De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

18 minuten leestijd

Uit de Synode.

Uit de Synode. De Synode is ditmaal in overgroote meerderheid rechtzinnig:13 van de 19 leden. Hoog gespannen zijn daarom de verwachtingen. Vooral onder de nawerking van de Haagsche vergadering van 17 April rekent men op gewichtige besluiten. Of die verwachtingen echter vervuld zullen worden? Ook aan rechtzinnige zijde zijn verschillende inzichten en het laat zich voorzien, dat de meerderheid zóo maar niet bereid zal zijn om den coufessioneelen hoek in te gaan! Dat geeft aan het vergaderen van de Synode een belangrijkheid, waarbij onzekerheid ons hart vervult en „afwachten" de boodschap is.

Ook wat de President van jaren gesproken heeft, zegt ons dat het verstandig zal zijn de verwachtingen niet  te hoog te stellen en af te wachten de dingen die komen zullen.

Ds. H. A. Leenmans had bij vernieuwing de eer de vergadering der Synode te mogen openen als oudste lid in jaren.

Ook hij was blijkbaar onder den indruk van alles wat gebeurd is en staat te gebeuren. Eerst werd door hem gelezen 2 Timotheüs 1:1 —14, Na het gebed werd door hem, naar gewoonte, een openingsrede gehouden, die na vermelding van sommige gedenkwaardige zaken en gebeurtenissen, w, o. de Haagsche Vergadering en het eeuwfeest van het Ned. Bijbelgenootschap, ditmaal niet aan een speciaal kerkelijk onderwerp gewijd was, maar als leiding voor de toekomstige zittingen een bijbelwoord behandelde, Jac, 3:17: De Wijsheid, die van Boven is, is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, vol barmhartigheid, niet partijdig oordeelende, ongeveinsd."

Spreker noemde dat een prae-advies van Omhoog voor de zittingen der Synode en werkte de verschillende gedachten in zijn tekst aangegeven uitvoerig uit, met ernst ieder op het gemoed bindend, dat aldus de arbeid moet geschieden, zal die in waarheid der Kerk ten zegen komen.

Als leden van het Moderamen der Synode werden opnieuw — gelijk in 1913 — gekozen: Ds. H, A. Leenmans, predt. te Harlingen, voorz., Dr, G. J. Weyland, predt, te Veere, vice-voorz., en Ds, D. Eilerts de Haan, predt. te Heilo, als diens plaatsvervanger.

Medegedeeld werd dat H. M. de Koningin weder f2000 ter beschikking gesteld had ten bate van het Fonds voor noodlijdende kerken en personen en f 750 voor dat ter voorziening in de geestelijke behoeften.

Vanwege de Synode zijn twee jaren achtereen aan de drie Rijksuniversiteiten lezingen gehouden over het Sociale vraagstuk, bezien van Christelijk standpunt. De vraag werd gedaan of dit weder herhaald zou worden. Krachtig werd dit vooral door de adviseerende kerkelijke hoogleeraren bestreden, gelijk ook door andere leden. Die lezingen geven h. i. niet meer dan een oppervlakkige kennis en men moet de theologische studenten vooral niet van de studie van hun hoofdvak naar liefhebberij vakken aftrekken, wat reeds te veel geschiedt. Daarom moeten de lezingen niet voortgezet worden. Hoewel ook warm verdedigd werd de lezingen wel voort te zetten, werd ten slotte besloten er mee op te houden.

In de tweede zitting (Donderdag 16 Juli) werden 9 commissies door het Moderamen aangewezen om leiding te geven bij de bespreking van verschillende zaken en wel: voor de verslagen der Prov, Kerkbesturen over de examens; voor de verslagen der schriftelijke kerkvisitatie; voor de kleine toelagen aan gemeenten en personen; voor de consideraties over de voorloopig aangenomen regl.wijzigingen; voor de nieuwe wetsvoorstellen ; voor het onderzoek der voorgestelde wijzigingen in art, 27 van het Regl. op het Examen en de art, 19 en 39 van het Regl. op het Godsd.onderwijs enz.

