De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

15 minuten leestijd

Onze Zendingsdag.

Wat bittere teleurstelling dit jaar!

Alles was zoo goed voorbereid, zoo goed afgesproken, zoo kant en klaar — en toen kwam dat korte, harde bericht: „de Zendingsdag is uitgesteld."

Velen hadden zich er reeds op gespitst om naar de koninklijke bosschen te Soestdijk te gaan en daar in den tempel der natuur de woorden Gods te beluisteren, die daar door onderscheidene mannen zouden worden gesproken in betrekking tot het Zendingswerk — en ziet, toen kon men thuis blijven.

. De oorlog is-de schuld.

Omdat de volkeren van Europa met elkaar krijg voeren en de vijandelijke legers met elkaar vechten, zoo vlak bq onze grenzen, dat men op Hollandschen bodem het vuren ziet en het schieten hoort, daarom is de Zendingsdag afgelast en konden — moesten — we thuis blijven.

Omdat gevaren ons dreigden — en dreigen — konden we niet op reis, konden we niet rustig samenkomen in Soestdijk, konden wo niet spreken-van het Zendingswerk in het midden van een groote schare.

Droeve tijden beleven we. Droef voor onze zonen en voor onze broeders, die hun huis en haard moesten verlaten om het geweer op te nemen en naar de grenzen, naar de forten, naar de kazernes te gaan.

Droef voor de mannen, die hun vrouwen moesten verlaten. Droef voor de vrouwen, dia hun mannen zagen wegtrekken bij trommelslag en krijgsmuziek.

Te wapen! klonk het zoo plotseling.

En ja — 't is nog vrede voor Nederland.

Maar daar vlak bij ons wordt de grond gedrenkt met bloed; daar staan Duitschers die schieten op de Belgen; daar staan Franschen en Engelschen, die aan zullen vallen om Duitschlands eere te rooven, Duitschlands zonen te dooden, Duitschlands grenzen in te perken — zoo mogelijk.

Oorlog!

Ontzettend! Heel Europa staat in vuur en vlam. .

Vreeselijk! Want ze vallen niet als strijdend man tegen man. Ze vallen bij tien-, honderdtallen tegelijk, 't Is moorden — om te overwinnen. Ach — wat zal het einde zijn?

Nog werd Nederland gespaard. Door Gods goedheid alleen, niet om verdienste.

Neerlands zonden zijn zoo veel in getal; ze zijn zoo groot; in staat en maatschappij, in kerk en school en huisgezin; onder alle standen en onder elken leeftijd.

Nederland wordt nog gespaard. Uit genade, niet naar verdienste.

Neerlands God geve maar een geest van verootmoediging, opdat we toch leeren mogen door den oorlog; door de oorlogsellende; door de ellende die is en nog komen zal.

Er is zooveel Godsverachting; zooveel verachting van het Woord; zooveel verachting van de gaven Gods, van het werk Gods, van de bevelen Gods.

Ja — we zijn waardig om vernietigd te worden; om gestraft te worden; om bezocht te worden; wij en onze kinderen.

De Heere zij ons genadig en neige onze harten tot de vreeze Zijns Naams.

Om ook het Zendingswerk niet te vergeten. Bizonderlijk dit jaar niet te vergeten.

Want we hebben geen Zendingsdag nu.

Dat is 't zelfde als: de Gereformeerde Zendingsbond heeft financieel groote schade, in vergelijking van endere jaren.

En het Zendingswerk kan dat niet lijden.

Vooral nu niet — want onze Zendeling moet voort; onze onderwijzer moet weg; onze kweekelingen wachten; onzen zendeling-arts zoeken we; ons hospitaal moet er komen evenals onze scholen.

Neen — het zendingswerk kan en mag het niet lijden, al die schade van de mislukking van onzen Zendingsdag.

En daarom doen we een vriendelijk, ernstig, dringend beroep op aller medewerking en roepen allen toe: steunt onzen Zendingsbond in het Zendingswerk.

Nu vooral!

Uit de Synode.

IV.

Door den oorlog liepen ook de vergaderingen van de Synode in de war — en men besloot tot nader order uiteen te gaan.

