Staat en Maatschappij.
Wonderlijke keer.
In een van de laatste nummers schrijft de Javabode over het beleid van den Gouverneur-Generaal Idenburg:
' Kort geleden deelde een inlandsch ambtenaar ons mede, dat de ontwikkelde inlandsche bevolking van Indie hoog tegen den Gouverneur-Generaal Idenburg opziet om zijn geloofsovertuiging en zijn immer doorgevoerd streven, om het goede te betrachtten. Het is bij personen uit de inlandsche maatschappij bekend, dat de landvoogd, in zijn liefde voor de menschheid, de vraagstukken der Indische maatschappij met bedaardheid overwogen heeft, immer gedreven door zijn oprechte neiging om goed te doen. Juist in verband daarmee beweert men nu, dat, wanneer de heer Idenburg tot een krachtdaad overgaat, die voor sommigen onaangenaam is, zoo'n oplossing van een kwestie niet anders dan werkelijk hoogst noodzakelijk moet zijn. Zoo iets, uitgaande van den heer Idenburg wordt als een onvermijdelijk uiterst geval beschouwd, dat niet anders had kunnen zijn en den landvoogd zelf leed doet, maar waaraan een rijpe overweging en rustige beschouwingen voorafgegaan moeten zijn.
Hoewel de Christianiseering tijdens zijn bewind een reactie van verlevendigden Islamijver tot gevolg had, de persoon van den landvoogd heeft bij de Inlandsche bevolking een hooge verhevenheid, welke immer diepen eerbied voor hem heeft doen ontstaan.
Dat moest zelfs de reden geweest zijn, waarom de propaganda voor den Islam in den laatsten tijd gemaakt . is, zonder het fanatieke streven, dat nu - en dan tijdens het bewind van vorige regeerders tot uiting kwam in de door dweepzieke Moslims voorbereide excessen.
Welk een geheel andere toon klinkt uit dit schrijven vergeleken bij hetgeen ten vorigen jare in de vrijzinnige pers over het beleid van den heer Idenburg gezegd werd.
Het was toen schering en inslag dat de politiek van den Gouverneur-Generaal Indië bracht aan den rand van den afgrond.
Wel kunnen de tijden veranderen.
Nadere inlichting gevraagd.
„Wilhelmus" de wekelijksche briefschrijver in de Groninger Kerkbode schrijft over de provincieplaats, waar de kermis tot Zondagnacht 12 uur voortduurt:
Toch is onze Gemeenteraad in naam rechts:2 antirevolutionairen plus 3 R.-Kath. plus 2 Chr. Hist, en daartegenover 4 van Links. Verleden jaar diende de Kerkeraad der Ned. Herv., wij hebben hier twee orthodoxe predikanten, een adres bij den Raad in, tot afschaffing van de kermis. Het voorstel werd verworpen... de twee Chr.-Historischen stemden tegen. Toen deed een der onzen het voorstel, althans de kermis-Zondag te schrappen. En wie stemden er weer tegen? De twee Chr.-Hist. Raadsleden. Eindelijk deed een van die twee heeren het voorstel, om 12 uur Zondag te sluiten. Dat voorstel werd aangenomen. Vroeger werd den geheelen nacht door »feest" gevierd, het gebrul was niet van de lucht. Nu moeten de kramen en spullen en kroegen om 12 uur sluiten.
De reden dezer zonderlinge verhouding wordt door „Wilhelmus" aldus aangegeven:
We hadden hier drie anti-revolutionairen in den Raad, die allen behoorden tot het kleine Gereformeerde Kerkje. Herhaaldelijk was getracht iemand van de «Groote Kerk" te candideeren. Er was echter niemand beschikbaar, hoeveel moeite de anti-revolutionaire kiesvereeniging zich ook gaf. Een nieuw Herv. predikant kwam en vond dat toch onbehoorlijk. Geen enkel lid der vaderlandsche kerk in den Raad! De linksche heeren behooren tot de Remonstranten. Dominee richtte een Chr.-Hist. Kiesvereen. op met enkele leden van zijn kerk. Die kiesvereeniging moest toch iets doen en kandideerde beurtelings heeren, die steeds door liberalen werden gesteund en dan Christelijk-Historisch werden gedoopt. Zij zaten steeds vooraan in de heerensociteit. Dominee had zijn zin. De nieuwe raadsleden waren lid van zijn kerk en kwamen zelfs wel een enkelen keer naar de prediking luisteren ook. De Christelijke coalitie, die. den Raad had omgezet, die telkens had gezegevierd, was haar macht kwijt. Het liberalisme werd weer oppermachtig en zal dit steeds meer worden!
De Nederlander uit welk orgaan wij het bovenstaande uitknippen vraagt — en dit begrijpen wij —of „Wilhelmus" wiens (woonplaats 'als wij het goed hebben Doesburg is) de feiten aldus recht heeft gesteld. Zoo ja, dan keurt het Christelijk-Historisch blad dergelijk half kerkelijk, half politiek gekonkel terecht sterk af. Het Christelijk beginsel laat niet toe zoo te handelen als in den Raad door die Christelijk-Historisch en gebeurde.
