De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

Ds. V. Roos van Santpoort schrijft in het Doet. Weekblad het volgende:

Rom. 4:25.

Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

Bovenstaande schriftwoorden werden, in verband met de zoo ernstige quaestie der verscherping of uitbreiding der bekende formules en vragen in de Reglementen op het Examen en op het Godsdienstonderwijs der Ned. Herv. Kerk, in de laatste weken zeer dikwijls aangehaald en besproken.

Men veroorloove mij de vraag, of daarbij wel altijd rekening is gehouden met de niet geringe moeilijkheid, die verbonden is aan de verklaring dier woorden.

Omtrent het eerste gedeelte "overgeleverd om onze zonden" bestaat wel geen verschil. Men acht algemeen, dat hier sprake is van de overgave van Christus in den dood tot verzoening onzer zonden.

Omtrent het tweede gedeelte "opgewekt om onze rechtvaardigmaking" loopen de verklaringen zeer uiteen.

We kunnen de verschillende verklaringen van deze woorden in een viertal groepen verdeelen en moeten dan zeggen, dat ze niet alleen van elkander verschillen, maar dat ze lijftrecht tegenover elkander staan en elkaar beslist uitsluiten.

Toch vinden we onder de vertegenwoordigers van die vier groepen namen, die klinken als een klok op het gebied der exegese.

Prof. B. Weiss (in Meyer's Commentaar) zegt (en ik herinner mij, dat ook Prof. Doedes ons ongeveer zoo leerde): Paulus schrijft hier, dat God Jezus opwekte uit de dooden opdat wij souden kunnen gelooven, dat hij niet als een misdadiger stierf, maar in onze plaats, ter wille van onze zonden en opdat wij dan door dit geloof ons deze verzoening zouden kunnen toeigenen en daarmee de daaruitvolgende rechtvaardigmaking.

Bij deze opvatting gaat dus de opwekking aan de rechtvaardigmaking vooraf. De rechtvaardigmaking volgt hier uit de opwekking, is er vrucht van (of hoe men dit noemen wil).

Godet (in zijn Commentaar) heeft hier zeer ernstige bezwaren tegen. Taalkundige en andere die hij ontleent aan »de heerlijke openbaring der Schrift".

Naar zijn oordeel zou Paulus, als hij had willen zeggen, wat Prof. Weiss meent, dat hij heeft gezegd, niet gezegd hebben "dia" maar "eis of huper" enz. Hij meent, dat men niet mag aannemen, dat Paulus, die te ernstig was en zijn taal te goed kende, het woordje "dia" in denzelfden volzin, zoo heel kort na eikaar, in verschillende beteekenis kan hebben gebruikt en dat dus, evengoed als men aanneemt, dat «overgeleverd om onze zonden" beteekent, dat de aanwezige zonden de overgave ten gevolge hadden, men moet aannemen dat volgens Paulus de aanwezige rechtvaardigmaking de opwekking ten gevolge heeft gehad.

Hij bedoelt: door den verzoeningsdood van Christus kwam de objectieve rechtvaardigmaking der zondige menschen tot stand. Nu is de schuld betaald en dus is er geen recht meer om iemand er voor in den dood te houden. De verlosser moet daarom nu opstaan uit het graf.

Zóó volgt de opwekking uit de rechtvaardigmaking en — dat is absoluut iets anders dan wat we bij Weiss vinden.

Weiss zegt wel van Godet's opvatting, dat hij »op zeer gekunstelde wijze tracht aan te toonen, dat Christus moest worden opgewekt, omdat door zijn verzoeningsdood onze rechtvaardigmaking tot stand was gekomen*, maar Weiffenbach noemt Godet's verklaring «taalkundig en met het oog op het verband, volkomen correct.*

Bij Calvijn (zie zijn Commentaar) vinden we weer iets geheel anders. Volgens hem schrijft Paulus aan de opstanding rechtvaardigmakende kracht (vis justificandi) toe.

Bij de Katholieke uitleggers (Döllinger, enz.) treffen we weer een andere opvatting aan. Zij brengen de opstanding in verband met de »heiliging«, »de zedelijke verbetering*.

Is nu wat ik hier maar even aanstipte niet van dien aard, dat men, vóór men Rom. 4 : 25 opneemt in de boven bedoelde formules en vragen, eerst vooral zekerheid moet zoeken te verkrijgen omtrent de beteekenis dezer woorden?

Als toch de personen, aan wie ze straks voorgelegd worden, vragen: »wat beteekenen die woorden ? « dan moet hun daarop een duidelijk antwoord gegeven kunnen worden.

Laat men de beteekenis in het midden, dan is men niet waar men komen wil. Ieder kan er dan het zijne van maken en er is een nieuwe bron van moeielijkheden ontstaan.

