Uit het kerkelijk leven.
Uit de Synode.
II.
In de vierde en vijfde zitting (Zaterdag 18 en Maandag 20 Juli) ging het weeï over financieele aangelegenheden, waarbij o.a. in de 4de zitting gesproken wordt over het pensioen voor den nieuw te benoemen Secretaris en over de toelage voor den arbeid onder de Nederlanders in Duitschland, terwijl in de 5de zitting over de toelagen uit het fonds voor noodlijdende kerken en personen rapport wordt uitgebracht en verslag wordt gedaan over het Eeuwfeest van het Nederl. Bijbelgenootschap.
Ook wordt met veel dankbaarheid melding gemaakt van het werk dat Dr. Hulsebos verricht om verschillende kerkelijke archieven in orde te maken. Verschillende bewijzen worden genoemd, dat veilig mag worden gezegd, dat Dr. Hulsebos „orde brengt in wanorde, bewaart wat verloren dreigt te gaan en terugvindt wat eigenlijk reeds verloren is."
In de zesde zitting (Dinsdag 21 Juli) werd allereerst een grostal opgemaakt van predikanten en ouderlingen ter benoeming van twee leden der Synodale Commissie in de plaats van Ds. D. Zoete te De Lemmer en van den heer C. F. Gronemeyer, ouderling te Utrecht, uit welk tal later gekozen zal worden.
Door den heer Wagter wordt rapport uitgebracht over het hulppredikerschap, waaruit blijkt dat er thans 3 hulppredikers officieel in onze kerk werkzaam zijn.
Ook over de uitkomsten van de proponentsexamens rapporteert dezelfde spreker, waarbij wordt opgemerkt dat de afwijzingen van candidaten talrijk zijn geweest. Na verschillende ontboezemingen over bevoegdheid van examinatoren en voldoende of. onvoldoende kennis van candidaten, wordt deze bespreking verdaagd tot de latere behandeling van het kerkelijk Hooger-Onderwijs. Sommigen bevelen aan het proponentsexamen te vereenvoudigen; anderen het op een andere wijze te laten afnemen of het met het kerkelijk voorbereidend examen te laten samensmelten.
Nader zal hierover worden beslist.
Aan den heer Mr. S. Muller Hz, te Rotterdam droeg de regeering op het in kaart brengen van de tegenwoordige gemeenteindeeling der Ned. Herv. Kerk. Daarvoor riep hij de medewerking der kerkelijke besturen in, welke wel naar vermogen werd verleend, edoch met de waarschuwing, dat men aangaande de kerkelijke grenzen geen volstrekte zekerheid heeft, wijl deze niet altijd met die der burgerlgke gemeenten samenvallen.
Met nadruk wordt door dr. Weyland betoogd, dat een wettelijk voorschrift wenschelijk, ja onontbeerlijk is, dat tot het in kaart brengen van de grenzen der kerkelijke gemeenten verplicht, opdat er voortaan een vaste legger zij. Dit wordt door anderen ondersteund.
Een voorstel dienaangaande zal waarschijnlijk spoedig worden ingediend.
De zevende zitting (Woensdag 22 Juli) was alleen een morgenvergadering, daar de middag werd vrijgelaten voor commissie-vergaderingen. Veel vermeldenswaardigs leverde deze vergadering niet op, daar breedvoerig moest worden gehandeld over de instructie voor den nieuwen secretaris der Synode en ook over diens pensioenregeling.
In de achtste zitting (Donderdag 23 Juli) werd het voorstel van de heeren Cremer en van Veen behandeld om n.l. de bepaling in het Regl. op het Examen te schrappen, dat iemand, na 3 maal te zijn afgewezen, geen proponentsexamen meer mag doen. Prof. Cannegieter rapporteert dat drie leden der commissie vóór de schrapping zijn, een 4de lid wilde liever een endere wijziging in deze, maar is toch bereid de schrapping te aanvaarden; het 5de lid is tegen het voorstel, omdat een derde afwijzing zeldzaam voorkomt en in de bepaling niet ten onrechte een grens is gesteld. Het rapport acht de schrapping zéér gewenscht, want handhaving der bepaling verhoogt het wetenschappelijk peil der predikanten niet en schaadt licht de degelijkheid van het examen.
Verscheidene leden stemmen daarmee in en meenen, dat de gestelde termijn een nadeeligen invloed heeft op de zenuwen der candidaten en dat de barmhartigheid vooral bij het derde examen een groote rol speelt.
Met op twee na algemeene stemmen wordt de schrapping goedgevonden en het voorstel aangenomen.
Vervolgens komt opnieuw een verzoek van de dames Gerlings c.s. aan de orde, waarin zij toegang vragen tot het predikambt; of, zoo dat niet mogelijk was, of de Synode dan niet een werkkring wist, passend aan hunne theologische ontwikkeling en bevoegdheid. Prof. van Veen rapporteert over dit verzoek en zegt dat de commissie eenparig voorstelt om het debat over de toelating van vrouwen tot den kansel, reeds zoo herhaaldelijk gevoerd, nu niet te hernieuwen.
En wat de vraag van de dames betreft, of de Synode hun niet een anderen werkkring dan kan aanwijzen achtte de commissie, dat er voor dames van wetenschappelijke opleiding een ruime plaats is bij het godsd. onderwijs. Zij wil daarom aan alle mann. en vrouwel. theol. candidaten de acte van godsd. onderwijzer(es) zien toegekend. Dit rapport werd ter visie gelegd.
