Uit de Pers.
Ds. J. H. Rietberg van Koudekerke heeft op den laatst gehouden Theol. Schooldag te Kampen het volgende referaat gehouden over:
Belijdenis en Belijdende Kerk.
De kerk — aldus spr. — bestaat uit geloovigen. Ze heeft haar oorsprong in den H. Geest en wortelt in Gods verkiezing.
Overeenkomstig haar wezen is dan ook de kerk geroepen uit de wereld om een heilig volk te zijn; een organisch geheel; een nieuwe menschheid. Christus toch heeft hersteld wat de eerste Adam had verdorven.
Aan deze kerk nu gaf Chr. macht in verband met de ambten van apostel, presbyter en diaken en tevens in verband met de ambten van profeet, priester en koning.
Dienovereenkomstig bezit ze drieërlei macht: de potesias docendi of leermacht, de potestas gubernans of regeermacht, de potestas misericordiae óf dienst der barmhartigheid.
De eerste, de leermacht rust in Christus' profetisch ambt. De kerk heeft het recht en den plicht om toe te zien 1e op de vorming harer dienaren, 2e om het woord Gods te bedienen, 3e om het woord Gods te vertalen, uit te leggen, te verdedigen en zoo de gemeente te bouwen.
Uit dit alles blijkt de bevoegdheid der kerk om haar belijdenis te handhaven en uit te spreken. Reeds de doopsbelijdenis, het latere apostolisch symbool bleek daarvoor te dienen, en is ook later duartoe uitgebreid. Zonder belijdenis vervalt de kerk tot allerlei dwaling.
De kerk was steeds belijdeniskerk. Alle leven — en de kerk is toch levend — moet zich openbaren; dit sprak nog onlangs Prof. Bouwman uit in de Bazuin. Een belijdenis vinden we dan ook reeds bij Petrus (Mt. 16) Het ware leven moet zich uiten. Vandaar dat Jezus den discipelen den plicht oplegt van belijden: Een iegelijk die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik belijden voor mijnen Vader.« Uit die belijdenis moet allereerst het inwendig geloof der particuliere geloovigen blijken. Doch niet minder het geloof der kerk als geheel. De kerk moet haar geloof uitspreken, tegenover dwaling en leugen. De confessie is een practische levensbehoefte. En hoe dieper de kerk het woord indenkt, en hoe meer de dwaling zich verheft, hoe omlijnder de belijdenis zal worden.
Reeds lang is in den loop der eeuwen de belijdenis van beteekenis geworden. Resultaat van dat streven tot uitbreiding is voor ons onze belijdenis. Nog is niet alles uitgesproken wat noodzakelijk dient vermeld te worden; doch bij blijvende werkzaamheid zal ook hier in de behoefte kunnen voorzien worden.
Zoo is dan, gelijk reeds gezegd is, de belijdenis noodzakelijk. Allereerst voor het eigen leven der kerk. Niet-belijden zou verloochening zijn van Jezus Christus. Het geloof der kerk mag niet onbewust blijven. Een vergadering van GELOOVIGEN moet bewust belijden. Evenwel, ook voor de zuiverheid des geloojs tegenover dwaling is belijden noodzakelijk. Niet minder met het oog op de eenheid der kerk. De saamhoorigheid aller geloovigen komt in de gemeenschappelijke confessie uit. In dien zin spreekt ook duidelijk psalm 78. En eindelijk: ook tegenover de polemiek van de wereld moet de kerk belijdeniskerk zijn.
Evenwel: allerlei bezwaren zijn tegen deze onze opvatting ingebracht.
Zoo zegt men: dat de belijdenis te kort doet aan de leer van de volkomenheid en doorzichtigheid der H. S. Toch is dit onjuist. Een belijdenis is niet gemaakt maar gegroeid. Zij is niet naast, maar uit Gods woord opgesteld. Ieder kan uit de H. S. den weg ter zaligheid leeren kennen; o zeker. Maar dit ontkent de belijdenis niet. Deze toch geeft de schriftwaarheden slechts om ze te duidelijker te teekenen in haar eenheid en schoonheid.