De commissie voor dit laatste bestaat uit de heeren Steenbeek, Franke, Bloem en Menthen,

Was in de 1ste zitting besloten de lezingen over het sociale vraagstuk aan de Rijksuniversiteiten niet voort te zetten, in deze 2de zitting dienden de heeren Eilerts de Haan, Knappert, Tammens en Cremer een voorstel in, om zoo mogelijk gedurende den a.s. winter cursussen over de sociale vraagstukken te doen houden en daarvoor f 2000 ten laste van het Fonds voor het Hooger Onderwijs uit te trekken. Dit voorstel zal nader worden behandeld.

Besloten wordt op voorstel van de Commissie van advies in zaken van Armenzorg, om in 1915 weder een Diaconale conftrentie bijeen te roepen.

De Commissie zelve, wier leden steeds , voor een jaar benoemd worden, wordt met algemeene stemmen bestendigd. Zij bestaat uit de heeren Ds. Eilerts de Haan te Heilo, Dr. J. H. Adriani te Utrecht, Dr. J. R. Slotemaker de Bruine te .Utrecht, Mr. Briët te Leiden en Jhr. mr. A. W. van Holthe tot Echten te Assen.

Mede namens prof. van Veen, wordt door den heer Cremer het voorstel ingediend, om in het Reglement op het Examen de laatstealinea van art. 25 te schrappen, luidende: „Na de derde afwijzing wordt een hernieuwd examen toegestaan." Ook dit voorstel zal later worden behandeld.

De Vice-Voorzitter brengt rapport uit over de registers van den Secretaris. Daaruit blijkt dat in het vorige zittingsjaar door dezen ontvangen zijn 1932 ingekomen stukken tegen 1555 in het vorige jaar. De uitgaande stukken bedroegen 2122.

Aan den secretaris wordt dank gebracht voor zijn arbeid.

Het verzoek van den Secretaris der Synode Ds. Knottenbelt, om hem met ingang van 1 Augustus 1914 eervol ontslag en pensioen te verleenen, komt in behandeling. Dit verzoek is gegrond op redenen van gezondheid en leeftijd. Met algemeene stemmen wordt het ingewilligd, terwijl de Voorzitter hem hartelijk dankt voor zijne vele en trouwe werkzaamheden voor Kerk en Synode.

Besloten wordt eene oproeping te plaatsen in de Kerkelijke Courant, waarbij sollicitanten worden uitgenoodigd voor of op 31 Augustus zich tot den Secretaris der Alg. Synode te wenden, indien zij voor eene benoeming wenschén in aanmerking te komen. De Synode behoudt zich echter de vrijheid voor, om buiten den kring der sollicitanten een benoeming te doen, indien dit haar meer wenschelijk mocht voorkomen.

In de derde zitting (Vrijdag 17 Juli) vroegen de geldelijke zaken de aandacht. Hoewel óok van veel gewicht, zullen we deze rapporten laten rusten. Vóór de financieele zaken aan de orde kwamen, werd door den heer Eilerts de Haan opgemerkt, dat onder de nieuwe wetsvoorstellen, die aan de Commissie in de 2de zitting daarvoor benoemd zijn ter hand gesteld, óok voorkomen vier herziene of ontworpen reglementen, door commissies m uit de Synode met medewerking van anderen samengesteld en van toelichting voorzien, te weten:

het reglement voor kerkelijk opzicht en tucht dat op de benoeming; op het beheer der kerkelijke goederen en op de hulpbeurs.

Moet de commissie daarover nu nog rapporten laten maken? Spr. verwacht, dat dit verwarrend zal werken. Dan wordt licht het rapport en niet het voorstel behandeld. Deze weluitgewerkte en toegelichte voorstellen kunnen zóo aan de orde gesteld worden. Zij liggen gedrukt voor ons en ieder' kan zijn meening vormen.

Met algemeene stemmen werd besloten in den zin van den voorsteller.

(Wordt vervolgd).

Belijdenis-Vragen.

Aan de Synode der N. H. K. is het volgend adres gezonden:

Aan de Synode der N. Hervormde Kerk.

Ondergeteekenden, lidmaten der Kerk, jaemen de vrijheid U voor te stellen, uit art. 38" en art. 89 van het Reglement op het godsdienstonderwijs het voorschrift de z.g. belijdenisvragen te doen beantwoorden te verwijderen.

