Uit de Pers.
Onlangs namen wij in ons Bondsorgaan op wat, Ds. J. J. Knap van Groningen schreef over
Herziening der Belijdenis.
We nemen nu het vervolg van dit artikel, gelijk we het vonden in No. 4 van de Dogmatische Fragmenten.
Het luidt aldus:
In onze vorige beschouwing hebben wij de vraag onder de oogen gezien of de Ned. Herv. Kerk de eerstaangewezene is om de herziening der Belijdenisschriften en tevens hun aanvulling ter hand te nemen. Wij meenden deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden op grond van den beginselstrijd, die op 't oogenblik in onze Kerk gevoerd wordt, en spraken de vrees uit, dat, indien er al een groep mannen van verwante kerkelijke kleur te vinden ware om de hand aan den arbeid te slaan, de belijdenis lichtelijk verwaterd kon worden. Ook scheen de zaak ons praktisch onuitvoerbaar te zijn, daar de Synode, zooals zij bij de vigeerende organisatie is samengesteld, toch moeilijk kan gelden voor een vertegenwoordiging der Kerk, gesteld al voor een oogenblik dat zij zich zou willen belasten met de revisie, iets wat ons volkomen buitengesloten lijkt.
Er zijn echter nog andere motieven te noemen, die het raadzaam maken een gereserveerde houding aan te nemen en geen verwachtingen bij de gemeente op te wekken, die naar alle waarschijnlijkheid niet vervuld zullen worden. Voor ditmaal zij er alleen op gewezen, dat naar ons oordeel onze tijd in geestelijk opzicht weinig geschikt is voor arbeid als hier bedoeld wordt. Niemand zal loochenen, dat de eerste eisch, dien men aan een revisie en aanvulling der belijdenisschriften moet stellen, deze is, dat er een hoogstaand geestelijk leven zij. Nu willen wij allerminst beweren dat de Kerk in haar aan de confessie trouw gebleven bestanddeelen op 't oogenblik een kwijnend bestaan leidt. Wij hebben een open oog voor de klimmende belangstelling in kerkelijke en geestelijke vraagstukken. Wij verheugen er ons over, dat er bij toeneming beslistheid van overtuiging gevonden 'wordt. Er is voortgang te constateeren in den arbeid om de geref. beginselen te verbreiden in aansluiting aan het verleden. Men voelt ook onder de jongere thelogen, dat wij op de schouders van het voorgeslacht behooren te staan, en dat het werk van vervlogen eeuwen geëerbiedigd moet worden, terwijl er in ue gemeente zelve meer en meer vraag naar de oude en beproefde paden komt. Het zou ons niet moeilijk vallen onderscheiden gemeenten te noemen, die niet, zooals een enkele wel eens onwelwillend zegt, door kleine middelen omgezet zijn, maar die teruggekeerd zijn tot wat de Kerk alle eeuwen door beleden heeft door geen ander middel dan de getrouwe bediening des Woords, — de eenig geoorloofde geestelijke macht, waarvan immers alle groepen ins ons bonte kerkelijke leven zich mogen en moeten bedienen. Is er dus veelzins winst te boeken in vergelijking met den toestand van voor twintig of dertig jaren, toch is het nog slechts een opkomende vloed en is het hoogtepunt bij lange na nog niet bereikt. Die gelooven haasten niet, — dit geldt dok hier. Want zal er wezenlijk kracht in een herziene belijdenis schuilen, dan moet zij het innerlijk kenmerk dragen van geestelijke rijpheid, en die zien wij nu wel reeds hier en daar, maar nog niet overal.