Voorts zegt men: de belijdenis doet te kort aan aan de wetenschap en haar ontwikkeling. Doch de practijk heeft anders gesproken.
Ook niet met de persoonlijke levens-en leervrijheid is ze in strijd. Ieder die zich bezwaard voelt, kan de gemeenschap der kerk verlaten of anders zijn bezwaren indienen.
Nooit heeft dan ook de kerk de belijdenis geplaatst boven het Woord, De schrift blijft altijd bron en toetssteen der belijdenis. Dat bleek reeds in de dagen van de remonstranten. Duidelijk hebben de gereformeerden in de praeparatoire samenkomst in den Haag en ook op de synode van Dordt uitgesproken dat ie de belijdenis onder het woord wilden houden. Ook art. 7 onzer confessie spreekt zich duidelijk in dezen zin uit.
Toch heeft de belijdenis wel kerkelijk gezag. Ze eischt geloof voorzoover ze gegrond is op Gods woord. Anders mag het ook niet. Alleen de schrift kan de menschelijke conscientie binden. Maar onder dit voorbehoud wordt juist voor den christen de belijdenis de saamvatting van zijn eigen bewust geloof.
Zoo zal dus de kerk blijven een belijdende kerk; en dit is meer dan een belijdeniskerk. In den slechten zin van het woord wordt deze laatste term gebruikt door Dr. Kromsigt. Deze theoloog ijvert soms met onjuiste beweringen tegen ons gereformeerden. Zoo heeft hij, zonder eenig bewijs, beweerd, dat de geref. kerken blijven zweren en blijven staan bij haar belijdenis en mét haar versteend zijn. Toch mogen we nog veel leven in onze kerken opmerken; ook in geestelijk opzicht. Het persoonlijk geloof raakte nog niet op den achtergrond. De ijver op zendingsterrein als anderszins getuigt duidelijk genoeg.
Trouwens, belijdeniskerk en belijdende Kerk moeten samengaan. Die 2 begrippen sluiten elkaar niet uit. Dat blijkt.
1e. bij de handhaving der belijdenis. Deze is onmogelijk bij versteening der confessie. Zoo b.v, bij de Grieksche kerk. Een versteende belijdenis is dood; is geen belijdenis meer.
2e. bij de uitbreiding en verrijking der belijdenis. Ook deze is vrucht en uiting van leven in de kerk. Zoo hebben b.v. onze kerken in 1905 duidelijk zich uitgesproken omtrent leerpunten.
Evenwel, nog op iets anders wijst Dr. Kromsigt, en wel op het feit dat onze kerken zich niet uitspraken omtrent de dwalingen onzer dagen, de nieuwe ketterijen. Inderdaad is dit feit van groot belang. De Standaard sprak zich uit voor »opnieuw belijden". De opinies bleken echter verdeeld.
Principieel is natuurlijk niets in te brengen tegen opnieuw belijden. Immers steeds dieper leidt de H. Geest in de waarheid in.
Praktisch zijn er echter wel bezwaren, samenhangend met karakter en vorm der belijdenis. Vooral echter met het oog op het gebrek aan eenheid onder de gereformeerden. Hun scheiding in verschillende kerkgroepen zal hinderlijk blijken te werken. Ook zal het misschien blijken, dat onze kerken nog niet rijp genoeg zijn voor opnieuw belijden. De nieuwe belijdenis zou dan niet gegroeid zijn, maar gemaakt; vanboven af opgelegd.
Bovendien acht Spr. de kwestie niet zoo urgent als men voorstelt. Er is niets nieuws onder de zon; ook in dezen. Het geldt hier oude ketterijen in nieuwen vorm. Ds. Wielenga van Zwolle wees er nog op, dat de dogmatiek niet op alle punten zich afzonderlijk en opzettelijk polemisch kan uitspreken. Voor Asgrondwaarheden staan we niet verlegen.