Hetzelfde geschiedt met het rapport van denzelfden rapporteur over een verzoek van de predikanten Slot te Rekken, Scholten te Rotterdam en Bocke te Bierland (op Texel): dat de Synode een centrale commissie benoeme voor advies en leiding in zaken van evangelisatie. Een breede toelichting is er door de voorstellers bijgevoegd, waarin zij uitspreken dat behoefte aan leiding op het gebied der evangelisatie reeds lang is gevoeld, evenals de deelneming van het leekenelement.
Daarom bepleiten ze de samenstelling van zoodanige commissie, waarin zij zouden wenschen, benoemd te zien de inleiders van de avondbijeenkomst op 16 April te 's Gravenhage, een lid der Synode, benevens leiders van evangelisatie-vereenigingen, opdat er samenwerking zij tusschen Kerk en evangelisatie en de zaken in goede banen worden geleid, wars van willekeur en bandeloosheid.
— De commissie van rapport is verdeeld.
Twee leden meenen, dat de Synode zich met deze zaken, meer van gemeentelijken aard, niet moet inlaten. De overige drie zijn vóor de benoeming van een commissie tot onderzoek, waarover nader zal worden beslist.
De heer Cremer rapporteert over een schrijven van den heer K. Schraver te Rotterdam, die daarin verzocht een bepaling te maken waardoor voorkomen zal worden, dat allerlei onverkwikkelijke bijzonderheden worden gepubliceerd bij schorsing en ontslag van predikanten, bijzonderheden die eigenlijk niemand aangaan.
Veel is er niet aan te doen; toch wordt de goede bedoeling gewaardeerd. Is er geen bepaling tegen te maken, toch wil men er op andere wijze tegen waken.
Over een tweeden brief van denzelfden schrijver rapporteert de heer Couvret. Deze handelt over het onstichtelijk en aandacht storend collecteeren in de Kerk. Ook hiertegen zijn geen maatregelen te nemen, al ware het te wenschen, dat de Kerkeraden zelf een einde maakten aan wat stoort en hindert.
Veel bespreking veroorzaakte een laatste 'rapport van prof. Knappert. Naar aanleiding van de opwekking door de Synode van 1913 aan de Kerkeraden gericht, om het herstel van onze onafhankelijkheid in 1813 ook kerkelijk te herdenken, richtte zich een jong predikant, Ds. B. de Ligt, te Vuren, tot de Synode, om haar uit te noodigen „die circulaire als ondoordacht en in strijd met de zuivere bedoeling des Geestes te veroordeelen, " dan zou hij zich te meer haar broeder gevoelen.
De commissie stelt voor dit schrijven met bijlagen voor kennisgeving aan te nemen, omdat de Synode niet een circulaire van hare voorgangster heeft te beoordeelen, en ook omdat, al waren de omstandigheden bij onze bevrijding in 1813 niet alle eervol, en al getuigde ook daarna onder de nieuwe bedeeling niet alles van kracht en frischheid, het herstel van onze onafhankelijkheid voor ons een oorzaak van groote dankbaarheid is, wat nooit vergeten mag worden. Aldus wordt de conclusie ten slotte eenstemmig aangenomen en de zitting gesloten.
In de negende zitting (Vrijdag 24: Juli) kwam de afgevaardigde voor Drenthe, Dr. Visser predt. te Assen, ter vergadering, dewijl hij tot nu toe verhinderd was geweest. Zijn secundus, Ds, W. Wagter van Koekange, had hem tot hiertoe vervangen.
Een rapport van den heer Eilerts de Haan bespreekt een voorstel van de Syn. Oommissie, om de Synode te machtigen de quota, de bijdragen der gemeenten tot de Algemeene kas voor het bestuur der Kerk, met hoogstens 10 pct. te verhoogen, indien dit voor de kas noodig mocht blijken. Aan art. 7 van het Reglement op de kosten zou dan een 4de alinea worden toegevoegd luidende: „Deze bedragen kunnen op voorstel van de Algem. Synodale Commissie, door de Algem. Synode met ten hoogste 10 pet. worden verhoogd, telkens voor den tijd van éen jaar, indien de toestand van de algemeene kas dit noodig maakt."
De commissie adviseert het voorstel voorloopig aan te nemen. Conform dit advies wordt besloten.
Het lid van het class, bestuur van Zutphen de heer H. Navis te Aalten, wil in het Regl. voor de Kerkeraden (art. 3 al. 4) de bepaling opgenomen zien, dat kerkeraadsleden niet alleen moeten zijn mannen van onergerlijk gedrag, bekende voorstanders van den godsdienst, geen tegenstrevers der kerkelijke verordeningen maar ook geen vergunninghouders voor den verkoop van sterken drank. Dit is naar aanleiding van het feit dat onlangs een vergunninghouder te Haarlo tot diaken benoemd werd. Kerksraadsleden hebben als diakenen armoede te bestrijden. Sterke drank doet haar ontstaan. Diakenen hebben bij de bedeelden drankzucht tegen te gaan; een vergunninghouder kan moeilijk daaraan medewerken. De godsdienst bedoelt den mensch te verheffen; de drank doet hem al dieper zinken. De heer Couvret, hierover rapporteerend, stemde veel van het geschrevene toe, al plaatst hij niet alle vergunninghouders, vooral op de dorpen, even laag; maar hij acht het toch niet goed, een bepaalden kring van menschen als onwaardigen uit te sluiten. Hoevelen zou men dan niet daarnaast kunnen plaatsen; bv. koffiehuisbedienden, distillateurs, wijnkoopeis e. a. Een vergunninghouder van ongunstig karakter wordt geweerd door den eisch, dat kerkeraadsleden onergerlijk moeten zijn van leven en gedrag. Ook herinnert de commissie aan art. 11 Regl. Diaconieën.