Zij doen dit op tweeërlei grond.

lo. Dat de vragen die nu in art. 39 staan terecht aan zeer velen aanstoot geven is sedert 1880 erkend door de toevoeging der woorden „althans wat betreft den geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte" en van het slot van art. 38: „Elke predikant heeft het recht zijn eigen aannemelingen te bevestigen." Zou men de vragen van art. 39 door andere willen vervangen, het is onmogelijk er op te stellen die aan de voorstanders van alle zienswijzen in de Kerk voldoen, tenzij ze in zoo dubbelzinnige woorden vervat zijn dat ieder er zijn eigen overtuiging in kan vinden; waardoor een schijn-eenheid zou worden tot stand gebracht, die een groote leugen zou sajn en niets dan onheil stichten.

2o. Door het verplicht stellen van een belijdenis wordt een veel te groote waarde hieraan gehecht, een waarde die alleen toekomt aan gezindheid des harten; wat in strijd is met het groote levensbeginsel, door Jezus in het Evangelie verkondigd en welks waarheid door niemand onzer zal worden geloo­chend, dat alleen aan de liefde voor God en den naaste „Wet en Profeten hangt." Daarenboven is het ongeoorloofd van iemand te vorderen en ons zelven op te leggen bij een belijdenis te zullen volharden. Immers, wanneer ons inzicht verandert, kunnen en mogen wij dit niet doen, en of het zich wijzigt, hangt niet van onzen wil af.

Reden waarom wij U voorstellen art. 38 te laten eindigen met „Wordt de mate der verkregen kennis door de meerderheid van de afgevaardigden des Kerkeraads voldoende bevonden, dan worden de aannemelingen tot leden der gemeente verklaard."

Wij zien niet voorbij dat hiermee tevens do verplichting gedoopt te zijn of zich anders te laten doopen vervalt, en oordeelen inderdaad dat deze niet minder bedenkelijk is dan de verplichting zich aan een belijdenis te binden. »

Van art. 39 blijve slechts dit over: „De nieuwe leden worden in een openbare godsdienstoefening aan de gemeente voorgesteld (of: tot de gemeente ingeleid). De wijze waarop dit geschiedt wordt aan den predikant die daarin voorgaat overgelaten. Elke predikant heeft het recht zijn eigen aannemelingen te bevestigen."

Komt deze verandering aan velen bedenkelijk voor omdat de kerk een zoo groote vrijheid niet dragen kan, wij stellen daartegenover de waarheid dat, al is de vrijheid in geestelijke zaken gevaarlijk, de dwang zeker heilloos is, en hopen dat de Synode het met de vrijheid wagen wil.

Moge God U wijsheid geven, opdat Uwe overleggingen en besluiten tot Zijn eer leiden.

(Is geteekend)

Groningen, 1 Juli '14. Leiden, 29 Juni '14. H. U. MEYBOOM.  H. OORT.

Dit adres heeft een geschiedenis en 't was te voorzien, dat het komen zou — hoewel Dr. Niemeyer van Bolsward aan de adressanten herhaalde malen vriendelijk gevraagd heeft om toch maar te willen zwijgen en niet te spreken. .

Hij was immers in den Haag zoo mooi bezig geweest om een paar belgdenisvragen te fabriceeren, om zoo aan de vrijzinnig-Hervormden den schijn te geven, dat ze principieel niet zoo vijandig staan tegenover het formuleeren der waarheid en het controleeren van iemands geloof, — openlijk verklarende, dat toch iedereen maar niet zóo mag worden toegelaten tot de Herv. kerk.

En ziet nu komen de spelbrekers tóch.

Nu komen er toch vrijzinnigen per adres bij de Synode om te verzoeken alle vragen maar op te ruimen.

Jammer!

Want nu komt de aap uit den mouw, dat het vrijzinnig standpunt meebrengt: vrijheidblijheid; weg met alle formules; ieder moet voor zichzelf maar uitmaken wat hij gelooven wil of niet; ieder eerlijk mensch is welkom in de Herv. Kerk; wat hij gelooft of niet gelooft komt er minder op aan; de Herv. Kerk is een vogelkooi, waar men vrij in-en uitvliegen kan, al naar men verkiest!