Van de vijftiende zitting valt niet veel te zeggen. Men maakte wat werk klaar voor de zestiende zitting en toen ging men naar huis tot — waarschijnlijk 9 September a.s.

Uit de 16e zitting (6 Augustus) willen we een en ander meedeelen.

Er wordt een circulaire opgesteld tot op roeping van veldpredikers. Ook een circulaire aan de Kerkeraden, om in de godsdienstoefeningen collecten te doen houden voor de gezinnen, die hunne kostwinners verloren.

Het beheer der Algem. Kerkelijke fondsen werd opgedragen aan de Syn. Commissie. Het overzicht van den staat der Ned. Herv. Kerk wordt goedgekeurd. Daarin staat onder meer, dat in dit jaar rijkstractement werd verleend aan de gemeente te De Krim (Overijsel) en voor een derde predikantsplaats ta Delfshaven en tevens dat voor den cursus 1913—14 bij de Kerkel. Hoogleeraren ingeschreven zijn te Leiden 48 theol. studenten, waarvan 5 voor de eerste maal. Te Utrecht zijn die getallen 47 en 11; te Groningen 29 en 3.

Tot sec.-lid der Syn. Commissie in de plaats van Dr. W. J. Aalders te Beesd (die primus lid is geworden) wordt benoemd Ds. 0. vau Paassen te Haarlem.

Aan Ds. J. H. Ledeboer, directeur van het reclasseeringsbureau te Amsterdam, wordt toegestaan lid van de Syn. Weduwenbeurs te blijven.

Nog werd behandeld een verzoek van den Kerkeraad te Amsterdam, om bij de Tweede Kamer bezwaren in te brengen tegen de ouderdomsrente van behoeftigen, als hoedanig de Kerkeraad het volgende noemt: „het ingediende ontwerp heeft geheel het karakter van Staatsarmenzorg; zij, die er van genieten, worden bevoorrecht boven hen, die van de Kerk ondersteuning ontvangen, onder welken vorm ook, terwijl dezen tevens maatschappelijk worden achtergesteld, waardoor de ondersteuning der Kerk tevens een vernederend karakter verkrijgt; wordt dit ontwerp tot wet verheven, dan zal dit ook voor de diaconie nadeelige gevolgen hebben, aangezien diakenen met de zorg voor die ouden van dagen zullen worden belast, die daarvoor in aanmerking zuilen komen."

Reeds de Syn. Comm. ging evenals de Comm. van rapport ten deele met de gemaakte bezwaren mede, maar voegde nieuwe erbij. Reeds had de heer Cremer in dezen geest een adres ontworpen, dat door de Synode met dank werd goedgekeurd.

Op voorstel van prof. Van Veen werd besloten het gebouw der Synode telefonisch communaal en intercommunaal aan te sluiten.

Was eerst bepaald, de Synode tot 9 Sept. te verdagen, in het belang van den goeden gang van zaken werd dit besluit gewijzigd, door de Synode thans te sluiten en aan de Syn. Commissie op te dragen haar op 9 September weder' bijeen te roepen, behoudens overmacht van bijzondere omstandigheden, door de Commissie te beoordeelen.

Aan de leden der Synode, die amendementen wenschen voor te stellen op de ontworpen of herziene reglementen op het Beheer, op de Benoeming van kerkeraadsleden of op de Syn. Hulpbeurs, werd verzocht die vóór 1 September a.s. schriftelijk in te dienen bij den Secretaris, opdat ze kunnen worden gedrukt en aldus in behandeling genomen.

Hierna sprak de president een laatste woord met het oog op den zorgvollen tijd. In ernstig gebed droeg hg de belangen van kerk, volk en vaderland Gode op en sloot aldus de zitting der Synode. Zij het een dankbaar weerzien met verruimd gemoed, wanneer hare leden over enkele weken elkander weder ontmoeten, zoo God het wil.

***

Alzóó.

Waarom heeft de Heere dezen lande alzóó gedaan? Deut. 29:24a.

Benauwde tijden beleven wij.

Het eene volk trekt op tegen het andere.

