De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking

9 minuten leestijd

Een koning wordt niet behouden door een groot heir, een held wordt niet gered door groote kracht, het paard feilt ter overwinning en bevrijdt niet door zijne groote sterkte. Zie, des Heeren oog is over degenen die Hem vreezen, op degenen die op Zijne goedertierenheid hopen. Ps. 33 : 16—18.

Wie alleen behouden kan.

Een heerlijk, een kostelijk lied: Ps. 33. Neemt welk vers ge wilt, alles spreekt van Gods grootheid. De mensch zinkt geheel in het niet. Ook de machtigsten onder hen, voor wie een heele wereld beeft, beteekenen, als ge ze voor Gods aangezicht stelt, minder dan niets. Hun raadslagen vergaan.

Wat kunnen we het in onze dagen telkens hooren en hoe menig keer betrappen we onszelf op deze gedachten: wat zou die machtige doen? En wat zouden de beraadslagingen zijn van die natie ? O, als dat eens gebeurde, dan zou...

Legt nu eens voor u: de Heere breekt de gedachten der volkeren. De raad des Heeren bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.

We hebben het telkens zoo van noode, dat het Woord des Heeren ons op de rechte plaats leidt. Wij zoeken het zoo vaak beneden, terwijl het behoud alleen ligt in de hand des Allerhoogsten. We willen een oogenblik ons oor te luisteren leggen naar wat de Psalmist ons hier voorhoudt in dit heerlijke lied.

Een koning wordt niet behouden door een groot heir, een held wordt niet gered door groote kracht.

Welke gedachte ligt hier nu in?

Deze, niet waar: het groote en machtige beteekent voor God niets. Ze kunnen nooit verder gaan dan de Heere hun toelaat.

Wat zijn daar reuzen geweest, machtigen — maar hoe en waar was hun einde, als de Heere hen tegenkwam?

Farao was groot.

Heel Egypteland buigt en gansch Gozen siddert, als hij spreekt: „wie is de Heere, dat ik Hem zoude gehoorzaam zijn!"

Nog een enkelen dag en de golven werpen een bleeken drenkeling in verflenst purper tegen de rotsen van de Roode Zee. Het rijk der Faraönen heeft uit.

Nebucadnezar was machtig.

Hebt ge hem zien staan in zijne glorie als hij, schouwend zijne sierlijke scheppingen, spreekt: „is dit niet het groote Baby Ion, dat ik gebouwd heb."

Dieselfde Nebucadnezar buigt een moment later het hoofd en zoekt gras te eten als een os. En van het machtige Babyion zelf zijn het nog slechts puinhoopen, die spreken.

Napoleon was groot.

Was niet éénmaal op zijn lippen en duizendmaal in zijn hart: „God mag in den hemel regeeren — ik zal het op aarde wel doen."

Heeft hij niet gesproken met betrekking^' tot ons land: Zou ik Nederland prijsgeven? ik geef het liever aan den Oceaan terug dan het los te laten. En wat is het slot: het paard, ter overwinning eens geleid, moet zich wenden om hem weg te dragen als vluchteling.

En heel in het eind zongen de eenzame kusten van St. Helena den zwanenzang van zijn roem.

En ziet naar die grootheid van één dag, naar die machthebbers, die, als de Heere hen tegenkomt, niets vermogen, wendt de mensch zich telkens om hulp, of hij vreest voor hen met meer dan menschelijke vreeze.

Wanneer daar ééne prediking luide weerklinkt in deze wereld; wanneer daar één woord met vlammend schrift staat geschreven in de H. Schrifture, dan is het: Maar ziet van ver met gramschap aan den ijdlen waan der trotsche zielen.

Alle menschen zijn als niets bij den Heere geacht. Hij, de Allerhoogste, spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er. Hij maakt de geschiedenis.

Wat is in deze bange dagen het oog telkens verkeerd gericht.