Voorloopig meent Spr. dus dat de zaak alsnog kan blijven rusten. Wel is noodig, dat de kerk almeer ïich indenkt hetgeen ze reeds bezit in haar belijdenis.
En hierin is nog veel slapheid ook onder de jeugd.
Btlijnd worde men in catechisatie en prediking. Een belijdende belijdeniskerk zij ons ideaal.
Hinderlijk is ten deze ook het bestaan van verschilpunten onder ons gereformeerden. Inzake opleiding voor den dienst des Woords en kerkbegrip is eenhrid al meer noodig. Almeer moge ook het beginsel worden vastgehouden, uitgesproken bij de vereeniging in '92, dat de kerken een Theol. School hebben te onderhouden. Deze opleiding mag naar Spr.'s oordeel niet aan anderen buiten de kerk worden overgelaten. Immers, ook met het oog op de belijdenis, die de kerk heeft opgesteld, is opleiding tot den evangeliedienst door haar zelf noodzakelijk.
Waar in dien zin de kerk belijdende kerk wordt, zal het profetisch getuigenis der kerk aanvang en voorbereiding blijken van het profetisch getuigenis eenmaal voor de heilige engelen.
In de navolgende 7 stellingen vatte Spr. zijn betoog samen:
I. De Kerk die in de wereld optreedt als openbaring van het lichaam van Christus, moet krachtens hare leermacht belijdenis-kerk zijn.
II. In hare belijdenis spreekt de Kerk uit wat God voorwerpelijk in Zijn Woord openbaart en onderwerpelijk door de genade des H. G. haar geloofseigendom is geworden.
III. De Belijdenis is voor de Kerk noodzakelijk: voor haar eigen leven — voor de zuiverheid des geloofs — voor hare eenheid — voor het nageslacht en tegenover de wereld. Deze belijdenis is niet in strijd met de volkomenheid en duidelijkheid der H. S. — noch met de ontwikkeling van kennis en wetenschap — evenmin met de persoonlijke geloofs-en gewetensvrijheid.
IV. Onder Gods Woord heeft de belijdenis kerkelijk gezag.
V. Omdat alléén een levende Kerk belijdende-kerk kan zijn is de tegenstelling tusschen belijdenis-kerk en belijdende kerk ten eenenmale onjuist. Eene belijdenis-Kerk is belijdend en moet bij den voortduur belijden.
VI. Daarom is de kerk ook geroepen hare belijdenis steeds te verrijken: en te verdiepen of aan te vullen, zelfs zoo noodig geheel nieuwe belijdenisschriften op te stellen, waarvoor echter heden ten dagen de noodige voorwaarden ontbreken.
VII. De Kerk moet steeds dieper indenken wat zij in hare tegenwoordige belijdenisschriften heeft — zij moet tot meerdere eenstemmigheid komen — hare eigene inrichting handhaven en zich ten allen tijde bewust zijn hare hooge eere als belijdende Kerk.
Aan het debat werd deelgenomen allereerst door Prof. L, Lindeboom. Deze meent wel degelijk, dat de tijd tot opnieuw belijden gekomen is. Reeds in de 17e eeuw was dit noodig tegenover de Cartesianen e.d. Niet minder de 18e eeuw en de 19e spreken van die urgente behoefte. En intusschen zijn onze kerken veel te rustig. Al heeft Dr. Kromsigt met zijn bewering volkomen misgetast, toch kan niet ontkend, dat de kracht van de dagen der Scheiding niet altijd meer gezien wordt. Noodig is aanvulling en verbetering, ook in luturgicis, (men denke aan het gebed in het doopsformulier, waar de uitdrukking »in zijnen dood begraven worden" onjuist is.) Spr. acht de voorwaarden tot hernieuwd belijden wel aanwezig. En wat de eenheid betreft: dat anderen zich aan ons onttrekken, is niet ons te wijten; moet dat ons belemmeren tot voortgaande actie?
