Stichtelijke overdenking.
Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uwe vaders opgelegd hebben tot een schat tot op dezen dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt de HEERE. Jes. 39:6.
Er zal niets overgelaten worden.
III.
Verleidelijk waren die geschenken van den Koning \an Babel voor Hizkia, Juda's vorst.
Met zoo'n Koning in vriendschapsbetrekking te staan was toch wel begeerlijk!
En over-vriendelijk sprak het gezantschap Hizkia aan; over-vriendelijk leidde Hizkia het gezantschap overal rond — dit was nog eens heerlijk voor Hizkia, dat hem dit overkwam. En weldra was het verbond tusschen Juda en Babel gesloten!
Maar toen kwam Jesaja. Toen kwam de Godsman met een boodschap van Jehova,
Lastig, dat God alles ziet en alles weet.
Jammer, dat de Heere niet zwijgt. Ongelukkig, dat God geen pardon geeft bij de zonde.
Nu was het zoo mooi in orde tusschen Hizkia en Meródach Baladan; nu was de vriendschapsband gelegd tusschen Juda en Babel!....
Doch ziet, daar komt de Heere tusschenbeide; en in plaats dat het nu vreugd is, is het smart; in plaats dat het gewonnen is, is het verloren.
Hizkia moet z'n schatten maar vast klaar leggen — dan zal Babel ze wel meevoeren; Juda moet zich maar vast schikken, dan zullen de heidenen hem wel wegbrengen naar een vreemd land, om daar in ballingschap te zuchten, met schande overladen.
Ach, wat komt alles anders uit, dan men zich had voorgesteld!
En 't is alles van den Heere. 't Is alles om der zonde wil.
't Is alles als een oordeel Gods!
Wat heeft de wereld-oorlog van heden óns te zeggen?
Want zullen we de hand niet in eigen boezem steken?
En ja, dan gaat er een sprake uit van dit vreeselijk wereldgebeuren ook tot óns.
Wij zijn in gevaar om met ons land doodgedrukt te worden.
Als de vijanden hun groote voeten op onze erve zetten, dan wordt ons Vaderland verwoest.
En als de groote natiën de handen naar ons uitstrekken dan zijn we niet meer.
Dat weten we. En daarom hebben we ons gewapend; daarom zijn onze soldaten opgeroepen en alom, waakzaam, bij de grenzen en in de forten.
Want we moeten doen, als echte Vaderlanders, wat onze hand vindt om te doen, om ons dierbaar Nederland te verdedigen, als 't noodig is.
Van slordigheid, onbedachtzaamheid, nalatigheid en luiheid is de Heere niet gediend. En de middelen te verachten en te verwaarloozen leert de Heere in Zijn Woord ons nergens.
Maar zijn onze oogen op den Heere, gelijk het oog van den dienstknecht is op de hand zijns heeren en het oog van de dienstmaagd op de hand harer vrouw?
Verstaat ons volk nu, dat het waar is wat de 127ste Psalm zegt: „zoo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zoo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter ? "
En nu bedoelen we natuurlijk niet dat ieder hoofd voor hoofd, onder ons volk dit verstaat.
Maar we bedoelen met deze onze vraag, of, in 't algemeen gesproken, de geest van ons Nederlandsche volk een geest is van afhankelijkheid voor 's Heeren aangezicht en een nederig belijden, dat aan 's Heeren zegen alles gelegen is.
Dat moet dan in het leven uitkomen, als zoo'n geest onder het volk gevonden mag worden. Dat kan niet verborgen blijven. En dan moet er een godsdienstig, ernstig, teer leven zijn over 't algemeen. Dan moet gevoeld en gezien worden, dat men het nauw neemt met 's Heeren Woord en Wet; dat de geestelijke dingen boven de aardsche dingen geacht worden.
En — ach, arme!
Zeker! er is nog wel godsdienst; er is nog wel vroomheid; er staan nog wel altaren; er wordt nog wel geofferd.
Maar is de volksgeest niet met Gods heiligen wil in strijd; is het bedenken niet ijdelheid; is het zoeken niet naar stoffelijke dingen ?
Ja — boven alles klinkt uit dat roepen om macht, eer, rijkdom, vermaak en zingenot. En dat niet hier en daar bij enkelen. Neen! die geest is doorgegaan tot allen en heerscht overal.
Wereldsgezindheid brandt in het binnenste, 't Begeeren naar weelde en vermaak doodt al het andere. Aardsch bezit en zinnelijk genot gaat ver boven de dingen van Gods Koninkrijk,
Zeker, er is nog wel godsdienst; er zijn nog wel kerken; er zijn nog wel vromen.
Maar intusschen jagen en jachten alle rangen en standen naar vergankeliijk goed en heel het maatschappelijk leven wordt verteerd door de zucht naar welvaren en genot.