De fakkel des oorlogs steekt schier geheel Europa in lichter laaie.

De bange vraag rijst op uit de geprangde gemoederen: Waarom alzóó?

Dan wordt de blik naar het Oosten gericht en de een werpt de schuld op het Servische volk, terwijl de ander den grijzen monarch aan den Donau de oorzaak noemt van de ellende, die over ons werelddeel staat te komen.

Het zou ons niet verwonderen, wanneer weer derden den Russischen Czaar of den Duitschen Keizer of de Fransche Republiek of Engeland verantwoordelijk stellen voor den droeven toestand, waarin Europa zich bevindt.

Wij willen geen oordeel uitspreken, wie hier juist ziet.

Wel gelooven we, dat men niet moet zoeken bi] menschen, wanneer God slaat.

De oorlog is een geesel Gods. De Heere bezoekt Europa. Hij komt Nederland kastijden.

Waarom alzóó?

Omdat zij het verbond des Heeren, des Gods hunner vaderen hebben verlaten, dat Hij met hen gemaakt had.

En zij henengegaan zijn en andere goden gediend en zich voor die gebogen hebben.

Daarom is de toorn des Heeren ontstoken.

De volken van Europa zijn Christenvolken.

Het volk van Nederland is een Christennatie.

Zijn ze niet gedoopt in den Naam van den drieéénigen God?

Men zou het anders niet gezegd hebben.

In plaats van den Heere te dienen, zijn ze andere goden nagevolgd.

De afval van God en de verzaking van Zijn dienst namen hand over hand toe.

Begeerlijkheid der oogen, streeling der zinnen, grootschheid des levens, dat waren de goden, wier dienst men zocht.

Een dienen van Hem, die alleen aanbidding waardig is; een dienen in geest en in waarheid, waar werd het nog gevonden?

Zelfs bij dezulken, die nog aan de gewoonte vasthielden van op te gaan naar Gods huis, hoe was bij hen het goud verdonkerd?

Wereldwijsheid en wereldzin namen de overhand. Het werd een dienen van Baal en God, alsof zulks kou en geoorloofd was. Het werd een hinken op twee gedachten.

Zou de Almachtige zich niet grootelijks vertoornen over zulk een doen?

De oorlog is een geesel Gods.

Het is, alsof de Heere spreekt: wie niet hooren wil, moet voelen.

Reeds lang heeft Hij de roede waarschuwend opgeheven gehad. Nu is ze neergekomen.

Volk van Nederland! Zeg niet: Wij lijden door de veroveringszucht van anderen.

Was de maat van uw ongerechtigheden niet boordevol?

Waren de afvalligen onder de kinderen onzes volks van den God onzer vaderen niet vele?

Is het niet waar, dat wij, nageslacht der martelaren, het verbond des Heeren, des Gods onzer vaderen verlaten hebben?

Wij, ik en gij hebben gezondigd.

Blijve deze persoonlijke belijdenis geen lippentaal, maar worde ze meer en meer de taal der waarachtige verootmoediging.

Dan is er hope, dat de geesel Gods niet tot verderving nederdaalt, maar enkel en alleen tot kastijding.

Dan is er hope, dat de krijg onzen vaderlandschen bodem niet overschrijdt om te verwoesten tienduizenden levens, die ons dierbaar zijn.

We hebben hét verdiend, dat de Heere ons uitwischt uit de rij der natiën.

Er is echter een weg ter ontkoming geteekend in de H. Schrift:

Wanneer deze vloek over u zal gekomen zijn en gij zult u bekeeren tot den Heere uwen God, zoo zal de Heere zich uwer ontfermen.

Laat ons dan opheffen schuldige handen, niet verbloemend persoonlijke en volkszonden, smeekend naderen tot den troon van den Ontfermer en van Hem vragen, of Hij niet al te zeer wil treffen, maar Zijn kastijdingen matigen.

Alleen in den weg van oprechte bekeering kan er sprake zijn van opheffing der straf.

En wanneer het Gode belieft ons nog verder te tuchtigen, bedenk dan wat een Jeremia uitriep: Wat klaagt dan een levend mensch ? Een ieder klage vanwege zijn zonden. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeeren tot den Heere. Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende: wij hebben overtreden en wij zqn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gepaard.