En voorts: Ds. Rietberg heeft de gezangenkwestie laten rusten. Waarom? Welke reden is er voor om niet een nieuw lied te zingen, gelijk dit in den hemel gedaan wordt? Laat men in elk geval de zaak bespreken.
Ds. P. Bos acht, dat de referent te weinig uit historisch oogpunt de belijdenis bezien heeft in verband met den strijd van buiten. En voorts: de referent heeft gewezen op onze verdeeldheid als bezwaar voor «opnieuw belijden". Maar art. 36 onzer confessie is toch ook gewijzigd, zonder dat vooraf eenheid bestond. Waarom kan dit ook thans niet zoo gebeuren ?
Ds. Nieboer van Krabbendijke zegt, niet begrepen te hebben, waarom het ontbreken van eenheid met andere Gereformeerden bezwaarlijk moet zijn voor herziening der belijdenis. Ook heeft de referent geklaagd over het gebrek aan kennis van de jeugd als ook bij ouderen. Maar zal de door Ds. Rietberg bepleite stilstand niet juist in denzelfden zin bezwaren opleveren? Zal niet de onkunde even groot blijven zonder nieuwe actie?
Dr. Wisse van Bodegraven heeft:
1e een kantteekening. De referent heeft'de vergadering gezegd, dat de groote activiteit inzake zending e. d. bewijst dat Dr. Kromsigt's bewering onjuist is.
Maar is dit een klemmend bewijs? Wat is volgens Ds. R. het geestelijk leven dan? Immers iets dergelijks als genoemden ijver vindt men ook in andere christelijke kringen; toch hebben ze vaak niets te maken met werkingen van den H.Geest. Het Buddhisme doet ook veel; en wat de roomsche kerk doet gaat ons ideaal verre te boven. Dus; in Buddhisme en roomsche kerk is HET geestelijk leven merkbaar?
2e een vraag. Referent wees op de niet-eenheid in ons kerkelijk leven. Maar dan moeten we ons ook niet door dit kerkelijk leven laten leiden. De vraag is deze: is de belijdenis uiting van een kerk of van individuen. Van een kerk, antwoordt men. Welnu, waarom dan zoo sterk met die andere «kerkjes» gerekend? Eenerzijds ontkent men hun bestaansrecht, anderzijds wordt het gehandhaafd in de praktijk.
3e enkele tegenopmerkingen. In de eerste plaats had nader kunnen gezegd worden, dat opnieuw belijden nog geen ander belijden is, zooals menigeen denkt. Voorts acht Spr. dat de referent de nieuwe dwalingen heeft onderschat. Men denke aan theosofie, neo-buddhisme, spiritisme. De propaganda gaat al sterker voort. De theosofie heeft 1200 belijdende, minstens tweemaal zooveel stille leden. En nu denke men niet dat het kwaad niet in onze kringen schuilt. Spr.'s eigen ervaring heeft bewijzen van het tegenovergestelde. En onze belijdenis zegt niets omtrent die nieuwe dingen (want nieuw zijn ze; dit houdt Spr. vol tegenover Ds. Rietberg). Als er millioenen worden besteed voor zending naar buiten, dan stelt werkeloosheid in eigen kring schuldig.
Dr. Kuyper heeft in zijn encyclopaedic gezegd, dat de dogmatiek ook aan de symboliek moet worden ontleend. VVelnu dan eerst de symbolen in orde! En eindelijk, dat er weinig lust is voor hernieuwd belijden onder het volk, dat ligt ook aan de leiders des volks, omdat deze de zaak overlaten aan de groote massa, die niet weten kan, wat er in de wereld te koop is.