Bij de bespreking wordt opgemerkt door prof. Cannegieter, dat dit voorstel naar zijn gevoelen het gevolg is van een partijstrijd te Haarloo. De rapporteerende commissie wijst er evenwel op, dat dit uit de stukken niet blijkt en dat niet wordt voorgesteld dat een vrijzinnig-vergunninghouder geen kerkeraadslid mag zijn, maar dat de zaak zuiver objectief is voorgedragen.
De conclusie van het rapport om, met waardeering voor de goede bedoeling de aanvulling af te wijzen, wordt met algemeene stemmen aangenomen.
Dezelfde rapporteur behandelt een voorstel van Ds. V. E. Vethake predikant te Koedijk (N.-H.) tot invoeging van een art. 12 bis in het Regl. op de Vacat. Ds. Vethake heeft er n.l. bezwaar tegen en vindt het onbillijk, dat sommige predikanten meer dan eenmaal gedurende hun diensttijd moeten optreden als consulent in een jaar van gratie en wil dit door invoeging van een bepaling verhinderd zien.
De commissie van rapport is met de 70 leden van de class, verg. van Alkmaar van oordeel, dat over deze consulentsplichten, die wellicht later voor eigen weduwe noodig zijn, niet behoort te worden geklaagd.
Het zonderlinge voorstel wordt daö ook met algemeene stemmen afgewezen.
Voortgezet wordt de behandeling van het Verslag der Synodale Commissie waarbij de Synode kennis neemt van de mededeelingen betreffende vijf aanvragen tot vernietiging van in hooger beroep genomen besluiten en eene in hooger beroep gedane uitspraak.
Door den heer Eilerts de Haan wordt gewezen op het eindbesluit van het Class. Bestuur van Dokkum d.d. 27 Nov. 1913 in zake de bevestiging van jongelieden uit de gemeente Tzum (orthod.) te Wommels (modern). Zooals men weet had de kerkeraad van Tzum geweigerd de jongelieden, in Wommels aangenomen, in te schrijven. Het Class, bestuur van Franeker had den kerkeraad te Tzum in het gelijk gesteld, welk besluit door de Syn. Commissie vernietigd werd, die aan het class, bestuur van Dokkum opdroeg een eindbesluit in deze te nemen. Het claps. bestuur van Dokkum heeft toen een eindbesluit genomen en den kerkeraad Van Tzum in het gelijk gesteld — maar het Class. Best. van Dokkum heeft toen méér gedaan dan hem door de Syn. Commissie was opgedragen en heeft naast zijn eindbesluit bovendien een besluit in eersten aanleg genomen, met betrekking tot handelingen van den Kerkeraad te Wommels eü de bevestiging der lidmaten aldaar vernietigd.
Dit is een zeer ingewikkelde kwestie. Want eensdeels hangt het éen zoo nauw saam met het ander, dat het moeielijk, ja, onmolijk is te scheiden. Want de Kerkeraad van Tzum werd in 't gelijk gesteld omdat de bevestiging te Wommels onwettig was geweest. En dus moet redelijkerwijs de bevestiging te Wommels vernietigd worden.
Maar anderzijds mag niet vergeten worden, dat het Class. Bestuur van Dokkum, die van de Syn. Commissie opdracht kreeg in het éene geen recht had om óok het dndere te beslissen. Het heeft zich het recht aangematigd om een nieuwe zaak, die nog niet in eersten aanleg behandeld was, en een gegemeente raakte die niet behoorde onder zijn ressort, maar aanstonds in een eindbesluit op te nemen — waardoor de betrokken gemeente ook beroofd werd van het recht om in hooger beroep te komen.
Door Prof. Cannegieter werd er op gewezen, dat hier onrecht was geschiedt; dat het Class. Bestuur van Dokkum niet alzoo had mogen handelen en dat dit onrecht moet worden weggenomen. Ddt gedeelte van het eindbesluit waardoor de Kerkeraad van Tzum in 't gelijk gesteld wordt en niet behoeft in te schrijven, vindt hij goed. Hij stelt dan ook voor om het eindbesluit te bevestigen, voor zoover het voldeed aan de opdracht van de Synodale Commissie. Maar het gedeelte, dat betrekking heeft op de handelingen van den Kerkeraad van Wommels, moet, als alle rechtsgrond missende, onbestaanbaar verklaard worden. De Synode, als de hoogste rechtsprekende macht in de Kerk, moest hier, volgens Prof. Cannegieter, tusschen beiden komen.
De vraag rijst nu, waaraan de Synode bevoegdheid zou ontleenen om handelend in deze zaak op te treden en of niet uitsluitend de Syn. Commissie die bevoegdheid bezit.
Waarbij nog het feit komt, dat de Syn. Commissie over deze zaak reeds gesproken had en na breede discussie met 5 tegen 3 stemmen de einduitspraak van het Class. Bestuur van Dokkum had goed gekeurd.
Ook rijst de vraag, of niet het Prov. Kerkbestuur op grond van art. 51 behoort op te treden, als een Class. Bestuur iets heeft gedaan wat niet bestaanbaar is. Waarbij weer werd opgemerkt, dat in 1896 de Synode een handeling van den Kerkeraad te Schiedam met betrekking tot lidmaten onbestaanbaar heeft geacht.