Wanneer ramp op ramp het deel mocht worden van ons volk, en we weten geen opossing van de vraag: Waarom alzóó, lees dan, wat in de Klaagliederen opgeteekend  staat van het volk Israels en in dat volk vindt ge het beeld van het schuldige volk van Nederland.

{Overgenomen uit „Onze Vaan")

Geduld — maar niet erkend.

Hoe staat het met de positie van de vrijzinnige Hervormden in onze Kerk?

Zij kunnen het zelf beter zeggen dan wij.

En dan knippen we een paar regels uit een ingezonden stuk van M. O. van Mourik Broekman, voorkomend in het „Weekblad voor de vrijz. Hervormden, " van 23 Julij.l., waar hij o. a. zegt:

„Wij willen niet geduld worden, omdat de reglementen der Hervormde Kerk zoo halfslachtig zijn, dat men ze niet tegen ons hanteeren kan, maar wij willen erkend wezen."

Dat is de positie van de vrijzinnigen juist geteekend door een viijzinnige.

Rechten hebben ze niet, noch zedelijk, noch reglementair. Men hoort eigenlijk niet thuis in de Herv. Kerk. Dat voelt men en men vindt het verdrietig, omdat het ook zoo vernederend is.

Ja — omdat de reglementen zoo halfslachtig gemaakt zijn, kan men ze wel niet tegen de modernen hanteeren, maar feitelijk zijn de reglementen toch anti-modern.

Men wordt geduld.

Maar erkend wordt men niet.

En dat laatste wil men.

Waarom de heer van Mourik ook een strijd wil met de orthodoxie naar een bepaald vrijzinnig program, dat b.v. inhoudt: wettelijke erkenning der vrijzinnigen in de Ned. Herv. Kerk; verwijdering uit de reglementen van alles wat daarmede strijdt, o. a. het door en door verouderde artikel XI; herziening, liefst afschaffing der thans bestaande wijze van belijdenis doen; invoering van alles wat uitvloeisel zou zijn van het beginsel der gelijkgerechtigheid der richtingen, b.v. evenredige vertegenwoordiging.

't Is wel aardig om dit alles van een vrijzinnige te lezen — 'want klaar als de dag is iet dus wel, dat zij zelf zich ook bewust zijn, dat zij niet wettelijk erkend zijn in de Herv. Kerk en dat de geest van de reglementen antivrijzinnig is!

Precies zooals wij altijd schreven.

* Oud-en Nieuw-Testament.

De moderne verklaring van „den godsdienst van Jezus", waarin dan tevens de opvatting aangaande het Oude-en de opvatting van het Nieuwe Testament uitkomt, vinden we weergegeven in de woorden van Dr. H. Bakels, geschreven in zijn „ Woord vooraf" van den 2den druk van het Nieuwe Testament, in 1913 verschenen bij de „ Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur" (Amsterdam, Utrechtsche dwarsstraat 13, geb. ex. èf 1.30).

Daar schrijft de predikant van St. Anna Parochie:

„Testament" is een Latijnsch woord, dat beteekent: getuigenis. Wat iemand plechtig „betuigt" bijvoorbeeld in zijn sterfuur. „Testament" beteekent dus: plechtige uitspraak, plechtige afspraak, bijvoorbeeld bij het sluiten van een verbond.

Nu meenden de oude Hebreen voor 3000 jaren, dat God niet is een eeuwig-Zich-Zelven gelijk-blijvend, altijd-door-gelijk-werkend Wezen, maar zij meenden (evenals hunne tijdgenooten de oude Grieken, hoewel in minder mate, daar deze Grieken hunnen goden nog veel ongerijmder dingen toeschreven), dat de Godheid is een nogal menschvormig Wezen. Deze meening noemt men anthropomorphisme.