Wat beleeft Dr. Niemeyer weinig plezier van z'n schipper-politiek.

Eerst riep er éen: „hier strijkt en plooit men." Toen getuigde een ander: „de Paus in eigen persoon; die wil voorschrijven en keuren, ? '

En of Dr. Niemeyer het schrijven van verschillende inzenders al doodzweeg, het hielp niet. Men sprak toch en men bleef spreken. Waarna Dr. N. vroeg: als gij dan toch spreken wilt, spreek dan ten minste als de Synode vergaderd heeft en niet vóór dien tijd; en asjeblieft niet adresseeren aan de Synode!

Maar, men verkiest niet te zwijgen en men is nu naar voren gekomen met het echt vrijzinnig verzoek: neem alle vragen en alle formules weg; neem de doopsbediening weg; neem alles weg wat bindt en knelt; laat de Herv. Kerk worden een verzameling van vrije gemeenten, waar ieder vrij is om te gelooven en niet te gelooven wat hij wil.

Zouden door dit Adres de oogen nog geopend kunnen worden van hen, die misschien meenden, dat het gevaar voor onze Herv. Kerk niet zóo groot is?

Er schijnen nog zooveel menschen —ook predikanten en ouderlingen — te zijn, die rustig in den dommel zitten; zou misschien "dit vrijzinnig Adres zulke menschen wakker kunnen schudden ? Dan kan het nog goed zijn, dat het maar gekomen is.

Om aangaande dit Adres nog iets meer te hooren, willen we hier overnemen wat Dr. A. J. Oort onlangs in De Hervorming schieef. Men leert dan beter nog verstaan wat de echte vrijzinnigen (Dr. Niemeyer wordt door onderscheidene modernen confessioneel genoemd en een verrader van de moderne beginselen) willen. "

Dr. A. J. Oort schreef dan:

„Wanneer men 42 jaar lang ieder jaar leerlingen heeft aangenomen en bevestigd en daarna 10 jaar lang als ouderling bij die aanneming heeft geassisteerd, is het niet onbescheiden over deze zaak zijn meening te zeggen.

Laat ik terstond in het algemeen mijn oordeel uitspreken.

In die aanneming en bevestiging vertoont zich op duidelijke en droevige wijze wat men wel eens genoemd heeft „de leugen in de Kerk." Ach!  welk een gemaaktheid, welk een opgeschroefdheid, welk een ongerijmde onderstelling van dingen, die men weet niet waar te zijn!

Wie zijn — en daarop komt in deze zaak alles aan — wie zijn die nieuwe lidmaten, wien men vraagt naar hun geloof, kennis, levensopvatting, voornemen om hun Heiland te volgen, voor het Godsrijk te leven, de Kerk te gehoorzamen? Op enkele uitzonderingen na jongelieden vau 20 jaar, die pas de kinderschoenen hebben uitgetrokken. Indien zij werkelijk geloof hebben, dan is het nog niet beproefd; kennis, dan is zij nog zeer oppervlakkig; levenservaring, meestal niet noemenswaardig; van levensstrijd, die hen wacht, slechts een flauw begrip. Mag men nu van die jonge menschen een geloofsbelijdenis en belofte eischen, bindend voor het leven ?

Daarenboven weet men onomstootelijk zeker, dat talloozen van die aannemelingen de zaak lang niet zoo ernstig opvatten als men zou wenschén. Ja, sommigen voelen er iets voor, zijn in goede, vrome, zij het ook eenigszins vage stemming; het gros der aannemelingen evenwel laat zich aannemen omdat het zoo behoort, omdat het de gewoonte is, en breekt zich heusch het hoofd niet over de vragen, die zij moeten beantwoorden. Men kan dat betreuren, maar onmogelijk het feit loochenen. Welnu, dan is al dat gevraag en het daaropvolgend hoofdgeknik door en door onwaar, een ongepaste, ergerlijke comedie.