Ons lijkt deze zaak zeer moeilijk, vooral daar de zaak éenerzijds zoo nauw met elkaar samenhangt, dat het éen beslist over het ander, — en anderzijds twee zaken toch onderscheiden moeten worden; waar dan bijkomt de kwestie in zake de bevoegdheid van de Synode om in deze te mogen optreden. Bovendien — Prof. Cannegieter bracht het ter sprake bij de kwestie-Haarloo — kan de partijpolitiek een zaak opblazen, die het opblazen niet waard is.
Het voorstel-Cannegieter wordt ten slotte met 11 tegen 8 stemmen aangenomen {tegen verklaarden zich de heeren Koopmans, Bloem, Timmers, Creutzberg, Steenbeek, de Groot, Prof, van Veen en de voorz. Ds. Leenmans; zooals men ziet allen orthodoxeleden der Synode, waarbij zich o. a. de heeren Weylandt, Schrieke en Menthen van hun orthodoxe broeders afzonderden, om in den modernen hoek te kruipen. Net als verleden jaar. Wat misschien ook wat beteekent voor de discussiën, die nog volgen in deze 99ste Synodale Vergadering!)
In de tiende zitting (Zaterdag 25 Juli) wordt het rapport van Prof. van Veen over het verzoek van de dames Gerlings c. s. aan de orde gesteld en besproken. In het rapport was een kleine wijziging aangebracht. Voorgesteld was aanvankelijk dat mannelijke en vrouwel jke theol. candidaten de akte van godsdienstonderwijzer(es) kunnen verkrijgen indien zij dat begeeren. Maar nu had men een bezwaar in deze gevonden, ziende op het feit dat theol. candidaten geen examen hebben afgelegd in de bijbelsche theologie en de bijbelsche geschiedenis. Daarom wordt nu voorgesteld, dat, ter verkrijging van die akte door hen een aanvullingsexamen in die vakken moet worden gedaan.
Prof. Knappert betreurt dat de comm. van rapport de discussie over de toelating van vrouwen tot de evangeliebediening heeft afgesneden. Hij acht, dat gedurig moet worden aangehouden en wil zoo noodig hierop terugkomen.
Wat het tweede verzoek betreft om een passenden werkkring, acht spr. dat het voorstel der comm. aanbevelenswaardig is. Hierbij sluit Prof. Cannegieter zich aan en gelooft dat eenmaal de wensch der voorstanders vervuld zal worden. Volgens een bericht in het „Utr. Dagbl." zijn in Amerika 5000 vrouwen in de evangeliebediening werkzaam. Van het voorstel der comm. is spr. geen vurig voorstander, toch acht hij het doelmatig. Hij herinnert tevens aan een opmerking in de comm. gemaakt, dat deze jonge vrouwen een vrouwelijke catechetenschool zouden kunnen oprichten. Opnieuw verklaart zich de secretaris tegen de toelating, betwijfelt het bericht in het „Utr. Dagbl." en constateert dat gedurig meer mannen van beteekenis overtuigd worden, dat vrouwen niet geschikt zijn zelfs voor betrekkingen die ze nu reeds bekleeden. Ook hij is voor het vereenvoudigd examen, maar wijst er op, dat er meer wijzigingen in het Regl. op het godsdienstonderwijs noodig zijn.
Dr. Weylandt zegt, dat hij, gelijk steeds, nog voorstander van de toelating is. Het voorstel der commissie schijnt hem pover: om aan theol. candidaten een godsdienstonderwijzersakte aan te bieden. Hij is getroffen door de mededeeling, dat het denkbeeld is geopperd een vrouwelijke catechisantenschool te stichten. Graag had hij die gedachten in het rapport uitgewerkt gezien, waarin ze nu geheel ontbreekt. Prof. van Veen verdedigt dit, maar vraagt schorsing der bespreking, die thans een grooten omvang neemt. Tegenover de uitspraken der voorstanders mogen ook de tegenstanders hun overtuiging laten hooren. De bespreking wordt geschorst.
De heer Picard brengt rapport uit over een voorstel van de class, verg. van Amersfoort, om voor het nazien der rekening van den Quaestor-Generaal een accountant aan te stellen, om de leden der Synode daarin bij te staan. Den laatsten ontbreekt vaak de tijd en de kennis, om dit goed te doen. De commissie van rapport wijst er op dat eenzelfde voorstel, in 1905 door de Syn.-comm. gedaan door de Synode met algemeene stemmen op één na is verworpen, omdat ieder lid der Synode de rekening van den Quaestor-Generaal kan nazien, terwijl de kosten van een accouutant f 400 zijn. Ook thans acht de comm. geen verandering noodig en de geldelijke uitgaaf hiervoor onverantwoordelijk. Deze conclusie wordt aangenomen.
Een tweede rapport van den heer H. Akkersloot van Houten Roos, pred. te Sas van Gent, in het belang van emeriti-predd., die vanwege het geringe pensioen menigmaal in dienst blijven, hoewel hunne krachten het feitelijk niet toelaten. Hij stelt voor aan predd. die 70 jaar oud geworden zijn, eervol emeritaat te verleenen en indien zij zulks verlangen door de Synode een toelage te doen toekennen uit een door haar te stichten of aan te wijzen fonds, zoodat hun pensioen met inbegrip van rijkspensioen enz. f 1300 bedraagt. Hun kan ook toegestaan worden in dienst te blijven en een hulpprediker te nemen, wiens salaris voor de helft door hen en verder door gemeente of Synode betaald wordt. In gemeenten van meer dan 2 pred. wordt de aanstelling van dien hulpprediker faculitatief gelaten.