In zeker oogenblik des tijds (meenden ze) sloot eens de Godheid, onder plechtig gebaar van donder en bliksem, een verbond speciaal met de Hebreen, en wel bij den berg Sinaï bij de Roode Zee, plusminus 2500 jaren „na de schepping der wereld", wat wij nu zouden noemen:1500 jaren voor Christus. Men kan van dit Verbond lezen in Exodus 19 (vooral vers 5 en in Exodus 20 tot vers 18). En de inhoud van dit Verbond of Testament (getuigenis, afspraak) was in het kort als volgt: O volk van Israel, o Hebreen, indien gij Mijne wetten houdt" (zoo getuigde God), „dan zal Ik u een beschermer zijn."

Dus een verbond van reciprociteit of wederkeerigheid. Een rechterlijk contract. — Zoo vertelden en meenden die oude Israëlieten.

Vele eeuwen later evenwel, nadat Socrates en Plato hadden gewerkt op aarde en hun licht met de gansche Grieksche beschaving had gestraald tot Palestina toe, ja nog verder... en nadat verlichte profeten onder het Joodsche volk zelf hadden gesproken van een nieuw verbond dat komen moest.... toen begonnen sommigen onder dat oude Hebreeuwsche volk deze rechterlijke verhouding bovengenoemd, dit Verbond („berieth" noemden ze 't in het Hebreeuwsch; „testamentum" heet 't in het Latijn) van God met de Joden alléén toch wel wat erg bekrompen te vinden, immers berustende op gedachten van loon en niet van liefde, genade-loos, en uitsluitende de „heidenen."

Toen stond op: Jozua of Jezus, zoon van Maria; de aardsche vader is onbekend ge­bleven tot op dezen dag. Jezus stond op en sprak: De band (het verbond) tusschen God en tusschen alle menschen (niet alleen de . Joden) is niet: wettelijke reciprociteit; maar LIEFDE. Zoo sprak hij. Voor de verbreiding dezer Overtuiging gaf bij zich alle moeite deed hij alle opoffering; hij zwierf het gansche land door, ja tot over de grenzen, tot de stad Tyrus toe, om deze Boodschap (eene goede boodschap, een euangelium) bekend te maken op alle dorpjes, in alle steden; hij sloofde zich af langs stoflige, zonnige wegen, gaf zijne nachtrust om er nog verder over na te denken, sprak aan heg en steg en weg, op straat en drempel en in tempel, aan maaltijd en bruiloft, bij put en aan 't meer en op 't schip, tot de schare en onder vier oogen; hij ging zelfs tot de hoofdlieden van zijn volk om 't hun zelven toch op het hart te drukken, dat ze hun ouderwetsch wettisch idee van 't Verbond moesten laten varen. En toen zijn deze hoofdlieden boos geworden; maar toch heeft Jezus zijne Meening niet opgegeven, maar hij heeft haar volgehouden, maar hij heeft er voor gegeven zijne tranen, zijn angstzweet, zijn hartebloed in eenen angstvollen nacht in Gethsémané, en in een wreeden doodsstrijd die heeft geduurd van Vrijdagmorgen 9 uur tot 's middags 3 uur toe.

Deze kruisdood nu van dezen Verkondiger heeft gemaakt eenen diepen, diepen indruk op zijne volgers. Een van hen, Paulus genaamd, sprak:

Ja, onze Meester heeft het récht gezegd: LIEFDE zij de verhouding tussehen God en mensch. Dat is de ware band, het ware verbond, berieth, testamentum. Het nieuwe Testament.

AIzoo sprak Paulus. En hij heeft dit verkondigd van Jeruzalem tot Rome toe. En na hem heeft de menschheid om de Middellandsche Zee, ja in gansch Europa en ook daarbuiten, het nagesproken: Liefde is de ware verhouding tusschen God en mensch. De nieuwe verhouding, dat nieuwe verbond of testament, waarvan reeds oude profeten als Jesaja en Jeremia hadden gedroomd en geprofeteerd.

In latere eeuwen nu is men ook (zeer oneigenlijk!) het Boek, waarin van Jezus 'liefdeidee en liefdebond" staat te lezen, gaan noemen: „Het Nieuwe Testament."

Dit „boek" bestaat eigenlijk uit 27 boekjes of geschriften. Het is dus niet één boek, maar een bibliotheekje van 27 boekjes."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 augustus 1914

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's