Wij begrijpen het dat De Nederlander nadere inlichting vraagt.
Onder het loon.
Het hoofdbestuur van het Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap heeft zich met een adres tot de Koningin gewend, waarin het tegen een door hem genoemden misstand in zake de salarissen van een catagorie onderwijzers aan de bijzondere scholen opkomt.
Deze misstand zou hierin gelegen zijn, dat er onderwijzers zijn, die „onder het loon werken".
Zooals bekend is, bepaalt artikel 59 van de Wet tot regeling van het lager onderwijs, dat aan de besturen der bijzondere lagere scholen een bijdrage in de salarissen der onderwijzers wordt verleend, volgens den zelfden maatstaf als bij artikel 48 aan de gemeente ten behoeve der openbare lagere scholen wordt toegekend.
Nu spreekt artikel 48 behalve van de gewone gevallen, dat de genaeenten voor elken onderwijzer van bijstand aan de openbare lagere school, die volgens artikel 24 der Wet daar noodig zijn, de minima jaarwedden als bijdrage ontvangt, ook nog van het verkenen van bijdragen voor onderwijzers van bijstand, die het wettelijk minimum van onderwijzers overschrijdt. Voor die onderwyzers wordt dan een bijdrage van f260 of f310 uitgekeerd.
Stel dat het aantal kinderen dat een openbare lagere school bezoekt zestig is, dan verleent het Rijk een bijdrage aan de gemeente gelijk staande met de minima-jaarwedden van het hoofd der school en van éen onderderwijzer van bijstand, n.l. het minimum van onderwijzers dat de Wet verplicht stelt, maar verhoogt deze bijdrage nog met f260 voor het geval op die school met 60 kinderen nog een tweede onderwijzer van bijstand werkzaam is.
Naar dezelfde maatstaf als bij de openbare lagere scholen wordt nu ook de bijdrage aan de besturen der bijzondere scholen berekend.
Het schoolbestuur van een bijzondere lagere school met dus ook 60 kinderen ontvangt, zoo aan die school eveneens twee onderwijzers van bijstand werkzaam zijn, de minima-salarissen voor het hoofd en van een der onderwijzers en voorts voor die tweeden onderwijzer het gelijke bedrag van f260.
Er zijn nu aan verschillende bijzondere scholen, en dit is ook inderdaad zoo het geval, onderwijzers werkzaam die niet meer dan f260 verdienen. Dit bedrag van f260 wordt f 310 bij scholen met een groot aantal kinderen.
Dit werken voor f260 of f310 noemt het Onderwijzers-Genootschap „werken onder het loon."
Op de openbare lagere scholen komt dit niet voor, omdat artikel 26 der Wet voor gemeentebesturen een minimum bepaalt, waar beneden het salaris van een onderwijzer niet mag dalen. Het bestuur der bijzondere lagere school wordt in dé Wet echter op dit punt geheel vrij gelaten. Het gemeentebestuur kan zich hier intusschen gemakkelijk redden, omdat het tekort aan salaris eenvoudig uit de gemeentekas wordt bij gepast, welke kas natuurlijk niet ter beschikking staat van het schoolbestuur.
, Het hoofdbestuur van het Ned. Onderwijzers-Genootschap wendt zich iiu tot de Koningin met het verzoek een wijziging van artikel 59 der Wet op het Lager onderwijs in overweging te willen nemen, waarbij voor de toekenning der rijksbijdrage in het salaris der Surnumeraire onderwijzers aan de besturen der bijzondere scholen dezelfde voorwaarden ten aanzien van het salaris dier onderwijzers worden gesteld als aan de gemeentebesturen in artikel 26 voor de openbare onderwijzers zijn opgelegd.
Het verzoek houdt dus in om de besturen der bijzondere scholen te verplichten, om, in het geval van een surnumeraire onderwijzer woidt gebruik gemaakt, dezen onderwijzer een surplus op de rijksbijdrage van f 260 of f310 toe te kennen. Op welke wijze de gelden voor dien toeslag door de schoolbesturen moeten verkregen worden, laat het Ned. Onderwijzers-Genootschap natuurlijk koud. Kunnen de schoolbesturen niet over de noodige gelden beschikken, dan moeten zij maar niet van surnumeraire leerkrachten gebruik maken.
Zoo blijkt ook hier weer de onbillijkheid dat alleen de openbare lagere scholen de beschikking hebben over den gemeentekas, terwijl de schoolbesturen der bijzondere scholen mogen toezien.
Gaat de regeering op het verzoek der openbare onderwijzers in, en dient ze in verband daarmede een voorstel bij de Staten-Generaal in, dan zal daarover nog wel een woordje gezegd worden.
Het wordt tijd dat de flnancieele gelijkstelling komt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's