De heer J. v. d. Berg van Rotterdam vraagt: of de belijdenisschriften wel genoeg in de gemeente leven. De jongere leden vooral weten er te weinig van. Doen de kerken wel genoeg tot vermeerdering van de kennis der belijdenisschriften?
Prof. Dr. Ridderbos meent dat de kwestie der opleiding door Spr. aangeroerd, met zijn onderwerp geen verband houdt. En voorts merkt Prof. R. op dat wanneer de kerk de belijdenis uitbreidde, dit steeds geschiedde niet alleen door bestrijding van buiten, maar ook doordat de dwalingen in de kerk leefden en woelden. En dit is onder ons ten opzichte van de besproken dwalingen nog niet gebleken. Een kind wordt geboren niet zonder weeön; dit geldt ook ten opzichte van de belijdenisschriften. Wanneer de strijd in onze kerken ontbrandt, dan komt de tijd vanzelf; en de omstandigheden zelf zullen dan de natuurlijke leiding geven.
De debaters beantwoordend merkt Ds. Rietberg op: 1] tegenover Prof. Lindeboom, dat hij in de gezangenkwestie principieel met Prof. L. eenstemmig is. En als Spr. tot voorzichtigheid heeft aangemaand, vindt dit hierin zijn grond, dat eerst leven moet de kennis der tegenwoordige confessie. Daarvoor is te weinig belangstelling. De schuld daarvan ligt aan de Kerken. Laat men als kerken zorgdragen. En voorts: wat Prof. Ridderbos heeft opgemerkt, is volkomen juist en vertolkt in dezen Spr. eigen opinie.
2] tegenover Ds. Bos, dat de door hem aangewezen lacune niet bestaat, Spr. heeft wel degelijk de bedoelde toelichting gegeven. En wat art. 36betreft: dit heet wel gewijzigd, maar is niet GEWIJZIGD. Daarom kan de kwestie, onbesproken blijven.
2] tegenover Ds. Nieboer, dat het voortgaan met belijdende actie zonder »voeling" met Gereformeerden in andere kerkengroepen zou leiden tot verscherping der tegenstelling en vijandschap. Als het moet, geldt dit bezwaar, is het niet noodzakelijk, dan niet
4] Tegenover Ds. Wisse: Prof. Ridderbos heeft volgens Spr. grootendeels Ds. Wisse weerlegd. Onderschatting der nieuwe dwalingen is niet spr.'s bedoeling: hij sprak slechts over haar invloed in de kerken.
En voorts: Ds. Wisse heeft gezegd, dat de leiders van de gemeente, niet den teugel moeten laten in handen van de massa die niet weet wat er in de wereld te koop is. Voor de meerderheid onzer belijdende leden acht Spr. de qualificatie niet geheel passend.
De kwestie van verband van dogmatiek en symbo-liek is door spr. niet aangeroerd. Daarom vermeent hij Ds. Wisse's opmerking te kunnen laten rusten.
S] Met den heer v d Berg is spr. het natuurlijk : eens.
6] Prof. Ridderbos heeft gezegd, dat de kwestie der opleiding met Spr.'s onderwerp niet in verband stond, Spr. meende dat dit wel het geval is en achtte het zijn roeping ervan te spreken.
Prof. Bouwman merkt nog op, dat allerlei stellingen als van de theosofie te wetenschappelijk van ' aard zijn om in de confessie te worden behandeld. Men denke aan de leer v. h. karma. Wat echter de grondgedachten betreft als verzoening en dergelijke daarover spreekt onze belijdenis zich wel degelijk uit. De weg dien we hebben in te slaan, is bestrijding op andere wijze. Wel moeten de dwalingen worden bestreden en weerlegd. Het kan ook gewenscht blijken dat de kerk zich tegenover de nieuwere geestes stroomingen nader uitspreekt, maar de kerk kan niet in hare belijdenis uitvoerig al de leeringen der nieuwere ketterijen weerleggen.
De kerk als geheel heeft te belijden; niet een bepaalde groep in haar midden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's