Of het geestelijke leven weder ooit zoo hoog zal klimmen als in de dagen toen de Confessie, de Catechismus en de Canones opgesteld werden, blijve thans onbesproken. Sta hier alleen de opmerking dat een klassieke tijd zich in den regel niet herhaalt, en dat het wachten daarop dus tot niets zou dienen. Maar de jaren die wij beleven, zijn jaren van herleving, het geklapper van de beenderen uit de vallei van Ezechiël wordt alreeds gehoord, doch nu is het oogenblik af te wachten dat zenuwen en spieren eveneens aangroeien en de gedaanten in volle levenskracht oprijzen. Wij zijn niet weinig beducht voor onrijp werk. In een boek of courant is dit reeds hinderlijk. Maar in een confessie is het volstrekt ontoelaatbaar. Wanneer deze eenmaal opgesteld of herzien is, blijft zij uiteraard langen tijd, misschien wel eeuwen van kracht, en dat moet ook, daar anders elke vastheid te loor zou gaan en men wel aan het wijzigen kan blijven. Kon men nu de herziening opdragen aan enkele vrome theologen, dan ware de zaak ook nu zeer goed te verrichten, want het ontbreekt ons niet aan bekwame en rijk-begaafde mannen. Hun werk zou echter aan het oordeel, der Kerk onderworpen moeten worden, en zal dit geen formaliteit zijn, dan dient de Kerk ook zelve in haar vertegenwoordigend lichaam een peil van geestelijke ontwikkeling bereikt te hebben, dat zij in 't algemeen gesproken nog niet bereikt heeft. Vooral datgene wat nu nog in de belijdenis ontbreekt en bij een eventueele herziening aangevuld zou moeten worden, leeft nog niet in de gemeente. In breede kringen weet men nog niet wat onder evolutie te verstaan zij. Sterker nog. Op tal van plaatsen heeft men geen besef van wat het stuk der gemeene gratie eigenlijk wil, en zoo men het woord cultuur noemt in de hoop met het nieuwerwetsche woord ruimer ingang te. vinden, komt men eveneens teleurgesteld uit. Zoo is het eigenlijlc met alle moderne dwalingen gesteld. Theosophie, spiritisme en wat dies meer zij, zij zijn nog niet algemeen in hun beteekenis doorgedrongen tot het bewustzijn der geloovigen, en daarom kunnen zij er in de belijdenis voorloopig ook moeilijk positie tegen nemen. Uit dien hoofde schijnt het ons geraden geduld met de revisie te oefenen en alle krachten te concentreeren op het inwijden van de gemeente in de kennis der nieuwe ketterijen. Het jongere geslacht wil er gaarne naar hooren. Bij de ouderen schijnt het moeilijker ingang te vinden. Catechisatie en kansel hebben hier een schoone roeping te vervullen. Waar zij die verzuimen, krijgt het modernisme gelijk met zijn bewering, dat de Gereformeerden tijdgenooten van het verleden zijn en hun eigen tijd niet verstaan, een aanklacht die ons moet prikkelen om onze gemeenten te leeren wat er in onze eeuw op geestelijk gebied omgaat.
Ook de Standaard heeft dezer dagen geschreven tegen de vrouwenkleeding, die gemis aan vrouwelijk eergevoel verraadt.
We nemen de driestar hier over:
Publieke eere,
»Valt het te loochenen, dat ook in de kleeding der vrouw allengs een lichtzinnigheid was doorgedrongen, die gemis aan degelijken levensernst en aan vrouwelijk eergevoel verried.?
Mevrouw KI. Sanders wijst hierop in het tijdschrift: Neue Frauen-Kleidunq und Frauen Kultur, en stelt de vraag, of het nu dan toch niet tijd wordt, om althans in kringen, waarin men zich zelf respecteert, met deze eer.verlagende mode te breken.
Ook bij ons werkte de zucht, om met de meest doorzichtige tule slechts schijnbaar te dekken, en feitelijk zooveel eenigszins gaat van eigen tint te laten zien; alle vormen en wendingen van 't lichaam in het oogloopend te doen uitkomen; en in alles op vlak het tegendeel bedacht te zijn van wat de heilige apostel in Tim. 2 : 9 en elders der eerzame vrouw op 't harte bindt.
Moet niet zelfs geklaagd, dat men ook in Christelijk-geloovige kringen zich soms door deze onheilige vertoonzucht liet medesleepen, en er elkander in poogde te overtreffen?
Het staat er zoo met nadruk, dat een christenvrouw »ook in haar dracht zijn moet gelijk het de heiligen betaamt.»
In dat woord van Mevrouw Sanders spreekt daarom
een gezonde raad, die ook ten onzent gehoor vinde Verootmoediging voor den Heere onzen God moet thans de grondtoon van aller zelfbewustzijn wezen.
Doch dan werke die grondtoon uit ons innerlijk bewustzijn ook in ons optreden door.
Helpen, steun verleenen, leed ondervangen en verzachten, is uitnemend, maar niets doet bij de vrouw zoo sprekend uitkomen, wat haar innerlijk beweegt, als juist haar verschijning bij het optreden in 't publieke leven.
Vooral bij de vrouw spreekt het gewaad, wat de Engelschen noemen, volumes.
In wat de vrouw onbekleed laat, of door de dunte van wat ze draagt heen laat zien, leest de kenner haar in 't hart."
Het wordt waarlijk tijd, dat in onze Protestantsch-Christelijke kringen ook op dit vrouwengevaar gewezen wordt. De eer-verlagende mode van den laatsten tijd is ergerlijk. En hoe velen lieten zich reeds, onder onze meisjes en vrouwen, door deze onheilige vertoonzucht meesleepen!
In de badplaatsen is het walgelijk; in de steden gruwelijk; op 't platte land bleef men niet achter. In de winkels, in de scholen, in de kerk zelfs kunt ge u telkens en telkens weer ergeren. In de woonkamers wordt het vrouwelijk eergevoel niet zelden gemist.
Zal men ook in deze misschien door de droeve tijden wat leeren en zal men zich leeren schamen; leeren verootmoedigen; leeren bekeeren van deze zonde?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's