Stichtelijke overdenking.
Mijn Rechter zal ik om genade bidden. Job 9 : 15b.
Om Genade!
„Ziet, de Rechter staat voor de deur."
Dit Schriftwoord dringt zich met klemmenden nadruk aan ons op, als wij acht geven op de teekenen der tijden. De schrikkelijke ontketening van jammeren vervult het hart met siddering. Bange ontroering vaart door de ziel bij de gedachte aan de ontzaglijke fiolen van weedom, die zich uitgieten over de volkeren. En voor wie gelooft, dat de Heere ook daarin regeert, is't niet twijfelachtig, dat de Almachtige Zijn heiligen vierschaar spant en de volkeren der aarde dagvaardt voor Zijn geduchten rechterstoel.
En als Hij dan in het recht gaat treden, en de ure van vergeving voorbij is, laat dan al wat leeft tot in het ingewand sidderen, want dan gaat het woord van den psalmdichter in vervuiling: „O God, Uwe oordeelen zijn een groote afgrond."
Dan zullen in dien grooten afgrond van Gods oordeelen verzinken de bergen kaf van den dorschvloer der volkeren en dan zal het bangste wee geen einde hebben.
Want daar is een schrikkelijk spel gedreven met de rechten en inzettingen Gods. Driestweg werd Zijne Majesteit belachen. De vermetele mensch had de hand schennend geslagen aan de kroon des Almachtigen. Vertreden werd het eigen Woord van den Koning des hemels. Totdat de woordvoerders der volken opstonden, uie in godvergeten snoeftaal zich beroemden de lichten des hemels uitgedoofd te hebben en het verkeer met eeuwige dingen voor immer afgesneden.
Het hart van den dwaas, die mensch heet, opende zich om zijn logentaal uit te stallen: daar is geen God.
Dit alles is niet meer dan de oproerige taal van nietig stof en asch, het ijdel gewoel van nietelingen, dat de Heilige in den Hooge belacht, maar toch, God geeft Zijne eer aan geen ander, en de ure komt, dat Hij erkenning vordert van Zijn schepsel of onder de ontzaglijke roede Zijner oordeelen laat doorgaan het volk, dat Hem bespot.
Hier geeft het geen pas uitsluitend aan andere volken dan het onze, aan andere zondaars dan wijzelf te denken, want ik zeg u, daar zal uit geen enkelen boezem eene hand smetteloos worden voortgebracht.
De wereld staat met haar dwaze afgodische vereering van ijdelheden zonder wezen schuldig.
De Kerk gelijkt niet op een stad op een berg en een licht op een kandelaar. Zij laat alle wind van leer spelen met de dorre bladeren van heur zieleplanting.
De machthebbers der wereld toonen geen behoefte aan de Wijsheid, die van Boven is; en de volkeren zelf hebben zich in al hun lagen afgekeerd van den Christus Gods.
O, de balans is spoedig opgemaakt, en eindigt in een verpletterend bankroet van al wat den Eeuwige naar de kroon stak.
En dit is ontzettend, want ziet, de Rechter staat voor de deur. En nergens een lichtpunt. De wijngaard heeft niet anders dan stinkende druiven voortgebracht. Wat nu? Tot woestheid moet hij worden. Tenzij ....
Gods Kerk heeft hier een andere rol dan die van ledig toeschouwer. Het wee gaat aan haar deur niet voorbij. Elk oordeel begint bij het huis Gods. Zij grijpen naar haar eenig wapen in dezen hangen kamp, het gebed, en werpen zich in het boetekleed van zielsdiepen ootmoed ter aarde neder voor den rechtvaar digen Rechter van hemel en aarde. De toilenaarsbede zij haar niet vreemd: „Wie weet, God mocht zich wenden en berouw hebben."
Gods Kerk make zich op! Niet om te prijken met een vertrouwen, dat zij niet bezit, en ook niet bezitten kan, want wie zoozeer schuldig staat, beginne met iets anders dan met een valsche rust tentoon te spreiden: tot mij zal het niet genaken.
Laat de tijd van de gerusten in Sion toch voorbij zijn! Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en de zondaar verschijnen ? Te lang is de Allerhoogste getergd met 't mateloos-oppervlakkig gedoe: „Wij sullen niet sterven, maar leven", dat grond vond niet in arm-zondaars-geloof, maar in dwaze zelfvoldaanheid.
Job geeft in bovenstaand Schriftwoord den waren toon aan: „Mijnen Rechter zal ik om genade bidden." De Rechter staat voor de deur; Zijn dagvaart gaat uit in 't machtig gedruisch der volkenzee, die tot in haar diepste kolken op 't heftigst is bewogen: geef rekenschap, zoo luidt Zijn eisch.
En wie onzer heeft nog wat anders te toonen dan wonden en striemen en builen, niet in dienst van Koning Jezus, maar in zónde-en werelddienst opgeloopen? Of wie heeft tot zelfverdediging iets in te brengen?
Niets, neen niets, Heere, als Gij mij dooddet, geen onrecht was in UI
Heeft de Heere er dan misschien geen recht op bij ons vruchten te zoeken en bij gemis daarvan 't schuldig over ons uit te spreken, en ons te verdoen door den adem Zijner gerichten?
O gewis, want Hij is onze Rechter, onze hoogste, eenige en eeuwige Rechter, Die ons gemaakt heeft, opdat wij voor Hem zouden leven!
Die diepe, hartgrondige erkentenis van Gods recht roere in de smeeking, die nu opklimt voor Zijn aangezicht; gelijk Job ze uitspreekt in den aanvang van dit hoofdstuk: „Zóo Hj lust heeft om met mij te twisten, niet één uit duizend zou ik Hem kunnen beantwoorden." Die erkentenis ligt ook onomwonden in ons tekstwoord; wie om genade bidden wil, is er diep van doordrongen, dat hij voor de Majesteit van het Recht schuldig, diep-schuldig staat en elke penning hem ontbreekt om zijn schuld af te doen.