Heeft God het dan niet van ouds bewezen ? Hoe zijn Zijne gangen ook met ons eigen volk?

Hoe heeft dit kleine Nederland eenmaal den strijd weten te strijden tegen het machtige Spanje? En hoe heeft het kunnen overwinnen zonder eenig bondgenoot?

Alleen hij lost het raadsel op, die weet, dat er een geheim verdrag was gesloten met den Potentaat der Potentaten.

O, spreek me nooit van helden, want zij zelf in de eerste plaats zouden den lof afweren met: „Neen, de Heere der heeren deed ons triomfeeren."

Wat kan daar een gevoel bij ons opkomen: ik wou dat het nog zóó zijn mocht", als we daar lezen van helden, die voor eiken slag de knieën bogen, om Gods hulpe af te smeeken en, nadat de zege bevochten was, Hem, die Zijn zegen aan onwaardigen schonk, wederom dank weten.

Wat waren daar een bidders in het geheim, overal. God zoekende, opkomende voor zijne eere.

Waarlijk, we hebben te doen met een God, Die geeft op het gebed.

De beteekenis van wat het volk des Heeren doet is groot. Al is het ook maar een enkeling, die pleit, die in de bresse staat, die niet wijkt van voor Gods aangeidcht, zoo geeft Hij de kostelijkste vrucht.

Dat dit verstaan mag worden ook in deze dagen, door allen die den Heere in oprechtheid vreezen. Immers: zie des Heeren oog is over degenen, die Hem vreezen, op degenen, die op Zijne goedertierenheid hopen.

Wel teekenend, vindt ge niet? Het hooge, het machtige wordt niet behouden, komt om. Het paard feilt ter overwinning en bevrijdt niet door zijne groote sterkte, 't Is alsof des Allerhoogsten hand zich dreigend verheft om alles te weren wat meent in zich zelven te kunnen bestaan, maar ook diezelfde hand strekt zich liefdevol uit, zoekt te streelen door zich tot de kleinen over te buigen: zie, des Heeren oog is over degenen die Hem vreezen.

Lezer, leg er den nadruk op: zie, 't mag u niet ontgaan, wier harte met bange vreeze is vervuld. Ge moet op deze zoete vertroosting letten. Er is een bizondere zorg en bewaring van alles wat den Heere vreest.

We zouden dit met bewijzen kunnen staven uit heel de historie. Volkeren, waarin de vreeze des Heeren woont, kunnen wijzen, al zijn ze nog zoo klein en onaanzienlijk, op de grootste daden, op de.machtigste uitreddingen. En wat het beeld der volkeren geeft te aanschouwen, spiegelt zich af in het leven van al Gods kleine kinderen. Als daar waarlijk een vreezen is voor Zijn heiligen Naam, wat is daar een duidelijk ervaren van het wakend oog des Heeren.

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, Op hen het oog Die needrig knielen.

Ja, dat wil Hij te kennen geven, vandaar de toevoeging: „op degenen, die op Zijne goedertierenheid hopen." 't Is alsof de Heere tegemoet wil komen aan de bedenking, die oprijst en aan de verzuchting, die geslaakt wordt: maar ik vrees den Heere nog niet, tenminste zóo niet, als het wezen moet.

'k Weet er van, zegt de Lankmoedige, saaar geef nu eens antwoord op deze vraag: is er bij u ook een hopen op Mijne goedertierenheid? Mijn goedheid, zegt de Heere, is hemelhoog. Mijn goedertierenheid is geweldig over degenen, die Mij vreezen.

De Machtige Jakobs treedt hier uit in een van Zijn liefelijkste gestalten. Hij neemt de kleinen als bij hun bevende hand, die vreezen dat Hij ze zal verwerpen, krijgen te hooren van Zijne lippen: daarin vergist ge u. Ge kunt mijn hulpe in benauwdheid nooit naar waarde schatten; niet tot op zulk een deel kunt ge benaderen mijn lust om dit kleine te behouden en op hun angstig roepen te antwoorden.