De comm. oordeelt hierover niet gunstig. Zij wil geen vast voorschrift voor den emeritaatsleeftijd. Het voorstel schijnt haar schadelijk omdat bij invoering der bepaling veel predikanten den 70-jarigen leeftijd zullen blijven afwachten. Bovendien worden geen middelen aangewezen, waaruit het fonds zal worden gesticht en de pensioensverhooging zal worden verkregen. De behandeling van het rapport wordt uitgesteld.
De heer Eilerts de Haan doet voorlezing van een concept-circulaire aan de kerkelijke besturen, om te waarschuwen legen het publiceeren van berichten en bijzonderheden van kerkelijke proced uren zoolang die nog in berechting zijn.
Over de verslagen van de heeren Kooiman, Ds. de Bode en Pennings te Duisburg, Dusseldorf en Recklinghausen, over den arbeid onder de Nederlanders in. Duitschland, rapporteert de heer Couvret, wiens rapport later behandeld wordt.
Afgedaan wordt een laatste rapport van den heer Cremer over een voorstel van de classis Leeuwarden tot handhaving van de verplichte bijdragen voor de Generale Kas. Zij wil hun, die haar niet voldoen, het stemrecht doen verliezen, totdat het verschuldigde betaald is. De comm. ontraadt dit, al betreurt zij dezen maatregel niet te kunnen steunen. Zij gelooft, dat niet weder een circulaire moet worden gezonden, maar doet het voorstel, dat class, besturen bij de persoonlijke kerkvisitatie in 1915 een onderzoek zullen instellen aangaande de naleving van het reglementaire voorschrift ten opzichte van de Generale Kas, opdat de omvang van het verzuim worde vastgesteld en de kerkeraden op hunne verplichting worden gewezen en tot naleving daarvan vermaand. Dan leert men den toestand zuiver kennen en kan men vervolgens verder zien.
Het voorstel der comm. wordt aangenomen, waarna de zitting gesloten wordt.
De elfde zitting (Maandag 27 Juli) opent de voorzitter met het iezen van Joh. 16 : 1—15.
A.s. Woensdag zal in behandeling komen het rapport van de commissie tot herziening van het reglement voor kerkelijk opzichten tucht enz.
Voortgezet wordt de behandeling van het rapport over de toelating van vrouwen tot de Evangeliebediening, waarover jl. Zaterdag reeds is gesproken.
De heer Weyland voegt aan zijn toen gegeven advies nog toe, dat naar zijn meening, het verlof om vrouwelijke candidaten in de theologie godsdienstonderwijzer te laten worden na een aanvullend examen, geenszins adaequaat is aan hetgeen de vrouwelijke adressanten wenschen., Bovendien zou zelfs ook eene vrouwelijke doctor in de theologie dat aanvullend examen moeten doen. Hij verklaart zich dus tegen de 2e conclusie van het rapport, en betreurt het, dat in het rapport niet gedacht is aan een geordenden werkkring, door vrouwelijke theologen in de wijken der groote steden en in de buurtgemeenten te vervullen.
De heeren Tammens en dr. Visser vinden evenzeer den weg door de commissie van rapport aangewezen niet voldoende. Om godsdienstonderwijzer te worden, behoeft men niet in de theologie te gaan studeereh, behoeft men niet naar de academie te gaan. Ook de heer Steenbeek erkent dit ten volle..
De heer dr. Visser zou wel willen zien, dat vrouwelijke theologen hulpprediker konden worden, maar hij erkent, dat daartegen dezelfde bezwaren bestaan, die tegen de toelating tot de Evangeliebediening kunnen worden ingebracht.
De heer Eilerts de Haan merkt op, dat de commissie van rapport overtuigd was, dat deze Synode het verzoek tot toelating zou afwqzen. Zij vond geen anderen weg om een „geordenden werkkring" te scheppen, dan de weg door haar aangewezen. Daarmee heeft de commissie gedaan wat zij doen kon. Dit is ook het gevoelen van den hr Schrieke. De heer Cremer zou wenschen, dat door onze vrouwelijke studenten het „frapper toujours" in toepassing worde gebracht. Hij bestrijdt den secretaris in diens meening, dat vrouwen minder geschikt zouden zijn voor het ambt, en deelt het gevoelen van den heer Weijland, dat de door de commissie aangewezen weg niet voldoende is.
De heer van Veen, lid der commissie en rapporteur, erkent, dat wat het rapport geeft niet zeer belangrijk is, maar meer kan de commissie niet geven. Tegenover dr. Weijland merkt hij op, dat ook vrouwelijke doctores het aanvullend examen zouden moeten doen.
Overigens is spr. beslist tegen de toelating tot de Evangelie-bediening. Men zou dan ook moeten stellen de voorwaarde van het verplicht coelibaat.
Door dr. Knappert wordt uitgesproken, dat door de tweede conclusie aan te nemen, eene belemmering zal komen voor langen tijd van datgene wat hij en anderen wenschen (n.l. de toelating tot de Ev.-bediening) Zijn vrees wordt evenwel door den heer Cannegieter niet gedeeld.
De eerste conclusie van het rapport (dat bet ondoelmatig is de toelating van vrouwen tot de Ev.-bediening thans ter bespreking aan de orde te stellen) wordt aangenomen met algemeene stemmen.
