Stichtelijke overdenking.
Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uwe vaders opgelegd hebben tot een schat tot op dezen dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt de HEERE. Jes. 39:6.
Er zal niets overgelaten worden.
II.
Daar komt Jesaja tot den Koning, om een boodschap over te brengen van den Heere.
„Hoor het woord des Heeren der heirscharen" zoo spreekt hij. Dus hij komt namens dien God, die met macht en heerlijkheid is bekleed; die heerschappij voert over de legioenen engelen, die met de legerscharen der koningen doet naar Zijn wil.
Hij komt in don name van Hem, die Hizkia pas gered had uit de hand van de Assyriërs, die den Koning pas had uitgerukt uit de macht des doods.
O! wat had Hizkia zich toen verheugd in z'n God! Wat was de Heere barmhartig en genadig geweest. Wat had Hij .bewezen, dat Hij zijn volk gedenkt en trouwe houdt tot in eeuwigheid. Wat had de Heere zich een verhoorder des gebeds betoond, op Wien Sion nooit te vergeefs vertrouwt!
„Zalig hij, die in dit leven, Jacobs God ter hulpe heeft."
Hizkia leefde bij deze dingen (38 : 16); zijn ziel werd verkwikt door de ervaring, dat de Heere al Zijn beloften waar maakt, ook in de moeilijkste en bangste tijden.
En gesterkt in het geloof en in de liefde leefde de vrome Koning in het midden van zijn volk.
Maar daar komt de Koning van Babel zijn hoogmoed streelen. De heidensche Koning van een machtig rijk legt geschenken aan zijn voeten. En hij vindt dat heerlijk. Hij groeit daarin. En hij wordt losgemaakt van dat teer, oprecht, vroom leven voor het aangezichte des Heeren om over te loopen met z'n gedachten, ja met heel z'n hart, naar den heidenschen vorst, om zich te verzwageren met den onbesnedene — met wien de Heere hem verboden had zich te vereenigen.
Daar wordt Koning en volk weer getrokken in het oude zog. De hoogmoed, de weeldezucht, de wereldsgezindheid, het leunen op aardsche macht, het vleesch tot z'n arm nemen — neemt weer geheel het hart van vorst en volk in beslag.
't Is niet meer: de Heere is onze God en wil zijn de schapen Zijner weide.
't Is nu: de Koning van Babel is onze vriend, dat zal ons eere en aanzien geven onder de volkeren! De teere Godsvrucht is weg. De voorzichtigheid is zoek. Het acht geven op God en Zijn Woord vindt men niet. Het is alles plotseling verbroken. Het is opnieuw verbroken. Verbroken, zooalshet reeds zoo dikwijls verbroken was geworden bij Efraïm, gelijk ook bij Juda.
Weer had de grootschheid des levens, de begeerlijkheid der oogeu, de lust des vleesches het gewonnen.
En nu komt Jehova om door den mond van Jesaja aan te zeggen, wat het gevolg van dezen zondigen weg zal wezen voor Koning en Vaderland!
„Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord des Heeren der heirscharen. Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uwe vaders opgelegd hebben tot een schat tot op dezen dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt de Heere. Daartoe zullen zij van uwe zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des konings van Babel" (vers 5—7).
De oude geschiedenis!
Het volk door God gezegend — verlaat God.
Het volk door God onderwezen — vergeet God.
„Als Jeschurun vet werd, sloeg het achteruit."
En de Heere ziet het en merkt het op. Hij is genadig, barmhartig en groot van langmoedigheid. Hy weet lang te zwijgen en Hij zet de voetstappen Zijner oordeelen langzaam.
Denk aan de 120-jarige prediking van Noach.
Denk aan gansch de geschiedenis van Israel in de woestijn en in Kanaan.
Denk aan al het werk der profeten, hoe de Heere Zijn volk lang, lang gewaarschuwd heeft.
Maar Hij komt met Zijn oordeelen. Hij komt in Zijn heiligheid en rechtvaardigheid. Hij komt met Zijn .straften en zal vreeselijke dingen in gerechtigheid doen verkondigen.
Zoo ook hier.
De 10 stammen waren reeds weggevoerd.
O, die vreeselijke zonde, om van achter God af te wijken en te hoereeren met de afgoden. Schrikkelijke gruwel, om de gunste en hulpe van Jehova in te wisselen voor eer en aanzien van de wereld, voor de gunste van Egypte of Assur.
En Juda was nog gespaard. Gespaard en gewaarschuwd. Gewaarschuwd en gelokt door den Heere, die smarte lijdt van wege de afwijkingen Zijner erve.