Die op Zijne goedertierenheid hopen hebben deel aan een bestendig goed.

Nu de vraag of die vreeze des Heeren nog in ons land woont. Men heeft gedweept langen tijd met het groote, voor het kleine werd minachtend de schouder opgetrokken. Vreeze des Heeren werd achteloos op zij geworpen.

Hebt ge er wel eens uw gedachten bij stil gezet, als alleen geldt wat groot is, heeft ook ons klein landje zijn recht op bestaan verbeurd.

O Nederland, uw schoone historie kan het u melden: „Zie, des Heeren oog is over degenen die Hem vreezen."

Wat baat ons de grootheid als we zijn voorbestemd om te verdwijnen in den muil der natiën?

Daar is nog een sparen geweest tot nu, wonderlijk groot.

Tot hoe lange, Heere, zal Uwe goedertierenheid strekken?

Och, geef Nederland de vreeze van Uw Naam weder.

Daar is nog een volk, dat op Uwe goedertierenheid hoopt.

Een heerlijk hopen. Spreekt dat woord eens uit: goedertierenheid. Daarvan vormt ons menschelijk begrip altijd te nauwe grenzen. Des Heeren oog is altijd over hen open, die hierop hun hope hebben gericht. Hij geeft nog boven hun bidden en denken.

Nu de vraag: is die hope al in uw harte geplant ?

Daar is in deze dagen overal een angstig vragen: wat zal het worden? Een wereldbrand ? Een oorlog niet tusschen enkele landen maar een heel werelddeel? Zal 't ons land voorbijgaan? Onze jongelingen en mannen, zullen ze terugkeeren ?

Altemaal vragen, waarop alleen God het antwoord weet.

God in den hemel heeft de teugels in Zijn hand. Hij komt ons en de landen bezoeken. 't Zou rechtmatig zijn als onze plaats als volk werd overgegeven aan anderen.

Maar God zij dank, daar mag nog een pleiten plaats hebben voor den Troon der genade.

Daar mag nog een hopen overblijven op Zijne goedertierenheid.

Alleen één ding moet hierbij opgemerkt. Daar is geen behoud mogelijk, daar kan geen redding bestaan, daar is geen bevrijding dan door Sions Koning, dan door den Held, Die Zijne ziele gaf op Golgotha, enkel door den Gekruiste.

Vreest ge den Heere al, lezer?

Is er bij u al een hopen op Zijne goedertierenheid ?

Immers in deze twee zaken schuilt deze dubbele gedachte: ge kreegt een oog voor Gods heiligheid en uw doemschuld. Ge moest uitroepen: gena, o God, gena! maar ook: ik waag 't op Uwe goedertierenheid.

Moogt ge dit nog niet zeggen, vraagt dan den Heere er geduriglijk om:

Neig mijn hart en voeg het saam Tot de vrees van Uwen Naam.

Dan zal volgen:

Heer', mijn God, ik zal U loven, Heffen 't gansche hart naar boven.

'k Zal Uw Naam en Majesteit Eeren tot in eeuwigheid.

Put hieruit uw troost, gij, die den Heere vreest, dat Zijn oog op u gevestigd is, en dat Zijn oor niet moede wordt om naar uw gebeden te hooren. Hij weet van al uw nooden. Vertel Hem het kleine zoowel als het groote. Zijt ge in zorg omtrent de uwen, zijt ge bevreesd wat de toekomst u geven zal: leg het in Gods hand. En wanneer uw vingeren het niet kwijt kunnen, er telkens als naar teruggrijpen, vraag dan den Heere: „Och, neem het me af."

Gelde voor ons tezaam:

In de worst'ling hier beneden Blijve ons oog omhoog gericht,

Wat moog wankelen of beven. Zij Uw Woord ons eeuwig licht.

En van ons ieder, hoofd voorhoofd: Uwe goedertierenheid, Heere, zij over ons, gelijk als wij op U hopen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's