De tweede conclusie wordt aangenomen met 15 stemmen. Tegen stemden de heeren Tammens, Cremer en Weijland, terwijl ook dr. Knappert tegen adviseert. (Afwezig is de heer Menthen). Deze tweede conclusie is van den volgenden inhoud: Aan art. 15 Regl. Godsd. onderwijs toe te voegen een nieuwe alinea: „Zij die in het bezit zijn van den graad van candidaat in de Godgeleerdheid verkregen aan eene der in art. 1 van het Reglement op het H. O. in de Godgel. tot vorming van Ev.-dienaren voor de N. H. kerk bedoelde universiteiten, worden vrijgesteld van het examen in de onder A tot O genoemde vakken en in de kerkelijke geschiedenis, en van het sub. 2e, in art. 13 bepaalde".
In den namiddag worden twee Synodi contractae gehouden.
Men is scherp gekant tegen het formuleeren van de waarheid in enkele kringen van Hervormde menschen. Men kan de waarheid maar zoo niet formuleeren, zegt men. Men kan de waarheid maar niet in formules neerleggen en men mag dus nog veel minder met formules ènderen binden in de belijdenis. Ieder moet vrij blijven om te belijden wat bij wil en vrij blijven om het te zeggen zooals hij wil. Formules zijn uit den boozel
Als men dat zoo hoort en leest, dan moet men toch eigenlijk verbaasd staan.
Wat men vroeger altijd gedaan heeft, n.l. de waarheid onder woorden brengen, in zinnen saam vatten, in formules duidelijk voorstellen — dat mag blijkbaar nu niet meer, volgens enkelen.
Wat op elk gebied van wetenschap gebeurt, om saam te vatten in woorden en formules en resultaat der verkregen kennis, dat mag op het terrein van de religie, op het gebied an de Kerk niet, zegt men.
Waar Gods Woord ons de dingen zegt en duidelijk maakt en verklaart met bindend gezag voor ieder menschenkind-, daar mag de Kerk dat Woord niet meer naspreken, vertolkend de goddelijke waarheden ons geopenbaard — beweert men.
Wonderlijk!
Neen, we begrijpen er niets van waarom dat niet zou mogen.
Of — zou het ook wezen kunnen, dat men er sterk tegen is om onder de tucht van Gods geopenbaarde waarheid gebracht te worden; dat men geen lust gevoelt, óm gebonden te worden door des Heeren Woord in leer en leven ?
Men wil vrij man blijven, om dan Gods Woord vrij te kunnen tegenspreken en om van de aloude, ons van God geopenbaarde en in onze belijdenisschriften beschreven waarheid, vrij te kunnen maken wat men wil; om te kunnen komen met allerlei leer van eigen vinding; om allerlei waarheid te kunnen debiteeren, door de speling van eigen vernuft voortgebracht en opgesierd.
En ziet, omdat we er zooveel van begrijpen, zijn wij sterk vóór het formuleeren van de waarheden, die de Kerk van Ohristus steeds dierbaar waren en altoos dierbaar zullen blijven en wij blijven eischen, dat allen die tot de Kerk behooren, hartelijk en oprecht met die waarheden, door de Kerk zelve voorgedragen, zullen instemmen, op voorwaarde dat de Kerk hare wettige vergaderingen heeft en ieder beroep heeft op Gods Woord.
Persoonlijke godsvrucht grijpt van zelf naar, den Bijbel en wijst er anderen op.
Dat hebben alle tijden bewezen.
In de dagen van oud-Israel bond de Heere Zün volk aan de geopenbaarde waarheid; de godvruchtige ziel zei: hoe lief zijn mij de redenen Uws monds; en in de beste tijden zeiden de ouders: we zullen Zijne inzettingen onzen kinderen bekend maken.
En wat leert de Nieuw-Testamentische tijd? Dat men greep naar de Schriften; dat men de Schriften zich niet liet ontnemen en men vertolkte de waarheid in geschrift, in belijdenis, in spreuk en liever liet men het leven voor de wilde beesten, dan dat men afliet van de van God geopenbaarde waarheid, in de Schrift ons gegeven.
Toen ketterij opkwam bleek het klaarder nog, dat de Kerk behoefte had om de waarheid uit te spreken in belijdenis en formules, en men weigerde de Kerk te doen worden een vereeniging, waar een ieder naar zijn eigen religieuse smaak kon leeren en gelooven.
Men wilde Arius en Pelagius geen voet geven. Men wilde positie innemen tegen Nestorius, Eutyches enz. En tegenover de Guostieke en Manicheesche wijsbegeerte is het bestaan van den waren God, Schepper van hemel en aarde, oorsprong van al het bestaande — gehandhaafd. Tegenover Unitariërs, Monarchianen en Sabellianen is de Drieëenheid verdedigd. Tegen Arius en de Arianen is de strijd voor de godheid van Christus gevoerd. De strijd over Zijn ware menschelijke natuur ging tegen de Nestorianen, Eutychianen, Monophysieten en Monotheleten. Daarna kwam de strijd over Christus' verdiensten in verband met des menschen zondigen toestand tegenover de Pelagianen en Semi-pelagianen. En op de algemeene kerkvergaderingen zijn in verband met deze strijdvragen belijdenissen vastgesteld, die van de grootste beteekenis zijn geweest voor het verder leven van de Ohristelijke Kerk.
Zeker, die belijdenissen zijn tegengesproken en bestreden, maar dat is geen wonder, zulks zal altijd blijven geschieden, daar de Kerk altijd staan zal tegenover hare vijanden, die hare schatten haar willen afhandig maken — maar niemand zal kunnen en durven tegenspreken, dat niet mee door het formuleeren der goddelijke waarheden aangaande het bestaan van God, de Godheid van Christus, Zijn naturen, des menschen verloren staat, Christus' kruis-en zoenverdiensten enz, enz , het karakter en het beginsel der Christelijke Kerk is bewaard en gehandhaafd tegenover leugen en dwaling.