Het is op dit oogenblik volstrekt mijne bedoeling niet, iets voor of tegen de wijziging der bedoelde reglementen op zich zelf te zeggen. Ik wilde alleen wijzen op de dringende noodzakelijkheid om, vóór men verder gaat met het voorstel omtrent Rom 4:25, de aangewezen moeielijkheden nog eens ernstig onder de oogen te zien.

En in de Nederl. Kerkbode schrijft Ds. Plooij, Ned. Herv. Predt, te Leiden:

Rom. 4:25 als belijdenisformule.

De voorgestelde toevoeging van Rom. 4:25 aan de proponentsformule heeft reeds heel wat pennen in beweging gezet. Ik wil mij in den vrij verwarden strijd niet mengen, slechts enkele opmerkingen tot verduidelijking van de casuspositie mogen mij vergund zijn.

Allereerst deze. Dat het misbruik van een formule gemaakt niet tegen haar maar tegen dat misbruik pleit. Dat de formule een partij leuze zou worden, bewijst alleen dat het partijwezen onze kerk zoo verkankert, dat men zelfs de elementaire en axiomatische grondslagen der prediking, de kern van het »kerugma« slechts in het licht van dat partijwezen kan zien. In den grond der zaak protesteert die prediking zelve tegen zulk een misbruik, en niet tegen de formuleering dier prediking, maar tegen het misbruik dier formuleering behoort de strijd te worden aangebonden. Niet splijtend, maar samenbindend al wat met den grondslag der christelijke prediking geestelijk instemt, is de werking der formule.

Ten tweede. Als juridische formule is niet slechts deze, maar elke formuleering van geestelijke waarheden onbruikbaar. Wij weten dit uit de geschiedenis der Kerk voldoende. Een formule heeft nooit ketterijen geweerd, en zal 't zeker in onzen tijd minder doen dan ooit. Aan elke formule kan men een willekeurige exegese geven. Er zijn modernen die bereid zijn de drie formulieren te onderteekenen! En 't geldt hier een bijbelsche formuleering. En wat op 't gebied van bijbelsche exegese gepraesteerd kan worden heeft de grens van 't ongeloofelijke reeds lang overschreden Dat er dus ook een exegese van Rom. 4:25 te vinden zal zijn, waarbij ook, laat mij zeggen Ds. de Leeuw zich zal kunnen neerleggen, staat wel van te voren vast. Juridisch zal de formule dus volmaakt onbruikbaar zijn.

En dal is gelukkig-ook! In de Kerk behoort ge juridische tucht, slechts geestelijke tucht thuis. Maar die geestelijke tucht wordt dan ook door de aanvulling met. Rom. 4:25 verkregen. De kerk wil zich uitspreken omtrent allerlei geestelijke stroomingen waarvan er sommige volkomen ingaan tegen de belijdenis der Kerk, zooals de historie ze heeft overge. leverd en het hart der geloovigen ze aanvaardt. Zij wil zeggen, wat zij gelooft en wat zij niet gelooft,  de aanvulling met Rom. 4:25 is een gewetensdaad waardoor de kerk haar dank tegenover haren Heer uitspreekt, en tegenover de menschen de banier des kruises opnieuw, zij het dan als ergernis en als dwaasheid, weder opheft.

En dan lijkt mij de keuze wel bijzonder gelukkig trouwens als spontaan op de vergadering van 16 April gegeven. Die telkens herhaalde woorden hebben sommige modernen geërgerd; maar juist die ergernis bewees hun moreele zwakheid. Wij eeren gaarne elke eerlijke overtuiging, en wij gunnen gaarne elke eerlijke overtuiging haar volle rechtmatige plaats, maar kunnen nog niet toegeven, dat elke eerlijke overtuiging binnen de grenzen der Kerk, die een verleden heeft en door dat verleden bepaald wordt, een plaats moet vinden.

Dit is het wat in die bijbelsche toevoeging wordt uitgedrukt. En 't is naar dit verleden, dat voor d« kerk normatief blijft, dat die toevoeging heenwijst.

Heenwijst — niet meer dan dat. Aan ieders geweten wordt dan ten slotte overgelaten of hij zich met dat verleden verwant en éen gevoelt, al dan niet. De gewetens te dwingen is niemand, maar allerminst der Kerk geraden. En zoo laat die formule ruimte voor alle schakeering, die zich principieel met de oudste christelijke belijdenis éen gevoelt; zij laat ruimte ook aan, dezulken, die het eigen geweten forceeren willen; een „zuivere" kerk wordt op aarde nimmer bereikt, Maar zoolang men onder christelijke Kerk en Christendom iets verstaat, moet men toch ook trachten te zeggen wat dat iets is, dat haar van Boeddhisme en Islam en Humanisme onderscheidt. En men zou zoo meenen dat 't wel allereerst de Kerk zelve behoort te zijn, die dat tracht te zeggen. Dan kan men zich slechts verwonderen dat zoo elementair-eenvoudige dingen, zóo vertroebeld worden als door de tegenwoordige partijen-discussie geschiedt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's