En bij het kiezen van middelen en wegen is men niet kieskeurig.
Ja — men weet veel van Duitschland te zeggen, dat het de neutraliteit van België schond en aldaar binnentrok.
Maar zelf legt men de hand op Gods dag, op den Sabbathdag, en doet er mee wat men wil,
Gods dag wordt misbruikt overal. Want de fabrieken werken door; de menschen rekenen den dag des Heeren bij de dagen van geld verdienen — en wanneer men niet werkt, dan is het een dag die zich bij uitstek leent voor uitgaan en plezier, ,
Neen — 't is geen Zondag meer. 't Is een zonde-dag geworden.
En de dagen der week zijn niet veel beter.
Roekeloos holt men voort op den weg van ruw zonde-bedrijf. Geld verdienen is alles. Opschik en zingenot is het hoogst begeeren. Denk slechts alleen aan het bioscoop-gevaar. Als een monster ging en gaat het rond en duizenden offeren hun geld, hun lichaam en ziel. Kinderen en jongelingen en jongedochters zijn er aan verslaafd. De ouderen van jaren voegen zich gaarne er bij — en allen hebben zich tot lijfspreuk gemaakt: laat ons eten en drinken en vroolijk zijn want morgen sterven we.
Vloeken hoort men allerwege op straat.
De onverschilligheid kijkt de menschen de oogen uit.
Voor kerk en godsdienst heeft men alleen spotwoorden.
En intusschen is het maar jagen om méér geld en méér genot — waarbij dreigend telkens de hand wordt omhoog gebracht, wanneer het niet gaat zooals men dat zoo gaarne wil.
Men speelt met het geld.
En men werpt verachtelijk weg wat men bezit.
Meer, méér bezit, eer, genot moet men hebben.
En kan men het niet goedschiks krijgen, dan zal men het kwaadschiks nemen.
Zoo heeft God ons volksleven gevonden in den jare 1914,
En toen is de wereld-oorlog losgebarsten — waarbij nu al het onze bedreigd werd en nóg bedreigd wordt.
Wat schrik plotseling!
Wat sloeg de angst om aller hart.
Wat beroering in alle kringen des volks.
Waarom?
Om de wille van het bezit, van het geld, van de verdienste, van het welvaren! Waarom ?
Omdat het zoo naar is plotseling gestoord te worden in de feestvreugde en bij het najagen van vermaak en zingenot !
Omdat het zoo ontroert plotseling zoon of broeder te zien heentrekken in soldatenpak; omdat het zoo aangrijpt als vader afscheid neemt van de kinderen, als de man de vrouw kust met het geweer in de hand!
Dan gaat een weemoed door het harte en de ziele trilt van aandoening en droefheid.
Maar overigens?
Voelt men, dat de Heere een twist heeft met ons volk?
Denkt men aan het woord van den prins van Oranje die in 1795 Holland verliet om te vluchten naar Engeland, zeggende: „de ware bron onzer ongelukken ligt in de nationale zonden en ongerechtigheden. God heeft een twist met Nederland. Wie zal oprichten, als God ter neer werpt!"
0! als dat eens waar was, wat zou dat heerlijk zijn.
Maar het schijnt er nog verre vandaan te
Dat men toch oogen mocht krijgen om te zien!
Want ja — het ging zoo goed. Handel en nijverheid bloeiden. De verdiensten waren niet gering. En men had een verbond gemaakt met de wereld en de zonde, waarbij elk volgend geslacht tot het inwilligen van meer eischen bereid was, verzot op meer genot en ruwer uitspatting.
Jammer —dat God nu zoo plotseling tusschen beiden kwam.
Dat alles zoo'n knak kreeg. Dat angst kwam om de plaats van de vreugd in te nemen. Dat de schaduw des doods voorbij de deur ging, waar men zoo onbezorgd at en dronk en vroolijk was!., ..
ja — de Heere ziet alles en weet alles. En de Heere is een ijverig en jaloersch God.
En ziet, nu komt Hij om te kastijden — maar met mate. Hij komt om Zijn oordeelen uit te gieten maar niet zonder ontfermen.
Zullen we leeren opmerken? Zullen we ons verbond met onze doodvijanden verbreken en zullen we leeren, om tot den Heere ons te wenden — nu het nog de welaangename tijd is?
O! er is reden voor dat God ons kastijdt.
Modern heidendom klaagt tal van kringen in het midden van ons volk aan. Moderne zonden op 't gebied van kunst en wetenschap, spottend met de eenvoudigste eischen van zedelijkheid en fantsoen vreten van jaar tot jaar voort onder jong en oud. Wellust en weeldezueht drijft honderden bij honderden tot het verderf.