Daar hebt gij de laatste vraag, waarop de devote hoofdknik moet volgen: „belooft gij tot den bloei onzer Kerk volijverig mede te werken met opvolging barer verordeningen ? " Maar wat weten die kinderen van deze verordeningen. Heeft hun dominé hen daarmede ooit bekend gemaakt? Ja toch! Als de dominé zijn plicht heeft gedaan — maar in dit geval overtreden veel predikanten zelven hun plicht — dan heeft hij hun van al die verordeningen slechts ééne ingescherpt, nl. dat zij zich verbinden moeten jaarlijks een kwartje aan de Generale Kas te betalen. Onderzoekt eens, hoevelen die belofte, zoogenaamd in een heilig uur afgelegd, verbreken en reeds een volgend jaar weigeren te betalen. Ik heb jarenlang de Generale Kas in Zutphen geadministreer  en weet er alles van. Leerlingen van orthodoxe, evangelische en moderne predikanten waren op dit punt roerend eenstemmig.

Zij beloven den bloei onzer Kerk volijverig te zullen bevorderen. Ik bid u, hoevelen zetten na hun aanneming en eerste en eenig Avondmaal nooit meer een voet in de Kerk I

Zij beloven tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen te zullen medewerken. Wat denken zij toch daarbij? Hebben zij en kunnen zij hebben een flauw begrip van den omvang dezer belofte? Toch wordt hun die afgevraagd, en zij.... knikken. Ja, er wordt in onze kerk veel gevraagd en geknikt.

Bezien wij nu de tweede der belijdenisvragen; die is beter, gewichtiger dan de derde, vooral het slot: „Zijt gij des zins en willens de zonde te verzaken, te streven naar heiligmaking en uwen Heiland in voorspoed en tegenspoed getrouw te volgen, gelijk aan zijn ware belijders betaamt? " Al zou ik een anderen vorm verkiezen, b.v. in plaats van dat wanhopig schoolvossige „des zins en willens" eenvoudig zeggen: „voornemens", en al zou ik Jezus niet aanduiden met den voor velen ongewonen naam Heiland, toch is de strekking van deze vraag in orde, een belofte van practisch Christendom. Evenwel blijft ook hier in onverminderde kracht het bezwaar, dat talloozen gedwongen worden een belofte af te leggen, waarvan zij in de verste verte niet voelen hoeveel zij inhoudt.

Maar ergerlijk in de hoogste mate is de aanhef van vraag 2: „zijt gij des zins en willens door Gods genade bij deze belijdenis te volharden? " Bedoeld wordt de belijdenis in vraag 1, een zuiver theologische overtuiging. Geen predikant, rechtzinnig of vrijzinnig, heeft recht aan zijn leerlingen te vragen: zijt gij voornemens levenslang dezelfde overtuiging te behouden? Wie kan daarvoor instaan? Men gelooft toch niet, omdat men „des zins en willens" is, zich aan een eenmaal aanvaarde leer vast te klemmen. Talloozen veranderen van geloofsovertuiging, en aan die jonge lidmaten te vragen, of zij heilig van plan zijn levenslang dezelfde overtuiging te bewaren, is door en door ergerlijk. Is hun geloof dan reeds muurvast?

Over vraag 1: „Belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus. Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heer en in den Heiligen Geest? " wordt het meest getwist; en in den laatsten tijd wordt zij door rechtzinnige kerkeraden en classicale besturen handig gebruikt om andersdenkenden te plagen. Voor vrijzinnigen is het zeker een kunststuk, haar zoo te wijzigen, dat "geest en hoofdzaak" bewaard blijven. Zoolang nu in onze kerk alle richtingen vertegenwoordigd zijn, is het onbillijk vragen voor te schrijven, die onmogelijk het geloof van alle nieuwe leden kunnen weergeven.

Mijn grootste bezwaar evenwel is niet, dat die vraag te veel, maar dat zij te weinig bevat. Zij geeft een stukje dogmatiek, dat naar mijn meening voor de praktijk des levens vrijwel waardeloos is „Gelooft gij in God den Vader? " Let wel: DEN Vader; niet uw Vader, aller menschen Vader; maar DEN Vader, in tegenstelling van den Zoon. Van dien Vader moet dan alleen beleden worden, dat Hij is de almachtige Schepper van het heelal. Is dat alles? Niets van Gods goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid, wijsheid ? Povere geloofsbelijdenis!

