissie van den Schooldag slechts een inleidend woord spreek, daar ontbreekt mij uiteraard de tijd, om ook maar eenigszins op deze jammerlijke gebeurtenis in te gaan.

Ook na hetgeen hierover reeds in onze bladen geschreven is — wek ik echter met name u, geachte broeders Dienaren des Goddelijken Woords, op (voorzoover gij het nog niet hebt gedaan) met aandacht te lezen de brochure "Synthese" van de hand van Dr. A. J. de Sopper. Het is voor wie de Ethische richting nauwkeurig in haar uitgangspunt en in hare consequentie wil leeren kennen, een onmisbaar geschrift.

En nu meene niemand, dat ik zooeven overdreef dat ik zeide, dat in deze brochurenreeks Ethischen en Modernen hunne diepere eenheid in het licht zullen stellen.

Rondweg spreekt Dr. de Sopper uit, dat wel ieder schrijver het recht heeft op dit of dat punt het met hem oneens te zijn, maar dat «Synthese toch geen vrije tribune is". »0p »Pro" en "Contra" zullen de lezers niet vergast worden, " Ook is 'n eclectisch agglomeraat het ideaal niet, evenmin als 'n richting van »geen richting". En heel de strekking van zijn betoog is, om aan te toonen, dat aan Modernen en Ethischen gemeen is «het leven met God, " en dat dit leven «de grond der gemeenschap" tusschen hen vormt.

Het is waar zoowel in de brochure van Dr. de Sopper als in het prospectus leest gij deze verklaring (blz. 72): »Het zal daarbij van overwegend belang zijn, dat er samenwerking kome tusschen allen, die beseffen, dat de moderne cultuur alleen hierom den mensch te machtig is geworden, omdat hem de ware levensbodem aan de voeten ontzonken is; die in gebrek aan religie den groeten nood van den tijd hebben herkend; die overtuigd zijn, dat alleen het Christendom de religie is, waarin ons geslacht bevrediging kan vinden; die van de herleving van het Christendom als levensmacht de verjonging onzer cultuur verwachten; die verzekerd zijn, dat het Christendom niet verouderd is, doch nog onvermoede toekomstmogelijkheden in zich bergt; die niet meer vragen: ; Zijn wij nog Christenen ? maar zijn wij reeds Christenen ?"

Deze verklaring mag u echter niet misleiden. Want ! het hier bedoelde Christendom is zoo vaag, dat het  m. i. op dien naam in historischen (en wat nog zooveel ; meer zegt!) in schriftuurlijken zin geen aanspraak kan maken.

Niet eenig mensch maar onze Zaligmaker zelf heeft gezegd: Die in den Zoon gelooft die heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem, "

Joh. 3 : 36. En toch zegt Dr. de Sopper, dat men Christen zijn kan, ook al eert men Jezus niet als den Zone Gods, als den Heer, als het vleeschgeworden Woord. En natuurlijk wordt door hem geheel gezwegen van dit Evangelie (waaraan duizenden verbroken harten zich hebben opgericht): et bloed van Jezus Christus, den Zone Gods, reinigt van alle zonden.

Nu ben ik niet "nauw in mijne ingewanden.» Warm klopt mijn hart voor de katholiciteit der Christelijke Kerk. Maar zulk een Christendom, waaraan alle pit ontnomen is, kan ik — daarvoor heb ik mijn Heiland te lief en daarvoor heb ik voor den Bijbel te veel eerbied — geen Christendom noemen.

Ziet hier nu waartoe geleid heeft:

1e. het breken met de Gereformeerde belijdenis;

2e. het huldigen van de dwaling, dat de inspiratie niet een eigenschap van den Bijbel als boek maar alleen van de profeten en apostelen is;

3e. het aanvaarden van de methode en de resultaten der Schriftkritiek;

4e. het verwerpen van de aloude belijdenis omtrent den Persoon en het werk van den Middelaar;

5e. het subjectieve standpunt in de Dogmatiek, dat niet in God maar in den godsdienst het object der Theologie zoekt;

6e. het zich te zeer vervreemden van de Gereformeerden en het zich te nauw vereenigen met de Modernen;

7e. de afkeer van een kerk, die de belijdenis en de tucht handhaaft;

8e. het tegenstaan van een politiek, die met Groen tegenover de Revolutie het Evangelie stelt;

9e. de (zij het veelzins onbewust) begeerte om ook in het oog der ongeloovigen een wetenschappelijk man te zijn.

10e. Het indragen in de Theologie van bestanddeelen aan de niet-Christelijke wijsbegeerte ontleend.

Een barmhartig God brenge deze linksch-Ethischen die ons van terugvallen in het heidendom beschuldigen van dezen weg terug en beware de rechts-Ethischen voor een dergelijk afglijden!

Hij opene de oogen van vele Ethische gemeenteleden, opdat deze consequentie hen doe opschrikken en tot de belijdenis der vaderen terugkeeren.

Hij doe verstaan, dat deze Synthese onbedoelde wreedheid is tegenover ongeloovigen, aangezien zij zoo bedwelmd worden voor de eeuwigheid.

Hier is geen Christendom maar alleen de ingeschapen Godskennis aan het woord. De Godsdienstigheid in den meest algemeen en zin, als nawerking or.zer schepping naar den beelde Gods.

Danken we op dezen Schooldag onzen God, dat Hij de Gereformeerde Kerken tot bloei bracht, dat Hij de Theol. School, ook tegenover de Ethische richting, straks 60 jaren pal deed staan voor de Geref. Belijdenis, en dat Hij ons ook bij aanvang eene Universiteit op Geref. grondslag schonk. En bidden we van Hem af, dat onze Theol. School steeds getrouwe predikers van het Evangelie aan onze kerken geve!


i) Deze beide citaten van Beets ontleende ik aan Dr. de Sopper, t. a. pi., blz. 17 en 18.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's