Maar Juda verhardt zich. De schrik heeft uit, om de afgoden na te wandelen. En de weeldezucht wint het van de godsvrucht. De oogèn lonken de wereld aan. De heidenen lokken het bondsvolk, dat gaarne volgt in hunne paden.
Komt — zoo roepen zo met de heidenen saam uit — komt, laat ons de banden die ons binden aan God en Zijn Gezalfde maar verscheuren; komt, laat ons hunne touwen maar van ons werpen!
En daarin gaat nu Hizkia zijn volk voor.
Zijn volk wilde het wel, wilde het al zoo lang, wilde het telkens. Maar de vrome koning Hizkia stond hen tegen. Die verbrak de altaren, die wierp de afgodsbeelden weg, die maakte de gemeenschap met de vreemde vorsten los, die ontsloot den tempel, die vernieuwde den dienst des Heeren, die luisterde naar de stemme zijns Gods, die wandeldein Zijn wegen. En vorst en volk, koning en vaderland werden gezegend.
„Zalig hij, die in dit leven Jacobs God ter hulpe heeft."
„ De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid en het houden van Gods geboden geeft groot loon."
„ Het is beter op den Heere te vertrouwen dan hulp te zoeken bij menschen, ja hulp te verwachten van prinsen."
En ziet — daar gaat de vrome Hizkia den ouden beproefden weg nu verlaten. De zonde heerscht over hem. Hij laat God los en reikt de hand aan Babel. Hij gaat zijn volk voor in het pad van God-vergetenheid, weeldezucht, hoogmoed.
Maar dan staat daar de man Gods voor de deur.
En dan komt de man Gods aanzeggen, dat de zonde zichzelf straft en dat het kwaad is, om tegen God te zondigen, om Gods woorden in den wind te slaan, om Gods eere te rooven en de voeten te zetten in het pad van de wereld, die zich verzadigt met 'tgeen voor oogen is.
Het zal Juda gaan gelijk Israel.
Evenals Israel was ook Juda een onhandige koe, een botte duif. Evenals Israel bedacht ook Juda kwaad tegen God.
De Heere zou nu óok aan Juda komen voltrekken, wat Hij aan Israel had bekend gemaakt: „zij zullen vele dagen blijven zitten zonder koning en zonder vorst en zonder ofler en zonder opgericht beeld en zonder afgod en terafim" — „Ik zal doen ophouden al hare vroolijkheid en hare feesten; Ik zal verwoesten haren wijnstok en haren vijgeboom en Ik zal over haar bezoeken de diagen des Baals, waarin zij dien gerookt heeft." (Hosea 2 en 3).
O! wat doet de mensch toch dwaas om niet te gelooven wat God elk oogenblik waarschuwend zegt.
Om de horens toch maar omhoog te steken. Om maar dom en onbedacht voort te hollen in den weg der zonde.
Men laat zich maar raden door de wereld; men kiest de zondige oogen tot gids; men geeft zich over aan de lusten van vleesch en bloed.
En men bedenkt niet dat alles het op onzen dood, op onzen ondergang, op ons ongeluk en ons verderf gemunt heeft.
Terwijl de Heere het goede ons doet bekend maken van dag tot dag, opdat we ons tot Hem zouden leeren bekeeren. Zijn Woord tót een gids op ons pad kiezen en in Zijnen dienst onze vreugd vinden, belijdende van den Christus Gods: Hij is de Heere, onze Gerechtigheid, onze vrede.
O! die afwijkingen van achter den Heere!
Wat getuigen ze tegen Gods kinderen, die door genade toch de begeerlijkheid van den dienst des Heeren kennen.
Ze weten, dat het goed is, om Hem achterna te wandelen, om in Zijnen Christus hun lust te zoeken, om op Hem te hopen, om uit Hem te leven — gelijk het sterven dan gewin is.'
Neen, geen heerlijker voorrecht, dan om nabij God te mogen leven, Hem te kennen tot het deel onzer erve.
En toch wat staat er niet telkens tusschen de ziele van Gods kind en den Heere, om hoofd en hart van God af te trekken. Wat komt de wereld met hare verleidingen; wat weet de zonde te lokken; wat weten de lusten des vleesches te vervoeren in het pad van ongerechtigheid.
We zien het ook in Hizkia.
En we bemerken, dat de vrucht der zonde bitter is.
Het einde van dien weg is de dood.
Gelijk in Christus alleen het leven ligt.
Waarom we deze geschiedenis van Hizkia hebben besproken?