Met het tollenaarskleed om de schouders is zulk een afgedaald naar de diepte der ellende, en daar valt hij ter aarde neer, duift niet opzien naar omhoog, terwijl hem de bede aan de ziel ontwelt: o God, wees mij zondaar genadig!
En in dit bidden om genade, en geen recht, Hgt niet allermeest het pogen, om op die wijze nog iets te redden, neen, maar allereerst het buigen, diep en onvoorwaardelijk, volkomen en zonder beding van het recht onzes Gods!
Voor zijn Rechter past den zondaar onomwonden oprechtheid, diepe deemoed en de hartgrondige erkentenis: ik heb gezondigd.
Laat zoo Gods Kerk haar bede om genade uitbreiden voor haar Rechter; laat zij 't erkennen, dat zij naar recht den dood verdiend had; dat zij den Sprinkader des levenden waters verliet en nu gebroken bakken in haar handen draagt.
Laat zij 't erkennen, dat het pad des levens verlaten werd, toen zij van haar God wegzwierf naar den doolhof des doods.
Dan zal haar Rechter haar Heiland worden. Want de Heere is goedertieren, en zal den toorn niet tot in eeuwigheid behouden.
En de bede om genade, hartgrondig en oprecht, sterft nooit weg in de ijle lucht.
In de oprechte bede om genade komt God tot de eer van Zijn recht; daarin ligt de volstrekte billijking van Zijne straffen en gerichten; ook de erkenning dat hetgeen stamelend van Hem begeerd wordt, duizendvoud verbeurd en verzondigd is.
Merken we ook hierop: wie om genade van zijn Rechter vraagt, stelt geen beding, doet geen aanwijzing aan zijn God van de wijze waarop de genade zal moeten werken; hem ligt in de ziel de verzuchting: niet mijn wil, maar Uw wil geschiede!
Want ook in de verhooring van de genadebede, waarop de bidder hopen mag, geldt het Woord des Heeren-Mijne wegen zijn niet Uwe wegen en Mijne gedachten niet ulieder gedachten.
Een genade-bede is een bescheidene bede, die zich niet verstout om Gode perken te stellen of wegen af te palen.
Een genade-bede is een ootmoedige bede, die er niet aan denken kan Gode eischente stellen, maar met diepe eerbiediging van Zijn recht stamelt: Wie weet, God mocht zich wenden.
Ze is ook een afhankelijke bede, waarmee de ziel zich neerlegt in de Vaderhand des Almachtigen, met stil vertrouwen, dat wat Hij doet, welgedaan is.
Ze is tenslotte een machtige bede; ze dringt door in de troonzalen des Eeuwigen, ze vindt zekerlijk verhooring, want ze is gewrocht van Gods eigen hand in de binnenkamer onzer ziel en de Heere verlaat nooit wat Zijne hand begon; ze ontlokt de oneindige weldaden van zielerust en vrede des harten en kinderlijk vertrouwen en stille lijdzaamheid aan de zeer overvloedige Fontein van alle goed, naar de eigen belofte des Heeren: laat alle uwe begeerten bekend worden bij Mij en Mijn vrede zal in uwe harten wonen; wentel uwen weg op Mij en Ik zal het maken; werp al uwe bekommernissen op Mij, want Ik zorg voor u.
Bidder om genade, arm zijt ge in uzelf, maar rijk in uw God, veel rijker dan ge zelf weet, want alle Gods beloften dekken u, en die zijn ja en amen in Christus Jezus.
Bidder om genade, houd stand bij den Troon, blijf geknield voor uw Rechter; en zoo Hij vertoeft, uw Heiland, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven.
Gelukkig land, dat nog zulke bidders onder zijne zonen telt; gelukkige Kerk, die zulke bidders nog in uw bressen hebt liggen; nog is de Heere niet van u geweken en Zijne genade van u niet weggenomen.
Maar wie is tot zulk bidden bekwaam?
Laten we eerst eens op een andere vraag antwoord zoeken: wien lust het, zoo te bidden? den Rechter om genade?
U niet, gij die de rampen zoo bitter betreurt en voor de verschrikkingen, die dreigen, zoo nameloos beducht zqt, maar op de zonde der afwijking van God niet acht.
U niet, die een droefheid der wereld drijft; want met de bede om genade geeft ge u zonder beding in de hand des Almachtigen; geeft ge u op genade aan Hem. over, ook al zou Hij de jammeren vermenigvuldigen in stee van ze te temperen.
Maar uw bidden is geen bidden; tegenover den Heere onze God past ons maar ééne wijze van bidden; 't is bidden om genade!
De Heere opene er onze oogen voor, dat geen andere bede óns betaamt, nimmer, maar thans allerminst, dan de bede om genade.
Geen hoogheid van hart, geen dwaze zelfvoldaanheid, geen blinde onkunde in het eigen hart en levensboek, sta ons daartoe in den weg.
Het licht van Gods Heiligen Geest glore over onzen zieleakker, opdat we ons voor Hem mogen kennen als billijk aan het oordeel prijsgegeven vanwege onze zonde, als onwaardig om uit dien eenigen Sprinkader nog een teuge van het levende water te ontvangen. Zoo leeren wij grijpen naar het eenige wapen in de bange Jakobsworsteling onzer dagen, de bede om genade.
Om genade; niet meer; want Zijne genade is genoeg.
En Israels Verlosser uit Benauwdheid antwoorde ook nu op dit noodgeschrei, als weleer uit de schuilplaats des donders: Vrees niet, wees niet verbaasd. Ik help u. Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's