Gelooft gij in Jezus Christus, Gods eenig. geboren Zoon, onzen Heer ? " Hebt gij, rechtzinnige broeders, niet meer van hem te zeggen? Mij zou de vermelding van die eeretitels te veel, voor u moet het te weinig zijn, Zijt gij met die schrale belijdenis omtrent uwen Christus tevreden? Berust gij daarin alleen omdat het Synodaal Reglement niets anders voorschrijft? Ik wist niet, dat gij zoo synodaal waart, en vraag liever maar niet, waarom gij u zoo met hand en tand tegen de wijziging der belijdenisvragen verzet.

Eindelijk komt de Heilige Geest ter sprake. Die komt er bijzonder armzalig af. „Gelooft gij in den Heiligen Geest'"' Niets meer! Wat die geest is en doet, schijnt er minder op aan te komen. En dat heet een belijdenis I 't Is diep treurig.

Het treurigste van alles is — laat ik het nog eens herhalen — dat van een bevestigend antwoord op deze vragen de aanneming tot leden der kerk afhankelijk wordt gemaakt van hen, die er soms niets van begrijpen en er nog minder van voelen.

Nu zijn er predikanten — ieder, die in hun wereld thuis is weet dat — die dit bezwaar niet wilen voelen of erkennen en zich daarvan afmaken door te zeggen: dat moeten zij weten; onze plicht is het, hun die vraag te doen. Meent gij dat? Gij weet, dat velen van die jonge menschen te onkundig zijn om die vragen te beantwoorden, of te onverschillig om er diep over na te denken, maar zij aarzelen niet om op uw vragen ja te zeggen. Gij haalt de schouders op: dat moeten zij weten." Dat is grof cynisme in den trant van Pilatus, die zijn handen in onschuld waschte, want... de Joden moesten het maar weten. Bedenk het wel: wanneer gij weet, — en gij weet het o zoo goed! — hoe weinig kennis en geloof vele nieuwe lidmaten hebben, dan rust de schuld van dien kerkdijken leugen eener ondoordachte geloofsbelijdenis op u.

Uw schuld nog in een ander opzicht. Gij zult hun afvragen of zij de verordeningen der kerk zullen opvolgen; maar bij de aanneming, ja zeker, bij die aanneming volgt gij waarschijnlijk die ordeningen niet op, Gij houdt u aan Art, 39 van het reglement o. h. Godsdienstonderwijs; houdt gij u ook aan Art. 38, waarin bepaald wordt, dat de aanneming alleen voortgang mag hebben, wanneer gebleken is, dat de aannemehngen een voldoende mate van kennis verkregen hebben; welk predikant en ouderling heeft niet tal van jongelieden aangenomen, wier kennis beneden peil staat ? Daarin zie ik geen bezwaar maar wel hierin, dat de kerk met al dat quasie-plechtig gevraag zich aanstelt alsof zij wachter is aan de poort van het godsrijk en alleen hen toelaat die een voorgeschreven parool willen opzeggen.

Dat is een ontzettende leugen in onze kerk: te weten, hoe het met die aannemelingen staat en zich te houden of men het niet weet.

Vraagt gij mij nu: wat wilt gij dan? Zie hier mgn antwoord: volstrekte vrijheid I Was ik nog predikant, dan zou ik voor mij verkiezen: geen enkele vraag! Spreek op uw laatste catechisatieuren met uw leerlingen over het leven dat hen wacht en waarin zij hun christelijk geloof moeten toonen.

Druk hun dat nog eens op het hart, als zij in de kerk worden bevestigd, en laten de ouders en andere belangstellenden dan hooren, welke lessen gij hun medegeeft op hun levenspad, en laten zij dan met en voor hen bidden. De stichting zal er waarlijk niet minder om zijn, wanneer geen vragen gedaan worden.

Maar vrijheid bovenal! Zijn er predikanten, die het doen van vragen gepast, nuttig en stichtelijk achten, dat zij vragen! Maar laten zij waar zijn, bedenken tot wie zij spreken en wat zij recht hebben te vragen.

Geijkte vragen, die ieder predikant, van welke richting hij ook zij, verplicht wordt te doen en iedere aannemeling gedwongen wordt te beantwoorden, zijn uit den Booze, den vader der leugenen.

God beware onze kerk voor alle onwaarachtigheid en geestelijke dwingelandij."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's