Wel — gij verstaat het toch wel, nietwaar ?
Is het niet noodig juist in deze droeve, donkere, benauwde dagen, waarin wij nu leven?
God heeft ons plotseling in oorlogsgevaar gebracht, en ieder beeft.
Neen — de oorlogsfakkel is in ons Vaderland nog niet ontbrand; maar onze zonen, de kinderen onzes volks, zijn toch reeds onder de wapenen geroepen.
En onze broeders verlieten ons om naar de grenzen te trekken. De mannen lieten hunne vrouwen en kinderen achter om onze forten te bezetten. Heel ons land is in beroering en op aller lippen zweeft het woord oorlog, gelijk onze nieuwsbladen ook vol staan van oorlogs-berichten.
Door één schot te Sarajewo in Servië, waardoor de Oostenrijksche troonopvolger Aartshertog Frans Ferdinand met zijn gade viel, is heel Europa in brand gezet, heel de wereld in beroering gebracht — ook óns land in oorlogsgevaar.
Oostenrijk toch riep Servië tot verantwoording, omdat dat ééne schot zoovéél openbaar maakte, wat reeds lang in breeder omtrek smeulde daar in het land, waar de staatslieden der Kroon Koningsbloed aan de vingers hebben. Rusland, aan Servië's bevolking verwant zijnde van het Slavische ras, trok zich aan wat Oostenrijk eischte van het land, waar Frans Ferdinand viel. Duitschland spitste de ooren toen het groote Rusland zich bewoog. Frankrijk wapende zich, toen Duitschland zich er mee bemoeide. Albion bleef niet uit om zich toe te rusten tot den strijd. België werd gekozen tot oorlogsveJd. Japan meende ook zich te moeten mengen in de verwikkelingen tusschen de volkeren in Europa.
En zoo is heel de wereld in beroering, te land en te zee, in de lucht en onder de wateren.
Waarby ons Vaderland, het dierbre plekje gronds waar God ons deed geboren worden, er tusschen ligt als een grasveld in het midden van een prairie-brand.
Zullen we den oorlog van heden karakteriseeren met de woorden „een strijd om macht f"
Zijn de vorsten niet jaloersch op elkaar? Zijn de rijksgrooten niet verhit op macht? Zijn de volkeren niet begeerig naar eer en aanzien? Wat wordt er niet gezind op uitbreiding van grenzen; op vermeerdering van bezit; op uitzetten van vermogen!
Wat wordt er niet veel gedaan om de wereldzeeën te beheerschen, om op de wereldmarkten de macht in handen te krygenl
En wat overlegt het eene ras niet om het andere ras de loef af te steken, den eerepalm te ontrukken, van de eereplaats weg te duwen!
Loert het Slavische ras in Servië en Rusland niet om vrijer beweging te kunnen krijgen en den Germaan een toontje lager te doen zingen?
Zint Frankrijk niet om 1870 te wreken op Duitschland, een verbond sluitend met Rusland, met welk land en volk 't overigens niets gemeen heeft dan haat tegen den Duitschen adelaar?
Gaat Engeland niet vol van plannen om Duitschland op zee den baas te blijven, niet duldend dat het volk van het vaste land hem op de wateren en in de Koloniën zal gelijk worden of overtreffen?
Haat Japan ook Duitschland niet, omdat het hem na den Japansch-Chineeschen oorlog in den weg trad en omdat Duitschlands Keizer 't eerst sprak van „het gele gevaar ? "
De volkerenzee is in beweging; hare wateren verheffen zich; zij worden beroerd.
En is 't niet, dat de strijd genoemd mag worden een strijd om macht?
Reeds lang was de uitbarsting van dezen ontzettenden krijg te voorzien.
Of is leger en vloot niet sinds jaren met alle macht op 't sterkst uitgebreid en toegerust?
En neen! hoe men schreef en riep de wapens neder! men dacht er niet over in de paleizen der vorsten en in de bureaux van de ministers en in de raadszalen van de volksvertegenwoordigers.
Men bestelde méér kanonnen, betere geweren, zwaarder geschut. En te land en ter zee werden millioenen besteed om te kunnen vechten, om te kunnen aanvallen of om zich te kunnen verdedigen.
Hoe men pochte op hoogere beschaving en er van sprak, dat het niet wel mogelijk zou zijn, dat een oorlog uitbrak, waar men elkander te lijf zou gaan, elkander bevechten, elkander dooden, elkander plunderen zou. Men wist wel beter onder de vorsten en in het midden der volkeren! En bommen werden gereed gemaakt, mijnen gevuld, bajonetten gescherpt. Men oefende en oefende om straks duizenden te kifeinen neerschieten, waarbij de lachende korenvelden zouden gedrenkt worden met het bloed van menschen, vermengd met het bloed van paarden.