En wat leert ons de tijd der Reformatie? Waar de Kerk zelve steeds dieper weggezonken was in eene ongoddelijke leer en in een ergerlijk leven — daar men geheel losgeraakt was van de van God geopenbaarde waarheid der Schrift — daar wordt men zich in de 15de en 16de eeuw meer bewust, dat men terug moet tot de Schrift en dat de waarheid der Schrift overal weer gesteld moet worden tegenover de leugen en dwaalleer.
Wat tal van geschriften, wat tal van gesprekken, wat tal van stellingen in die dagen, handelend over de waarheid. En daar hangen de 95 stellingen van Luther, als zoovele krachtuitdrukkingen zijns harten, dat weer zich had leeren laven aan de frissche wateren der Schrift.
De Kerk gaat zich weer bewust worden een pilaar en vastigheid der waarheid te zijn.
En vooral in de verschillende catechismussen, die van Geneve, Wittenberg, Heidelberg, Engeland — bleek dat men behoefte gevoelde om te grijpen naar den Bijbel, over de waarheid Gods te spreken, van de waarheid te getuigen, tegen Rome, tegen opkomende ketterij, tegen allerlei gevaar van vervloeiing in eigen kring. Waarbij men behoefte gevoelde, om tegenover dat alles — óok ten behoeve van eigen persoonlijk leven — korte, vaste, , scherpe, 't hart rakende formules te hebben, waarin de waarheid Gods duidelijk, kort, ernstig was saamgevat en neergelegd.
Niemand, die de Schriften liefhad, ergerde zich daaraan. Integendeel.
En men zag niet tegen moeite, op om wat uit het hoofd te leeren, omdat in die waarheden de waarheid Gods besloten lag en men, om te kunnen meespreken in die dagen, voelde in de waarheid thuis te moeten zijn.
Zoo werd eigen hart gevoed met hemelsch manna en zoo werd een scherp zwaard gewet tegen de, vijanden.
Ook de vijanden verstonden dat.
Of ontstond in Zevenbergen onder de Socinianen en de anti-trinitariërs niet de catechismus van Rakow?
Heeft Rome op Trente's concilie niet nog eens uiteengezet wat men tegen de Reformatie had?
Zegt de Augsburgsche Confessie niet evengoed als de Dordtsche Leerregels verklaren, dat de Kerk, die een getrouwe getuige Ohristi wil zijn, behoefte heeft om in belijdenis en formuleering der waarheid heil te zoeken?
Zeggen de Remonstrantie en de Contra-Remonstrantie niet, dat de waarheid onder woorden dient gebracht te worden, dat ze moet worden uitgebeeld in belijdenis en formules?
Staat de Apostolische geloofsbelijdenis met haar 12 artikelen niet ais een oud, eerbiedwaardig monument, dat de Kerk noodzakelijk in belijdenis en formuleering van de waarheid moet openbaar worden als ze leeft uit de waarheid?
Leeft de Kerk niet in het midden van een krom en verdraaid geslacht om te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid, uitsprekende, belijdende, verdedigend en handhavend wat de Heere haar heeft toebetrouwd ?
Neen, men moet niet praten, dat de Kerk de waarheid niet mag neerleggen in belijdenisschriften, niet mag uitdrukken in kortere of langere formules, dat de Kerk die niet mag gebruiken tegenover leugen-en dwaalleer, dat de Kerk die niet mag laten leeren door oud en jong die in haar midden leven. Want de Kerk heeft dat in haar beste tijden altijd gedaan.
En gelukkig ook! Want zoo is zij zelve bij de waarheid gebleven en zoo heeft zij teruggedreven, die van de waarheid afweken.
De Apostelen zyn ons in deze voorgegaan. Die hebben gezegd, wat de Kerk wèl te gelooven had, gelijk zij ook uiteenzetten wie er niet tot de Kerk van Christus mochten gerekend worden. Want die de waarheid Gods ontkennen en zich ergeren aan den Christus der Schriften zijn niet van de Kerk en behooren niet in de Kerk te worden opgenomen noch geduld.
Gelukkig dat men dat te Nicea, te Chalcedon, te Wittenberg, te Dordrecht verstaan heeft.
Zoo is tegengegaan dat Gnostieken, Monarchianen, Arianen, Nestorianen, Pelagianen, Socinianen, Arminianen enz. zich rustig kwamen nestelen in de Kerk van Christus, aan wie de Heere de woorden des levens heeft toebetrouwd.
En o zeker! er zijn toch tal van dwalingen ingeslopen; veel leugen is geduld, veel ketterij is ongestoord verkondigd.
Maar hoe meer persoonlijke godsvrucht er gevonden mocht worden in de Kerk, hoe meer de Geest des Heeren waaide door den kerkelijken hof, hoe dichter men leefde bij het Woord — hoe meer behoefte men had om van de waarheid te getuigen, om waarheid tegenover leugen te zetten, om ketterijen te brandmerken, om dwaalleer te veroordeelen, — om hen die hardnekkig bleven vasthouden aan 't geen tegen Schrift en belijdenis inging uit te bannen.
De waarheid kort en krachtig uit te spreken, was dan een lust.
De banier der waarheid op te heffen, begeerde men algemeen.