Ja — er is reden voor, dat de Heere ons plotseling in moeite kwam brengen.
Waarbij ook de Kerk is aan te klagen van verval en te beschuldigen van beginselloosheid en zwakheid.
Want — om te blijven bij de Herv. Kerk — op Gods terrein gaat het niet om Gods eer; in Christus Kerk gaat het niet om het woord des Konings; op heilig erf gaat het niet om de hoogste en heerlijke zaak, zooals in Christus de zaligheid geopenbaard is voor een arm zondaarsvolk.
't Gaat om de meerderheid plus éen — afgezien van Schrift en belijdenis. En waar de waarheid Gods scherp wordt tegengestaan en vuil wordt beschimpt, wordt de hand gehouden boven degenen die den Christus der Schriften loochenen en de waarheid verkrachten.
Men maakt zich zelf een recht, ontleend aan dit of dat — maar van het recht Gods wil men niet weten; en wanneer er zijn die in eigen rechten meenen te zijn verongelijkt zoekt men het op allerlei manier in orde te maken, maar waar Gods getuigenis verkracht wordt en Christus wordt gehoond, daar laat men liefst alles zooals het is en huivert terug voor de minste verandering ten goede.
En op schoolgebied — is 't niet beter.
Ja — men duldt de School met den Bijbel. Omdat men moet. Maar ze wordt nog altijd achter gezet bij de neutrale school. Waarom ? Men wil geen plaats inruimen voor Gods Woord in de opvoeding van het kind. Men wil de religie niet erkennen, naar Gods Woord, als een van de grondzuilen van het leven.
Duizenden staan vijandig tegenover den godsdienst.
En duizend anderen, moe van het harde ongeloof en koude materialisme, hebben een anderen godsdienst uitgedacht, dan waarvan Gods Woord gewaagt.
O! zouden Gods oordeelen niet verdiend zijn, als de Heere ze doortrok tot het einde toe ?
We zijn verward in strikken die de wereld ons spant. En we zijn nog niet van plan om ons los te maken en schaamrood weder te keeren tot den Heere!
Ook Gods volk moet hierbij de hand in eigen boezem leeren steken.
Wat is er een leven bij eigen lust en een wandelen in eigen padl Wat wereldgelijkvormigheid! Wat weinig geestelijk is alles. Wat een zweren bij het woord van menschen. Wat een rooken aan eigen garen. Wat weinig saamhoorigheid en liefde onder degenen die éen Heiland hebben en allen van genade moeten leven. Wat weinig ingaan in 's Heeren werk op alle terrein des levens.
O, wat is het kerkelijk leven verscheurd en wat getuigt veel tegen ons.
Wat is het leven van Gods volk dikwijls een slecht leesbare brief van Christus.
En er bestaat verband tusschen hetgeen op aarde geschiedt en 't geen God van den hemel openbaart.
„Hoort des Heeren Woord, gij kinderen Israels! want de Heere heeft een twist met de inwoners des lands, omdat er geen trouw en geene weldadigheid en geene kennis van God in het land is" (Hos. 4:1).
Of zooals er op een andere plaats staat: Menschenkind, als een land tegen mij gezondigd zai hebben, zwaarlijk overtredende, zoo zal Ik Mijne hand daartegen strekken en zal het den staf des broods breken en een honger daarin zenden en Ik zal het zwaard brengen over dat land en zeggen: waard, ga door door dat land, zoodat Ik daarvan uitroeie menschen en beesten." (Ezeck. 14:13).
O! wat zou het heerlijk zijn, wanneer het harte van velen eens vernederd en vertederd mocht worden voor God, om, door Zijne oorieelen bewogen, tot Hem te vluchten.
Als een mocht worden uitgeroepen in oprechtheid: „Komt en laat ons wederkeeren tot den Heere."
Want Hij, die verscheurd heeft wil ook genezen en Hij die geslagen heeft wil ook verbinden" (Hos. 6 : 1).
Dat de oordeelen Gods de inwoners onzes lands gerechtigheid mogen leeren — want anders zal er ons niets overblijven.
De Heere zal het alles verderven tot eeuwige smart.
O, laat ons ons zelven toch niet verharden en laat ons ons verderf niet uitwerken tot het einde toe.
Laat ons liever naar de stemme Gods luisteren en verstaan wat Hij zegt: „Ik zal hun lieder afkeering genezen. Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hen gekeerd. Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie."
„Zoo gij in 't recht wilt treden, O HEER, en gadeslaan Onz' ongerechtigheden; Ach, wie zal dan bestaan? Maar neen, daar is vergeving Altijd bij U geweest, Dies wordt Gij, HEER, met beving. Recht kinderlijk gevreesd.
Ps. 130:2.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1914
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's