Men bouwde intusschen het Vredes-paleis, dat nu door een spotvogel „te huur of te koop" is gezet.
Zijn het niet met openbaringen van de waarheid in de Schrift ons bewaard: „hatelijk zijnde en elkander hatende; " „tesamen afgeweken, waarbij er niet een is die goed doet? "
Een waarheid, die werkelijkheid is geworden door de zonde; door de bondsbreuk van Adam; door de oorlogsverklaring van den mensch aan God.
En de vruchtgevolgen van des menschen afval en zonde zijn nu mede op de allervreeselijkste wijze te zien in den Europeeschen oorlog van heden.
Daar staan ze, de legers van Duitschland en Oostenrijk tegenover de legioenen van Frankrijk en de troepen van Engeland!
En de bedoeling is om duizenden bij duizenden neer te sabelen, stuk te schieten, dood op het slagveld neer te leggen en dan over de lijken heen te grijpen naar den eerepalm; de hand te leggen op een stuk land; den voet te zetten binnen der vijanden grens.
De éen roept: naar Parijs!
De ander schreeuwt: naar Berlijn!
Dèt vertolkt het hoogste ideaal der strijdende volkeren.
De Heere regeert. Er geschiedt niets bij geval. Ook nu niet, nu de volkeren iu beroering zijn gekomen en Europa in vuur en vlam staat.
Maar er is verband tusschen 'tgeen de vorsten en de volkeren doen op aarde en 'tgeen God van den hemel komt openbaren op 't wereldtooneel.
Zijn hand is in dezen krijg.
't Is geen noodlot, geen grillig toeval.
Alles staat onder Zijn wijs en heilig bestuur.
En wat laat de Heere ons nu plotseling zien ?
In de diepte van de wereld-ellend laat Hij ons inblikken — opdat we zullen ontroeren.
Het woelen der vorsten en het pogen der volkeren legt Hij ons bloot — opdat we ons zullen wegschamen.
En Hij laat ons zien, dat de dorst naar eer en macht niet te lesschen is; dat de honger naar grootheid en rijkdom niet te verzadigen is.
Hij laat ons zien hoe de vorsten elkander haten, om de wille van vergankelijke dingen en hoe de volkeren tegen elkander te pletter loopen, vanwege 't ondermaansche.
Millioenen guldens worden opgeofferd; duizenden bij duizenden van de burgers worden gegeven in den dood — om aardsch bezit.
En intusschen blijft men roepen: laat ons de banden verscheuren die ons binden aan den Heere en Zijn Gezalfde.
Gouddorst; machtshonger; zondige razernij vernielt land en volk.
En het gaat rond overal ten verderve.
Zal deze Europeesche oorlog de vorsten en de volkeren in den spiegel doen zien, om zich zelf te aanschouwen bij hun booze daan? .
Zullen ze leeren bekennen, dat het beter is om te wonen in het land van den Heere gegeven. Hem op vaderlandschen grond dienend naar Zijn Woord?
Zal men onder de geeselslagen bekennen de zonde?
De zonde van de vorige jaren en de zonde van nu?
Dat men geweigerd heeft om op te komen voor de verdrukten — om geen macht te verliezen ?
Dat men z'n handen heeft uitgestoken naar 'tgeen God niet gaf — om meer macht te ontvangen?
De machtspolitiek kost duizenden bij duizenden van de zonen; verwoest duizende bij duizende huisgezinnen; verlaagt het volk; zet de wereld in brand; doet de gevaren voortduren zonder eind.
Men stort zich neer in den dood.
En het leven is te vinden bij Hem, die ons Zijn Woord gaf en Zijnen Christus ons schonk, roepende tot de volkeren: „Kust den Zoon, opdat hij niet toorne en gij op den weg vergaat, wanneer zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen." (Ps. 2).
Zullen de Christen-volkeren ontnuchterd worden ?
Zal men weer leeren nazeggen:
Wijk af van 't kwaad, en sta, met al uw krachten Het goede voor, in weldoen onvermoeid; Woon eeuwig hier in late nageslachten; Want God, die 't recht, waardoor Zijn heilrijk bloeit. Op 't hoogst bemint, bewaart hen, die 't betrachten; Maar 't godd'loos zaad wordt door Hem uitgeroeid.
Ps. 119 : 14.
(slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's