De kinderen bij de waarheid op te voeden, was dan een groote zorg.
De vijanden aan te vallen en te wederstaan, schaamde men zich niet.
En daardoor is de Christelijke Kerk ook in ons Vaderland gebleven de Kerk des Heeren, bezittende de woorden des levens.
Evenwel — juist door het verslappen in het belijden, in het formuleeren, in het getuigen, in het verdedigen, in het veroordeelen — is er groote inzinking en verbastering gekomen.
Duldde men het vroeger niet, dat de Manicheesche wijsbegeerte God, den oorsprong aller dingen, kwam loochenen; dat de Sabelliaan de Drieëenheid Gods ontkende; dat de Arianen de Godheid van Christus weigerden te erkennen; dat de ware menschelijke natuur geloochend werd door de Eutychianen; dat de zondigheid des menschen en zijn verdoemelijke staat voor God door de Pelagianen anders worden voorgesteld dan de Schrift : leert; dat Laelius en Faustus Socinus gingen leeren, dat er geen Drieéénig God is, maar dat in de Godheid slechts één persoon moet erkend worden; dat Jezus is een bovennatuurlijk verwekt en hoogbegaafd heilig menseh, na zijn dood tot koninklijk heerscher verheven en tot Zone Gods gekroond; terwijl volgens hen de hoofdzaak der religie was de vervulling van Gods geboden, waartoe de Christen in staat was, vooral daar zijn inspanning gedurig geprikkeld werd door het groote loon van het eeuwige leven — duldde men dat niet, evenmin als men Arminius ongemoeid liet te Dordt, ziet, de zonde van onze Herv. Kerk in onze dagen is, dat zij zóo ingeslapen en weggezonken is in ontrouw en lusteloosheid, dat zij nu schijnbaar alles duldt en alles toelaat.
Waartoe ook de ongelukkige kerkelijke organisatie meehelpt, daar het. nooit gaat om de vraag: wat zegt Gods Woord en altijd slechts om de vraag: wat is volgens de reglementen.
OI wat is dat diep ongelukkig, dat de Kerk zoo gebonden zit in hare kluisters, dat haar mond zoo toegesnoerd zit.
Er komt weer-overal leven; er komt weer belangstelling in de stukken der waarheid; de Schrift wordt weer gebruikt; de bgbelsche waarheden worden weer verbreid en verdedigd; de leugenleer wordt weer gekenmerkt, geteekend, veroordeeld..
O! dat de Herv. Kerk van dezen lande, aan welke de Heere de woorden der waarheid in Zijn dierbaar Getuigenis toebetrouwde, weer als de Protestantsche Kerk de bijbelsche leer mocht .verkondigen, met veroordeeling van alles wat tegen de Schrift ingaat en de Schrift wil afbreken en ondermijnen.
Met het Woord komend zal de Kerk roepen: dat Woord zult gij laten wat het is!
En daar moet het heen. Om dan zich te openbaren als de Gereformeerde Kerk van Nederland, hebbende de gereformeerde waarheid, als de tot nog toe meest zuivere vertolking van de Schrift; niet duldende, dat men van allen kant het karakter onzer Gereformeerde Kerk schendt, haar beginsel rooft en de hoofdzaak harer belijdenis openlijk en hardnekkig bestrijdt en loochent.
Ziet men het gevaar niet in onze Kerk?
Men is begonnen met het moderniseeren van den Christus Gods. Men heeft Hem vernietigd in Zijn diepste wezen door Zijn Godheid te loochenen. Men heeft Hem gemaakt tot een mensch, al is 't ook een mensch met grootsche statuur.
En noodzakelijk moest daarop volgen, dat men de Kerk ging moderniseeren, ten einde haar in overeenstemming te brengen met de nieuwere opvattingen omtrent den persoon van Christus.
Ziet men dat niet in onze Protestantsche, Gereformeerde Kerk van Nederland?
Dat het tegen Gods Woord, fejfen de Bijbelsche waarheden, tegen den Christus Gods gaat?
En voelt men niet, dat nu de Kerk weer naar de Schrift moet grijpen, weer naar voren moet brengen de aloude waarheid, die alle eeuwen door bestreden is en alle eeuwen door is vastgehouden door de Kerk?
Voelt men niet, dat het nu weer de hooge roeping der Kerk is om de banier der waarheid te ontrollen en de waarheid kloek te verdedigen met alle kracht?
Meer dan ooit is het nu zaak, dat de Kerk des Heeren in dezen lande zich bewust worde van haar hooge beteekenis en haar heilige roeping.
Een roeping, die de apostel Paulus met één forschen trek teekende, toen hij de Gemeente des levenden Gods een pilaar en vastigheid der waarheid noemde.
Terug tot het Woord! Terug tot de belijdenis, aan onze Kerk door den Heere zelf gegeven!
En rondom dat dierbaar kleinood vergaderd, openbare zich Neerlands Kerk vurig van geest om te spreken naar de Schrift, en zg wedersta allen in het aangezicht, die de waarheid Gods zóo hebben gemoderniseerd, . dat zij gelijk is geworden aan de oude leugenleer.
Laten de dingen maar getoetst worden.
Laat waarheid en leugen maar tegenover elkander komen te staan.
Laat het maar uitkomen wat Hervormd, Gereformeerd, is en wat Ariaansch, Pelagiaansch, Arminiaansch is.
En dan de Bijbelsche, Gereformeerde leer in de Hervormde Kerk.
En de leeringen die tegen Schrift en belijdenis ingaan er buiten!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 juli 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's